Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/5.2.1.4
5.2.1.4 Regel- en rechtenconceptie van legaliteit
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715447:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De regelconceptie van legaliteit is formeel van aard en houdt – kort gezegd – in dat de wet in formele zin zo strikt mogelijk moet worden gevolgd en stelt verder geen eisen aan de inhoud van dat recht. De rechtenconceptie van legaliteit is meer materieel van aard en stelt dat het legaliteitsbeginsel ook eisen stelt aan de inhoudelijke rechtvaardigheid van het recht en de rechten die burgers hebben en dat het onder omstandigheden zelfs nodig kan zijn om van de wet in formele zin af te wijken om materiële rechtvaardigheid te bewerkstelligen. Zie ook: Altena 2016, p. 48-52. Dworkin spreekt zelf overigens van de rule-book conception of the rule of law respectievelijk de rights conception of the rule of law (Dworkin 1985, p. 11-18).
Altena 2016, p. 47 en 49; Dworkin 1985, p. 11-12. Kritisch daarover: Bix 2003. Vgl. ook: Schreiber 1976, p. 218. Het EHRM stelt bijvoorbeeld ook dat extensieve interpretaties problematisch zijn als ze ten nadele van de verdachte uitpakken en lijkt daarbij ook geen onderscheid te maken tussen interpretaties naar analogie en extensieve interpretaties (zie bijvoorbeeld: EHRM 22 november 1995, ECLI:CE:ECHR:1995:1122JUD002019092 (C.R. v. Verenigd Koninkrijk), par. 33).
Rozemond 1999, p. 124.
Groenhuijsen 2005, p. 798-799; Roxin 1997, p. 125; Schünemann 1978, p. 29; Peters 1973, p. 13. Vgl. ook: Groenhuijsen 1987, p. 58-59. Ook Kristen noemt bij zijn bespreking van rechtszekerheid slechts voorbeelden van voor de verdachte nadelige schendingen van het legaliteitsbeginsel (Kristen 2011, p. 319-320). Vanuit dit perspectief kan ook het lex mitior-beginsel (artikel 1 lid 2 Sr) worden begrepen (Altena 2016, p. 309-312). Nieboer spreekt van de voordeelregel: “het mag niet tegenvallen, maar wel mee”. Die regel zou volgens hem goed in het strafrecht passen, omdat het strafrecht alleen maar extra nadeel toe zou voegen, zodat een meevaller voor de verdachte niet ten koste gaat van een ander, zoals in het privaatrecht wel het geval zou zijn (Nieboer 1991, p. 35-36). Wel is het van belang dat ook de inperking van strafrechtelijke aansprakelijkheid niet tot willekeur of discriminatie leidt (vgl. Rozemond 1999, p. 120).
Claes 2004, p. 402; Rozemond 1999, p. 118.
Altena 2016, p. 16 en 47. Vgl. ook: Schreiber 1976, p. 56-57.
Altena 2016, p. 12.
Niet te verwarren met ‘rechtsonzekerheid’, dat ziet op onzekerheid over inhoudelijk rechtvaardig recht. Vgl. de eerste benadering van Brouwer (Brouwer 1999, p. 190).
Timmerman 2018, p. 27; Keupink 2011, p. 26-27.
Rozemond 1999, p. 124. Zie ook: Kristen 2011, p. 317.
Groenhuijsen 1982, p. 286; Van Dorst 1978, p. 177.
Altena 2019, p. 19; Brouwer 1999, p. 194. In dit kader wordt wel van een chilling effect gesproken. Brouwer verwijst naar Rawls die schrijft: “[the] boundaries of our liberty are uncertain. And to the extent that this is so, liberty is restricted by a reasonable fear of its exercise” (Rawls 1999, p. 210).
Schünemann 1978, p. 6-7.
Groenhuijsen 1991, p. 424.
Nan 2011, p. 155.
Vgl. ook: Bundesverfassungsgericht (Duitsland) 7 april 1964, BVerfG 17, 306, p. 314.
Van Kempen & Fedorova 2015, p. 18; Groenhuijsen 1996, p. 87. Vanuit deze gedachtegang hebben kwaliteitsdelicten, die slechts op een beperkte groep personen van toepassing zijn, als grote voordeel dat de reikwijdte van de strafbepaling beperkt blijft (Nan 2011, p. 155-156). Vanuit liberaal oogpunt is het bij dit type delict wel van belang dat de kwaliteit vrijwillig is aangenomen en dat daar ook vrijwillig weer afstand van kan worden gedaan, zodat de burger er zelf voor kiest onder een strenger regime te vallen (zie ook §2.2.8). Gelet op het specificiteitsbeginsel zijn verder voortdurende delicten (wat alle voorfasedelicten haast per definitie zijn) mijns inziens ook problematischer in het licht van het lex certa-beginsel dan Nan meent, juist vanwege hun ruime toepassingsbereik (anders: Nan 2011, p. 154-155). Dit nog los van de in §2.4.3 genoemde praktische problemen.
