V-N 2015/61.5
Hof maakt geen fout bij berekening aanvangstijdstip redelijke termijn bij samenhangende zaken
HR 13-11-2015, ECLI:NL:HR:2015:3289, m.nt. Redactie Vakstudie Nieuws
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13 november 2015
- Magistraten
Koopman, Schaap, Wortel
- Zaaknummer
14/01701
- Noot
Redactie Vakstudie Nieuws
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS922295:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
- Brondocumenten
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑11‑2015
ECLI:NL:HR:2015:3289, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑11‑2015
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑05‑2014
- Wetingang
art. 16 lid 4 AWR
Essentie
De Hoge Raad oordeelt dat het aanvangstijdstip van de redelijke termijn juist is bepaald, doordat het hof is uitgegaan van het eerst ingediende bezwaarschrift van de samenhangende zaken, te weten het door de inspecteur op 29 januari 2008 ontvangen bezwaarschrift.
Samenvatting
Belanghebbende, X, is het niet eens met navorderingsaanslagen IB/PVV met boeten die zijn opgelegd in het kader van het project Bank Zonder Naam, alsmede met de afwijzing van zijn verzoek om vergoeding van immateriële schade.
De Hoge Raad oordeelt dat het aanvangstijdstip van de redelijke termijn juist is bepaald, doordat het hof is uitgegaan van het eerst ingediende bezwaarschrift ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.