Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.7.1:6.3.7.1 Wettelijke omschrijving
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.3.7.1
6.3.7.1 Wettelijke omschrijving
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS605425:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Onbekend (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Inkomstenbelasting / Winst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2007/08, 31 459, nr. 9, p. 21.
In dezelfde zin: Redactie Vakstudie Nieuws in haar aantekening in V-N 2008/24.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een ‘lucratief belang’ betreft in de eerste plaats soortaandelen in een aandelenvennootschap, die zijn achtergesteld bij andere soorten aandelen van de vennootschap en een preferentie van ten minste 15% dividend per jaar kennen. Hierbij moet de term ‘soortaandelen’ worden opgevat overeenkomstig art. 4.7 Wet IB 2001 en worden certificaten van aandeel gelijkgesteld met aandelen.1 Bovendien moet worden aangenomen dat de aandelen een beloning vormen voor werkzaamheden van de belastingplichtige of een met hem verbonden persoon. Ten tweede gaat het om vorderingen waarvan het rendement in enigszins belangrijke mate afhankelijk is van managementdoeleinden of aandeelhoudersdoeleinden zoals winst, omzet, kostenvermindering, aantrekken van financieringsbronnen, bedrijfsovernames enzovoort. In de derde plaats kan een ‘lucratief belang’ aan de orde zijn op basis van rechten die in economisch opzicht overeenkomen of vergelijkbaar zijn met de hiervoor bedoelde aandelen en vorderingen. Deze derde categorie kan als ‘vangnet’ worden beschouwd voor allerlei nieuwe structuren.2
Overigens beschouw ik de term ‘lucratief belang’ in het kader van deze studie niet als een te onderzoeken verbondenheidsbegrip. De mate van verbondenheid is namelijk niet wettelijk omschreven. Voorts is de regeling niet gebaseerd op invloed die de lucratiefbelanghouder kan uitoefenen op het beleid van het desbetreffende lichaam, maar op het zeer hoge rendement en de waardestijgingen die optreden indien de management- en/of aandeelhoudersdoeleinden van de belastingplichtige worden behaald.3
De wetgever heeft ervoor gekozen om het begrip ‘verbonden persoon’ voor de toepassing van de lucratiefbelangregeling van art 3.92b (voorstel) Wet IB 2001 afzonderlijk te omschrijven. Voor de definitie wordt wel verwezen naar het gelijknamige begrip in art. 3.91 lid 2 onderdeel b en lid 3 Wet IB 2001, maar de precieze invulling wijkt enigszins af. Dit vind ik overigens opmerkelijk, omdat de begrippen in beide regelingen exact dezelfde functie hebben.
De eerste categorie verbonden personen voor de toepassing van art 3.92b (voorstel) Wet IB 2001 betreft de partner als bedoeld in art. 3.91 lid 2 onderdeel b onder 1° tot en met 5° Wet IB 2001 van degene voor wie het lucratief belang als een beloning moet worden beschouwd. In zoverre bestaat geen verschil met de inhoud van het verbondenheidsbegrip voor de terbeschikkingstellingsregelingen.
De verschillen houden dan ook verband met de tweede categorie personen. Voor art 3.92b (voorstel) Wet IB 2001 gaat het hierbij om een bloed- of aanverwant in de rechte lijn van de belastingplichtige, of van zijn partner als bedoeld in art. 3.91 lid 2 onderdeel b onder 1° tot en met 5° Wet IB 2001. Deze tweede categorie verbonden personen is enerzijds ruimer dan de kring van personen die relevant zijn voor de toepassing van art. 3.91 en 3.92 Wet IB 2001. Het gaat immers niet alleen om bloed- en aanverwanten in de eerste graad van de opgaande lijn, zoals het geval is in art. 3.91 lid 2 onderdeel c Wet IB 2001, maar om alle bloed- en aanverwanten in zowel de opgaande als de neergaande lijn. In dit verband ontbreekt de eis van een in het maatschappelijke verkeer ongebruikelijke transactie als bedoeld in art. 3.91 lid 3 Wet IB 2001. In feite wordt voor de toepassing van art. 3.92b (voorstel) Wet IB 2001 verondersteld dat het bezit van een lucratief belang door een bloed- of aanverwant van de belastingplichtige per definitie ‘ongebruikelijk’ is. Anderzijds is de kring van deze tweede categorie verbonden personen juist kleiner. Indien de belastingplichtige minderjarig is, worden op basis van art. 3.91 lid 2 onderdeel c Wet IB 2001 ook de personen die zijn verbonden met zijn bloed- en aanverwanten in de eerste graad van de opgaande lijn als ‘verbonden persoon’ beschouwd. Hierbij kan worden gedacht aan de partner met wie de vader of moeder van de belastingplichtige ongehuwd samenwoont. Om voor mij onduidelijke redenen wordt deze partner niet tot de familiekring gerekend voor de toepassing van de lucratiefbelangregeling van art. 3.92b (voorstel) Wet IB 2001.
Voor de vergelijking met de sociaal-maatschappelijke werkelijkheid en het personen-en familierecht, en de beoordeling van de neutraliteit ten aanzien van de samenlevingsvorm, wordt voor het begrip ‘verbonden persoon’ verwezen naar paragraaf 6.3.6.