Van Kempen & Fedorova 2015, p. 18. Dat een dergelijk inhoudelijk vereiste nauw met het toch veelal formeel begrepen lex certa-beginsel samenhangt, wordt inzichtelijker in veel alternatieve benamingen voor het lex certa-beginsel, zoals het bepaaldheidsgebod (Bestimmtheitsgebot) en het specificatievereiste.
De liberale invulling van het lex certa-beginsel bevat aspecten van zowel een regelconceptie als van een rechtenconceptie van legaliteit.1 Enerzijds dient de rechter zich namelijk – vanuit het oogpunt van staatsmachtbeperking en in lijn met de regelconceptie van legaliteit – strikt te houden aan de grenzen van (de tekst van) de wet; hij mag absoluut niet meer of zwaarder straffen dan de wet toelaat.2 De bescherming van individuele vrijheden vormt weliswaar materieel gezien de grondslag voor aansprakelijkheid, maar de (individuele) rechtszekerheid vereist dat die aansprakelijkheid pas wordt gevestigd indien deze vooraf wettelijk is vastgelegd.3 Anderzijds is, juist gelet op het centrale belang dat binnen de liberale benadering wordt gehecht aan de bescherming van individuele, negatieve vrijheden, die strikte binding aan de wet veel minder noodzakelijk voor zover de rechter het toepassingsbereik van het strafrecht juist wil inperken of lichter wil straffen dan hem is toegestaan.4 Vanuit dat opzicht sluit deze benadering juist beter aan bij een rechtenconceptie van legaliteit.5 De liberale benadering van het legaliteitsbeginsel is zodoende niet puur formeel, maar ook materieel van aard.6 Rechtszekerheid gaat niet alleen over de zekerheid dát en hoe het recht zal worden toegepast, maar stelt ook eisen aan de inhoud van dat recht.7 Zekerheid over de toepassing van onrechtvaardig recht kan vanuit dat perspectief nooit rechtszekerheid, maar hooguit ‘onrechtszekerheid’ zijn.8
Rechtszekerheid heeft vanuit liberaal oogpunt bovendien twee kanten. Enerzijds moet voor burgers duidelijk zijn welk gedrag niet is toegestaan en welke straffen er op overtreding staan.9 Anderzijds moet de burger er ook op kunnen vertrouwen dat als de wet iets niet verbiedt, hij het ook mag doen. Het moet dus niet alleen duidelijk zijn wat níet mag, maar het moet ook duidelijk zijn wat wél mag. Deze duidelijkheid gaat bij voorkeur hand in hand: duidelijkheid over wat verboden is, zorgt er ook voor dat burgers weten hoe ver hun vrijheden reiken.10 De burger weet dan niet alleen wanneer hij aan overheidsmacht onderworpen kan worden, maar ook – en misschien wel vooral – wanneer hij daarvoor veilig is.11 Onduidelijkheid over de grenzen van strafrechtelijke aansprakelijkheid is schadelijk voor de vrijheden van burgers, omdat burgers in twijfelgevallen mogelijk het zekere voor het onzekere zullen nemen en daardoor hun vrijheden ongewild preventief verder zullen inperken dan juridisch was vereist.12 Dergelijke vormen van zelfbeperking, die uiteindelijk hun aanleiding vinden in overheidshandelen, moeten vanuit liberaal oogpunt worden tegengegaan.
Uit het voorgaande volgt dat vanuit liberaal oogpunt ook de reikwijdte van de strafbepaling een rol speelt binnen het lex certa-beginsel. Ruime vangnetbepalingen, die allerlei alledaags gedrag omvatten en al dan niet worden voorzien van – eveneens ruime – vage uitzonderingsclausules, zijn vanuit liberaal oogpunt problematisch.13 Dergelijke bepalingen maken het voor overheidsinstanties mogelijk om de rechtsbescherming van klassieke, specifieker geformuleerde strafbepalingen te ontduiken.14 Als alledaags gedrag in beginsel verboden is, leidt dat bovendien ook tot een vorm van onzekerheid bij burgers. Voortdurend hangt dan immers de dreiging van bestraffing in de lucht, terwijl de kans op daadwerkelijke bestraffing doorgaans minder goed voorzienbaar zal zijn.15 Ruime strafbepalingen tasten daarmee het liberale uitgangspunt aan dat de burger in beginsel zoveel mogelijk vrij moet zijn.16 Wetgeving moet daarom niet alleen helder, maar ook specifiek, beperkt, begrensd en toegespitst zijn.17 Dit wordt ook wel het specificiteitsvereiste genoemd.18
Hiervoor is op hoofdlijnen de liberale visie op het lex certa-beginsel geschetst. De vraag rijst nu in hoeverre strafbaarstellingen in de voorfase aan de liberale eisen voor duidelijke wetgeving voldoen. Daarbij kunnen, zoals hiervoor in §5.1 al werd aangestipt, verschillende typen onduidelijkheid worden onderscheiden. Hierna worden daarom achtereenvolgens semantische onduidelijkheid (§5.2.2), wetssystematische onduidelijkheid (§5.2.3) en gebrek aan specificiteit (§5.2.4) besproken.