Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/3.7
3.7 Bewijslastverdeling en feitenvaststelling inzake Unierecht door de nationale rechter
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Barkhuysen, Damen e.a., Feitenvaststelling in beroep (2007), p. 130-131.
Waaronder HvJ EG 11 juli 1984, 89/83 (Dimex) en 21 januari 1999, C-54/95.
HvJ EG 17 oktober 2000, C-114/99 (Roquette Frères) en 14 december 2000, C-110/99 (EmslandStkke).
HvJ EG 4 juni 2009, AB 2009/273 (T-Mobile).
HvJ EG 10 april 2003, AB 2003/310 (Bo5ckwurstchen), par. 80.
HvJ EG 9 november 1983 199/82 (San Giorgio), par. 14. In HvJ EG 14 januari 1997, C-192-218/95 (Comateb) hanteerde het Hof dit uitgangspunt ook indien de belastingplichtige volgens de wetgeving verplicht was geweest de heffing door te berekenen.
Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 354355. Zie voorts Barkhuysen, Damen e.a., Feitenvaststelling in beroep (2007), p. 135-138. Die laatsten onderscheiden overigens niet het vereiste van effectieve rechtsbescherming van het doeltreffendheidsbeginsel.
HvJ EG 17 juli 2008, JB 2008/195 (Coleman), par. 62.
HvJ EG 21 januari 1999, C-120/97 (Upjohn), par. 33-35.
Overigens volgt uit verderop te bespreken mededingingsrechtelijke jurisprudentie van het Gerecht en het Hof dat de beoordelingsruimte van de instellingen is beperkt tot de feitenwaardering en dus niet ziet op de feitenvaststelling zelf. Ik volsta hier met een verwijzing naar Schuurmans, 'De toetsing van de feitenvaststelling in Europees perspectief, in: Europees recht effectueren (2007) en Ottow en Doing-Bierens, 'Enige contouren van het economisch bewijsrecht', JBplus 2008/4, p. 170-187.
Barkhuysen, Damen e.a., Feitenvaststelling in beroep (2007), p. 140-141.
ABRvS 17 december 2003, AB 2004/262.
Barkhuysen, Damen e.a., Feitenvaststelling in beroep (2007), p. 142-143. Zij verwijzen onder meer naar HvJ EG 15 juli 2004, C-345/02 (Pearle). Zie in gelijke zin Schuurmans, 'De toetsing van de feitenvaststelling in Europees perspectief', in: Europees recht effectueren (2007), p. 122.
In CBb 12 augustus 2010, L1NBN3895 (T-Mobile) lijkt het College van Beroep voor het bedrijfsleven dit te miskennen, door de NMa opdracht te geven het boetebedrag opnieuw vast te stellen. Strikt genomen kan het College dit gelet op het overgangsrecht van de Vierde tranche Awb doen, maar wenselijk lijkt het me niet, niet alleen omdat art. 8:72 lid 4 Awb ook voor oude zaken mogelijk maakt dat de rechter zelf in de zaak voorziet, maar het zelf voorzien in boetezaken ook voor 1 juli 2009 in de jurisprudentie steeds meer als uitgangspunt werd gehanteerd.
