Het akkoord
Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/5.7:5.7 Rechtsmiddelen tegen de beschikking
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/5.7
5.7 Rechtsmiddelen tegen de beschikking
Documentgegevens:
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS447316:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 24 september 1993, NJ 1993,759, waarin werd uitgemaakt dat onder schuldeisers bedoeld in art. 154 Fw niet begrepen zijn schuldeisers die noch voorkomen op de lijst van erkende schuldeisers noch voorwaardelijk zijn toegelaten in het faillissement. Deze schuldeisers kunnen derhalve niet in beroep komen tegen de beschikking van homologatie.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, heruitgave Van der Feltz II, p. 186.
Kortmann/Faber, Geschiedenis van de Faillissementswet, 2-IV, p. 352.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien homologatie door de rechtbank wordt geweigerd, kunnen de schuldeisers die voor het akkoord hebben gestemd en de schuldenaar op de voet van art. 154 Fw binnen acht dagen tegen de beschikking in hoger beroep komen. Wordt het akkoord daarentegen gehomologeerd, dan kunnen alleen de schuldeisers die tegenstemden of bij de stemming afwezig waren, tegen de beschikking in beroep komen. Het recht van hoger beroep is evenwel slechts voorbehouden aan de concurrente schuldeisers die voorkomen op de lijst van schuldeisers wier vorderingen zijn erkend of schuldeisers die door de rechter-commissaris voorwaardelijk zijn toegelaten in het faillissement.1 Slechts in één geval kunnen ook voorstemmers tegen een verleende homologatie in beroep komen. Dat is het geval als na de homologatie blijkt dat bij de totstandkoming van het akkoord oneerlijke middelen zijn toegepast, zoals bedoeld in art. 153 lid 2 sub 3 Fw. Het is namelijk niet ondenkbaar dat als de voorstemmende schuldeisers van de oneerlijke middelen op de hoogte waren geweest, zij tegen het akkoord zouden hebben gestemd.
Het hoger beroep moet binnen acht dagen na de beschikking van de rechtbank worden ingesteld. De beschikking hoeft echter aan de schuldeisers noch aan de schuldenaar te worden betekend en evenmin behoeven zij te worden opgeroepen.2 Schuldeisers die bij de behandeling van het hoger beroep aanwezig willen zijn, dienen bij de griffie te informeren of hoger beroep is ingesteld en zo ja, wanneer behandeling ervan zal plaatsvinden.3
Het hoger beroep dient door een verzoekschrift te worden ingesteld (art. 155 Fw). De behandeling moet plaatsvinden binnen twintig dagen na indiening van het verzoekschrift. Het hof behandelt de zaak opnieuw en is in zijn beslissing geheel vrij. Wel dient het hof rekening te houden met feiten die na de beslissing van de rechtbank zijn opgekomen. De behandeling geschiedt op de voet van art. 155 lid 2 Fw volgens dezelfde regels die in eerste instantie gelden, dus met inachtneming van de artikelen 152 en 153 Fw. Van de beschikking van het hof kan binnen acht dagen beroep in cassatie worden ingesteld. In art. 156 Fw wordt met zoveel woorden verwezen naar art. 155 Fw. Dit betekent dat cassatie kan worden ingesteld binnen dezelfde termijnen en op dezelfde wijze als het instellen van hoger beroep.
Indien een akkoord definitief is geweigerd, kan de schuldenaar ingevolge art. 158 Fw geen nieuw akkoord meer aanbieden:
"Het akkoord dient om de sehuldeischers gelegenheid te geven te beslissen over de vraag wat zij verkiezen: minnelijke liquidatie of gerechtelijke. Die beslissing kan slechts eens vallen. De gefailleerde moet het niet in zijne macht hebben, door herhaalde aanbiedingen van akkoorden de liquidatie in het oneindige te rekken. Zijn de door hem aangeboden voorwaarden voor de sehuldeischers niet aannemelijk genoeg, dan kan hij ze staande de raadpleging wijzigen en verbeteren. De bevoegdheid later een nieuw akkoord aan te bieden werkt allerlei verkeerde praktijken in de hand; zij geeft aanleiding dat de gefailleerde gaat beproeven zoo weinig mogelijk aan te bieden, om dan na verwerping zijn bod allengs te verhoogen en met betere voorstellen voor den dag te komen."4
Zowel de schuldsaneringsregeling (art. 329 lid 3 Fw) als het voorontwerp Insolventie wet (art. 6.2.19) staan toe dat de schuldenaar na verwerping van een akkoord of na weigering van de homologatie nogmaals een akkoord kan aanbieden. Indachtig de hiervoor aangehaalde memorie van toelichting bij art. 158 Fw, is de bevoegdheid tot het aanbieden van een akkoord beperkt tot twee keer. In het voorontwerp Insolventiewet kan een tweede aanbieding echter slechts geschieden met toestemming van de rechter-commissaris op grond van zwaarwegende omstandigheden. In de toelichting wordt aangegeven dat de toestemming van de rechter-commissaris nodig is om misbruik te voorkomen.5 Met de extra drempels die in art. 6.2.19 voorontwerp Insolventiewet worden opgeworpen, wordt voorkomen dat een schuldenaar altijd gebruik zal maken van de mogelijkheid om twee keer een akkoord aan te bieden.
In het geval een akkoord wordt gehomologeerd en de beschikking van homologatie in kracht van gewijsde is gegaan, eindigt ingevolge art. 161 Fw het faillissement van de schuldenaar. Het spreekt voor zich dat de schuldeisers die betrokken zijn bij de totstandkoming van een akkoord, veelal ook op de voet van art. 157 Fw aan een gehomologeerd akkoord gebonden zullen zijn. Wat is de status van het gedeelte van de vordering dat niet door de schuldenaar wordt voldaan? Welke fiscale gevolgen kleven er aan een gehomologeerd akkoord? Alvorens in hoofdstuk 6 de rechtsgevolgen van een gehomologeerd akkoord zullen worden besproken, zal in de paragrafen hierna worden ingegaan op de eventuele gevolgen van de Europese Insolventieverordening op de totstandkoming van een akkoord.