Heffingsmethoden, een valse dichotomie?
Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/6.3.3:6.3.3 Omzettingen bij decentrale belastingen
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/6.3.3
6.3.3 Omzettingen bij decentrale belastingen
Documentgegevens:
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS446024:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
http://amsterdam.sp.nl/nieuws/2008/01/de-kwaliteit-van-de-hondenpenning; geraadpleegd op 3 juli 2018.
Gemeente Bergen op Zoom, 2007, p. 36.
Op het niveau van de Nederlandse rijksbelastingen zou, ondanks het feit dat sprake is van dezelfde heffingsmethoden, samenvoeging van bijvoorbeeld aanslagen vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting niet mogelijk zijn vanwege alleen al het feit dat sprake is van verschillende belastingplichtigen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Van omzettingen van decentrale belastingen heb ik in het kader van dit onderzoek twee voorbeelden gevonden. De eerste omzetting betreft de hondenbelasting in de gemeente Amsterdam. Vanaf 1998 is de heffingsmethode daarvan omgezet van heffing bij wege van voldoening op aangifte (aangiftebelasting) naar heffing bij wege van aanslag (aanslagbelasting). De reden voor Amsterdam om in plaats van een aangiftebelasting te kiezen voor een aanslagbelasting waren de hoge lasten voor het toezicht (hogere uitvoeringslasten voor de gemeentelijke belastingdienst). De gemeente moest namelijk afwachten of de hondenbezitters vrijwillig aangifte zouden doen en naar welk bedrag. Er achteraf op toezien dat dit juist gebeurde, bracht de nodige kosten met zich mee. De omzetting naar een aanslagbelasting heeft tot gevolg dat de gemeente nog slechts eenmalig registreert of een inwoner een hond houdt. Op basis daarvan wordt jaarlijks automatisch een aanslag hondenbelasting opgelegd totdat dit feit zich niet meer voordoet.1 Kenmerkend voor de hondenbelasting is namelijk dat het een eenvoudig en repeterend belastbaar feit betreft (het houden van een hond tot die doodgaat of van eigenaar wisselt).
Het tweede voorbeeld betreft de gemeente Bergen op Zoom waar de hondenbelasting eveneens is omgezet van een aangifte- naar een aanslagbelasting. Hier vormden de uitvoeringslasten voor de (gemeentelijke) Belastingdienst een belangrijke reden om tot een omzetting over te gaan, maar wel op een andere manier dan bij de omzetting in Amsterdam. Door in het vervolg dezelfde heffingsmethode te hanteren als bij de OZB, afvalstoffenheffing en de rioolheffing, kon de gemeente namelijk de aanslagen van deze verschillende belastingsoorten samenvoegen op één gecombineerd aanslagbiljet.2, 3
Tussenanalyse
Het aantal omzettingen op het niveau van de decentrale belastingen beperkt zich tot twee gevonden voorbeelden, die ook nog eens alleen betrekking hebben op de hondenbelasting. Daarbij valt op dat vooral de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst een belangrijke reden is om de initiële keuze te herzien. De gemeente Amsterdam wilde de kosten verlagen (voornamelijk personeelskosten) die gemoeid waren met het toezicht. De gemeente Bergen op Zoom wilde de kosten verlagen die verband hielden met het opmaken en versturen van meerdere afzonderlijke beschikkingen (papier, enveloppen, drukken, porti en dergelijke). Dit maakt tegelijk duidelijk dat factor ‘uitvoeringskosten’ verschillende verschijningsvormen kent. Behalve de reeds hierboven genoemde kosten, betreft dit – zoals bij de rijksbelastingen naar voren is gekomen – kosten voor bijvoorbeeld automatiseringssystemen, dienstverlening, opleiding et cetera. Gesteld kan worden dat ‘uitvoeringslasten voor de Belastingdienst’ een ruim begrip is. Bovenstaande voorbeelden maken verder duidelijk dat op het niveau van de gemeentelijk belastingen vooral sprake is van omzettingen van aangifte- naar aanslagbelastingen. Ten aanzien van de rijksbelastingen wordt er daarentegen vooral gesproken over de omzetting van aanslag- naar aangiftebelastingen. Er is hier sprake van een soort tegengestelde bewegingen. Daarbij valt vooral op dat een keuze voor een aanslagbelasting, anders dan wat vrij algemeen wordt aangenomen, niet per definitie tot meer uitvoeringslasten voor de gemeentelijke belastingdienst leidt. Het laat bovendien zien dat bij deze keuze vooral doelmatigheid (oftewel uitvoeringslasten en administratieve lasten) een belangrijk aspect is in de te maken afwegingen in plaats van het minder duidelijke begrip ‘verantwoordelijkheid’.
Het deelonderzoek levert voor de rest weinig nieuwe informatie op over de factoren die relevant zijn bij een omzetting. Om die reden heb ik tevens een deelonderzoek uitgevoerd naar omzettingen op het niveau van rijksbelastingen die plaatsvonden in het buitenland. De uitkomsten van dat onderzoek bespreek ik in de volgende paragraaf.