Voorop moet worden gesteld dat Europese verordeningen soms zelf specifieke bewijsregels bevatten. In de toepasselijke verordeningen wordt veel belang gehecht aan het bewijs of met exportsubsidies gesteunde producten de markt van bestemming daadwerkelijk hebben bereikt. Waar in die verordeningen is bepaald dat als bewijs daarvoor douanedocumenten moeten worden overgelegd aan de met de uitvoering van restitutie-regelingen belaste nationaliteiten kan de vraag opkomen of een douanedocument als onomstotelijk bewijs van export moet worden geaccepteerd of dat die documenten slechts een weerlegbare aanwijzing vormen dat het doel van de uitvoerrestitutie wordt bereikt. Barkhuysen c.s. noemen in dit verband enige uitspraken waarin hierover verschillend werd geoordeeld.1 Zo werd in enige door hen genoemde zaken overwogen dat indien er goede gronden zijn om te twijfelen aan de juistheid van douanedocumenten de bewijslast mag worden verzwaard door aanvullende stukken te vragen,2 terwijl in andere gevallen geen ander bewijs mocht worden verlangd of nader bewijs slechts voor een bepaalde tijdstip mocht worden verlangd.3 Uit de tekst van art. 101 lid 1 VWEU lijken niet direct bewijsregels te volgen. Niettemin hanteert het Hof van Justitie de volgende bewijsregel: behoudens door de betrokken ondernemers te leveren tegenbewijs, wordt vermoed dat de ondernemingen die aan de afstemming deelnemen en op de markt actief blijven, bij de bepaling van hun gedrag op deze markt rekening houden met de informatie die zij met hun concurrenten hebben uitgewisseld. Dit vermoeden van causaliteit vloeit voort uit art. 81 lid 1 EG (thans 101 lid 1 VWEU), zoals uitgelegd door het Hof en maakt dus deel uit van het toepasselijke Gemeenschapsrecht, aldus het Hof in de zaak T-Mobile.4 Dit betekent dat de lidstaten geen processuele autonomie genieten ter zake van de causaliteitsvraag.
Indien de communautaire wetgeving niet voorziet in dergelijke bewijsregels zal het nationale recht bepalend zijn. Echter, ook hier domineren het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel. Het Hof van Justitie overwoog op 10 april 2003 inzake een prejudiciële vraag van een Duitse rechter in een boetezaak:
`Gelet op een en ander moet op de tweede prejudiciële vraag worden geantwoord dat een nationale rechter bij wie een beroep als dat van het hoofdgeding aanhangig is, gelet op alle beschikbare gegevens feitelijk en rechtens dient te onderzoeken, of de resultaten van de analyses van monsters van producten van een fabrikant al dan niet moeten worden aanvaard als bewijsmiddel voor overtreding van de nationale levensmiddelenwetgeving van een lidstaat door die fabrikant, wanneer deze het in art. 7 lid 1 tweede alinea van de richtlijn neergelegde recht op een tegenexpertise niet heeft kunnen uitoefenen. Dienaangaande moet de nationale rechter nagaan of de in het kader van dit beroep toepasselijke nationale regels inzake de bewijsvoering niet minder gunstig zijn dan die welke voor vorderingen krachtens nationaal recht gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en of zij de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). Bovendien dient de nationale rechter te onderzoeken of een dergelijk bewijsmiddel moet worden uitgesloten om te voorkomen dat maatregelen worden genomen die onverenigbaar zijn met de eerbiediging van de fundamentele rechten, in het bijzonder het recht op een eerlijk proces voor een rechterlijke instantie zoals neergelegd in art. 6 lid 1 EVRM.'5
Opvallend is dat het Hof zich hier niet alleen de vraag stelt of de nationale bewijsregels de mogelijkheid van de belanghebbende zich tegen de bewijsmiddelen van het bestuursorgaan te verweren in strijd komen met de criteria van gelijkwaardigheid of doeltreffendheid, maar tevens opwerpt dat door de nationale rechter moet worden onderzocht of het bewijsmiddel gelet op de in art. 6 lid 1 EVRM besloten liggende rechten tot uitsluiting van het bewijsmiddel van het bestuursorgaan moet leiden. Met betrekking tot het doeltreffendheidsbeginsel in het bewijsrecht is vooral de zaak San Giorgio — die zag op de vraag of terugbetaling van in strijd met Gemeenschapsrecht opgelegde heffingen achterwege kon blijven, indien die heffingen door de ondernemingen reeds waren doorberekend aan de consumenten, zodat restitutie zou leiden tot ongerechtvaardigde verrijking — instructief. Het Hof overwoog:
