Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/C
Bijlage C Afschaffing van het CFM-regime
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS416274:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Rapport Werkgroep-Primarolo 23 november 1999, V-N 2000/6.6.
Brief EU-commissaris Monti 11 juli 2001, nr. D/289741, NTFR 2001/1113 (m.nt. Kors).
Gerecht van eerste aanleg 12 september 2007, nr. T-348/03 (Koninklijke Friesland Foods N.V./ Commissie), V-N 2007/44.12, ro. 13.
Brief aan de Vaste commissie voor Financiën 16 augustus 2001, fin000499, V-N 2001/44.15.
PB C 306 van 31 oktober 2001, p. 6.
Gerecht van eerste aanleg 12 september 2007, nr. T-348/03 (Koninklijke Friesland Foods N.V./ Commissie), V-N 2007/44.12, ro. 15.
Besluit Staatssecretaris van Financiën van 5 december 2002, nr. DGB2002/5635M, NTFR 2002/1863.
PB L 180 van 18 juli 2003, p. 52, NTFR 2003/997.
Zie ro. 2.10 Hof Amsterdam 30 november 2005, nr. 04/04567, V-N 2006/42.1.2.
Wet van 15 september 2005 (vervallen van de concernfinancieringsregeling), Stb. 2005, 468.
Hof Amsterdam 30 november 2005, nr. 04/04567, V-N 2008/7.16. Het tegen deze uitspraak ingestelde beroep in cassatie is ingetrokken.
Gerecht van eerste aanleg 12 september 2007, nr. T-348/03 (Koninklijke Friesland Foods N.V./ Commissie), V-N 2007/44.12.
Per 1 januari 1997 is in art. 15b Wet Vpb 1969 de concernfinancieringsmaatregel opgenomen (hierna: CFM-regime). In 1999 is deze regeling door de werkgroep Primarolo aangemerkt als een mogelijk schadelijke belastingmaatregel.1 Bij brief van 11 juli 2001 werd Nederland vervolgens door EU-commissaris Monti in kennis gesteld van het feit dat zal worden onderzocht of het CFM-regime een verboden steunmaatregel vormt.2 Deze brief bevatte onder andere de volgende passage:
51. (...) Zij verzoekt de Nederlandse autoriteiten onverwijld een afschrift van deze brief aan potentiële begunstigden van de steunmaatregel te doen toekomen. De Commissie zou vooral graag de opmerkingen van Nederland en van de betrokken partijen vernemen in verband met een eventueel gewettigd vertrouwen dat terugvordering van de steun in de weg zou staan, in het geval deze steun als onwettig en onverenigbaar zou worden beschouwd.
Uit de vastgestelde feiten van een ter zake van de afschaffing van het CFMregime gevoerde belastingprocedure blijkt dat de belanghebbende in die zaak op 26 juli 2001 door de Belastingdienst is geïnformeerd over het feit dat de formele onderzoeksprocedure is ingeleid.3 De brief van 11 juli 2001 is bij brief van 16 augustus 2001 door de staatssecretaris van Financiën ter kennis gebracht van de Tweede Kamer.4 De Commissie heeft belanghebbenden in kennis gesteld door publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie van 31 oktober 2001.5 Op 3 oktober 2002 heeft Nederland de Commissie laten weten dat zij de ondernemingen die op dat moment gebruik maakten van het CFM-regime in staat diende te stellen van deze regeling te blijven profiteren tot aan het einde van de periode waarvoor zij als begunstigden waren erkend.6
Zodra een regeling is onderworpen aan een onderzoek van de Commissie, mag de regeling op grond van art. 88 lid 3 EG niet meer worden toegepast totdat een eindbeslissing is gegeven. Op 5 december 2002 heeft de staatssecretaris van Financiën een besluit gepubliceerd waarin is vermeld dat met onmiddellijke ingang geen verzoeken om toepassing van het CFM-regime meer in behandeling zullen worden genomen.7 Voorts vermeldde hij dat deze maatregel in een wetsvoorstel zal worden vastgelegd dat zal terugwerken tot 5 december 2002.
Bij beschikking van 17 februari 2003 heeft de Europese Commissie het CFMregime onverenigbaar verklaard met het EU-recht.8 In de beschikking is een overgangsmaatregel opgenomen voor ondernemingen die op 11 juli 2001 onder de CFM-regeling vielen. De overgangsmaatregel geldt niet voor ondernemingen die vóór 5 december 2002 een verzoek om toepassing van de regeling hadden ingediend èn op 11 juli 2001 voldeden aan de voorwaarden voor de toepassing van het CFM-regime. In een brief van 7 juli 2003 schrijft de Commissie:9
Ten eerste heeft de overgangsregeling die in de beschikking van de Commissie wordt vastgesteld slechts betrekking op de ondernemingen die op de datum van inleiding van de formele onderzoeksprocedure van de regeling gebruik maakten, dat wil zeggen waaraan op die datum reeds een beschikking van de Nederlandse fiscus was afgegeven (...). De Commissie is in de loop van de procedure nooit ingelicht over de 14 ondernemingen die in de brief van 11 april 2003 worden genoemd.
Per 1 december 2005 is art. 15b Wet Vpb 1969 met terugwerkende kracht tot en met 12 juli 2001 vervallen.10 Voor belastingplichtigen die op 11 juli 2001 aan de voorwaarden van het CFM-regime voldeden, is een overgangsmaatregel getroffen. Deze overgangsmaatregel luidt als volgt:
ARTIKEL II
Ten aanzien van een aan de vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtige die op 11 juli 2001 voldeed (curs. MSB) aan de regeling van artikel 15b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, zoals dat artikel toen luidde, blijven de artikelen 10a, vierde lid, 14, derde lid, 14a, vierde lid, 15b en 18, eerste lid, van die wet alsmede de daarop berustende bepalingen, zoals deze toen luidden, van toepassing.
Het eerste lid is van toepassing gedurende een periode van tien jaren gerekend vanaf de datum met ingang waarvan de belastingplichtige een reserve als bedoeld in artikel 15b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, mocht vormen, met dien verstande dat deze toepassing uiterlijk eindigt met ingang van 1 januari 2011.
Ten aanzien van een belastingplichtige die op 15 maart 2001 een verzoek om toepassing van het CFM-regime had ingediend, doch waarop de inspecteur niet voor 11 juli 2001 heeft beslist, oordeelde Hof Amsterdam dat belanghebbende niet meer in aanmerking kwam voor toepassing van de regeling.11 Het Hof baseerde zich hierbij op de beschikking zoals die is afgegeven door de Commissie. Op grond van die beschikking vallen alleen ondernemingen die op 11 juli 2001 al een beschikking hadden onder de overgangsmaatregel. Het Gerecht van eerste aanleg oordeelde evenwel op 12 september 2007 dat de Europese Commissie in strijd met het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door de overgangsregeling niet van toepassing te laten zijn op ondernemingen die al op 11 juli 2001 een verzoek om toepassing van het CFM-regime hadden ingediend, doch waarvan de behandeling nog niet was afgerond.12