Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/1.2
1.2 Afbakening begrippen in vraagstelling
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258852:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Heuvel, Beleidsinstrumentatie: sturingsinstrumenten voor het overheidsbeleid 2005, p. 75.
Zie Damsteegt, De Werkloosheidswet 2017, p. 133-134 waarin zij aangeeft dat in de WW vanaf 1987 aan het in de wet opgenomen re-integratiehoofdstuk slechts in zeer beperkte mate invulling werd gegeven. In de periode 2005-2011 zijn de betreffende bepalingen ruimhartiger geworden, maar vanaf 2012 is de inzet van re-integratiemiddelen weer beperkt. Nu begint zich weer een ontwikkeling in de omgekeerde richting te doen, namelijk om in de fase voor het ontslag meer te investeren. In ieder geval blijkt dat dit instrument, dat overigens opgedeeld is in ‘kleinere instrumenten’ zoals scholing, proefplaatsing etc., maar in een beperkte periode van zeven jaar (2005-2012) door het kabinet is ingezet.
Zie bijvoorbeeld: Damsteegt, De Werkloosheidswet 2017.
Denk hierbij aan instrumenten als het aanpassen van het werknemersbegrip (bijv. het uitsluiten van personen die in het buitenland werkzaam zijn of het onder de werkingssfeer van de wettelijke werknemersverzekeringen brengen van het overheidspersoneel - Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen - sinds 1 januari 2001 door de Wet van 24 december 1997, Stb. 1997, 768), inkomens- of urenverrekening, premiedifferentiatie, het samenvoegen van naast elkaar bestaande uitkeringsrechten (Wet van 22 december 1993, Stb. 1993, 744) etc.
Het onderzoek richt zich op de vraag hoe belangrijke volumebeperkende mechanismen in de WW ter sturing van het arbeidsmarktgedrag van werknemers/werklozen vanaf 1987 zijn ontwikkeld en welk invloed deze hebben gehad op de rechtspositie van de werknemers/werklozen. De begrippen in deze centrale vraagstelling kunnen ruim worden opgevat, daarom zal ik ze nader toelichten en afbakenen.
Sturing kan in het algemeen gedefinieerd worden als het bewust streven naar verandering. Overheidssturing heeft als doel het stimuleren van maatschappelijke ontwikkelingen door de overheid door middel van gerichte beïnvloeding.1 Met arbeidsmarktgedrag wordt in dit kader voornamelijk gedrag bedoeld waardoor werknemers sneller en actief op zoek gaan naar een baan of een passende baan accepteren. Het gedrag van werkgevers speelt ook een belangrijke rol, maar de onderzochte sturingsinstrumenten zijn vooral op de werknemers gericht. Het begrip werknemers/werklozen kan verschillende betekenissen hebben, afhankelijk van de vraag over welk terrein van het socialezekerheidsrecht of arbeidsrecht wordt gesproken. In het kader van dit onderzoek gaat het om personen die recht (kunnen) hebben op een WW-uitkering, dus een werknemer zijn in de zin van de WW.
Een sturingsmechanisme wordt in het kader van het onderzoek gedefinieerd als een regeling in de WW die geheel of grotendeels gericht is of tot effect heeft de beïnvloeding van arbeidsmarktgedrag van werklozen/werknemers, en daarmee beoogt het volume van de WW te beperken, waarbij ik de periode vanaf 1987 heb genomen. Ik heb ervoor gekozen om in dit onderzoek niet in te gaan op het instrument van de re-integratiemaatregelen. Het instrument van re-integratiemaatregelen is maar gedurende een zeer beperkte periode in de afgelopen 33 jaar ingezet, namelijk in de periode 2005-2012,2 en daardoor geeft het geen goed beeld van de ontwikkeling van de WW over een langere periode en de rechtspositie van de WW’er.
De behandelde sturingsinstrumenten zijn ‘belangrijke’ in de zin van mijn vraagstelling omdat deze instrumenten sinds 1987 vaker gewijzigd zijn of specifiek ingevoerd zijn ter volumebeperking. Daarmee toont het kabinet dat hij deze instrumenten geschikt acht om het volume van de WW-uitkeringen te beperken en zijn ze relevant om te bestuderen. Ook in de literatuur over sociale zekerheid wordt aangenomen dat dit de belangrijkste instrumenten zijn.3 Er zijn weliswaar (vele) andere wijzigingen4 in de WW ingevoerd, die wellicht enige invloed kunnen hebben op het volume maar aangenomen mag worden dat de effecten daarvan slechts zeer klein zijn, om welke reden ik het onderzoek heb beperkt tot de genoemde hoofdinstrumenten.