`Bewijsregels die tot gevolg hebben dat het praktisch onmogelijk of uiterst moeilijk wordt om terugbetaling van in strijd met het gemeenschapsrecht geheven heffingen te verkrijgen, zouden (...) met het gemeenschapsrecht onverenigbaar zijn. Dit geldt met name voor vermoedens of bewijsregels die de bewijslast dat de onverschuldigd betaalde heffingen niet op anderen zijn afgewenteld, bij de contribuabele leggen of voor bijzondere beperkingen met betrekking tot de vorm van het te leveren bewijs, zoals de uitsluiting van alle niet-schriftelijke bewijsmiddelen. Is de onverenigbaarheid van de heffing met het gemeenschapsrecht eenmaal vastgesteld, dan moet de rechter vrij zijn in zijn beoordeling van de vraag of de fiscale last geheel of gedeeltelijke op anderen is afgewenteld.’6
Ook in het bewijsrecht komen we naast de gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidstoets het vereiste van effectieve rechtsbescherming tegen. In gelijke behandelingszaken leidt het vereiste van effectieve rechtsbescherming tot een gedeeltelijke omkering van de bewijslast.7 Een recent voorbeeld daarvan vormt de zaak Coleman, waarin een uitdiensttreding werd aangevochten, omdat die zou samenhangen met ongelijke behandeling en intimidatie vanwege de zorg voor een gehandicapt kind. Inzake de bewijslastverdeling overwoog het Hof onder meer:
`Zoals uit punt 54 van dit arrest blijkt, moeten de regels inzake de bewijslast worden aangepast wanneer een vermoeden van discriminatie bestaat, zulks overeenkomstig artikel 10, lid 1, van richtlijn 2000/78 en punt 31 van de considerans ervan. Wanneer Coleman feiten aanvoert op grond waarvan intimidatie kan worden vermoed, vereist een doeltreffende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling derhalve dat de bewijslast op verweerders in het hoofdgeding rust, die dienen aan te tonen dat in de omstandigheden van het geval geen intimidatie heeft plaatsgevonden.'8
Hoe verhoudt zich het in het Nederlandse bestuursrecht veelal gehanteerde uitgangspunt dat het bestuursorgaan de feiten vaststelt en de rechter die feitenvaststelling op zorgvuldigheid toetst? In Upjohn9 oordeelde het Hof dat nationale instanties eerst na ingewikkelde medisch-farmacologische beoordelingen overgaan tot intrekking van een vergunning voor het op de markt brengen van een geneesmiddel en dat een rechterlijke procedure waarin de rechters hun beoordeling van de feiten, met name van de wetenschappelijke bewijzen tot staving van de intrekkingsbeslissing, niet in de plaats kunnen stellen van die van de bevoegde instantie, niet maken dat de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk zou worden gemaakt. Het Hof oordeelde voorts dat het zelf in in dergelijke kwesties, waarin een Gemeenschapsinstantie ter vervulling van haar taak ingewikkelde beoordelingen dient te verrichten, slechts een beperkte rechterlijke toetsing toepast en dat de nationale rechter in soortgelijke gevallen niet verder hoeven te gaan.10 Het zal niet verbazing wekken dat Barkhuysen c.s. onder verwijzing naar deze prejudiciële beslissing van het Hof tot de conclusie komen dat de rechterlijke toetsing aan formele beginselen van behoorlijk bestuur in beginsel zal voldoen aan de eisen van gelijkwaardigheid en het doeltreffendheidsbeginsel.11 Zij stellen echter wel dat waar de nationale rechter in voorkomende gevallen dat het bestuursorgaan niet onderkend heeft dat Europese vraagstukken spelen volstaat met een zorgvuldigheidsvernietiging, zoals de Afdeling deed inzake de subsidiëring van de verbouwing van de Martinihal,12 mogelijk niet wordt voldaan aan de eisen die het Hof van Justitie stelt. In het geval dat subsidieverlening mogelijk in strijd komt met art. 88 EG (thans art. 108 VWEU), hebben concurrenten er namelijk recht op dat de nationale bestuursrechter doorpakt en de zaak zelf beoordeelt in plaats van enkel een nieuwe heroverweging te gelasten, aldus Barkhuysen c.s.13 We zullen verderop zien dat dit probleem zich naar ons huidig recht niet meer voordoet bij bestuurlijke boetes, omdat de bestuursrechter bij een gegrond beroep altijd zelf in de zaak zal moeten voorzien (art. 8:72a Awb).14