HR, 13-11-2015, nr. 14/01701
ECLI:NL:HR:2015:3289
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-11-2015
- Zaaknummer
14/01701
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑11‑2015
ECLI:NL:HR:2015:3289, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑11‑2015; (Cassatie)
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑05‑2014
- Vindplaatsen
NTFR 2016/191
NTFR 2015/3248 met annotatie van Mr. I.R.J. Thijssen
FutD 2015-2740
Viditax (FutD) 2015111311
Viditax (FutD) 2015111306
Beroepschrift 13‑11‑2015
Mijnheer de President, Edelhoogachtbaar College,
Namens [X] (hierna: belanghebbende) is op 1 april 2014 beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraken van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 februari 2014, in afschrift verzonden op 20 februari 2014.
Bij brieven van 16 april heeft uw Raad belanghebbende in de gelegenheid gesteld binnen zes weken na dagtekening — in casu uiterlijk op 27 mei 2014 — de gronden van het beroep aan te vullen. Van die gelegenheid maakt belanghebbende gaarne gebruik.
Ter motivering van het beroep stelt belanghebbende de volgende cassatiemiddelen voor:
Middel I
Voor de zaken met uw kenmerk: 04/01722 en 14/01744
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht met inbegrip van algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder artikel 8:77, lid 1, onderdeel b, van de Awb althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof heeft geoordeeld dat het aannemelijk acht dat belanghebbende en zijn echtgenote terecht zijn geïdentificeerd als rekeninghouder van een bankrekening bij Van Lanschot, zulks ten onrechte en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd. Zo dit oordeel van het Hof naar uw mening stand houdt richt hetzelfde middel zich tegen het oordeel van het Hof dat de litigieuze rekening in de onderhavige jaren nog bestond.
Deze schendingen werken door naar het oordeel van het Hof over boete. Het middel richt zich daarom eveneens tegen deze oordelen van het Hof, met dien verstande dat het middel in samenhang gelezen moet worden met het tweede en derde voorgestelde middel hierna.
Toelichting
Gelet op hetgeen belanghebbende bij het Hof naar voren heeft gebracht acht belanghebbende het oordeel van het Hof dat hij als rekeninghouder kan worden aangemerkt, volstrekt onbegrijpelijk. Het Hof miskent de bewijsnood waarin belanghebbende verkeert.
Belanghebbende wordt opgezadeld met een negatieve bewijslast, daar hij het niet bestaan van iets moet bewijzen. Voor zover dit per definitie niet reeds een onmogelijke opgave is klemt deze bewijslast te meer, omdat belanghebbende niet in de juridische positie verkeert om ontlastend bewijs te kunnen afdwingen bij relevante, buitenlandse partijen. Veronderstellingen dat hij dat wel zou kunnen berusten op de aanname dat hij rekeninghouder is. Dat staat nu juist ter discussie.
Belanghebbende heeft datgene gedaan wat hij redelijkerwijs kan doen, namelijk contact zoeken met de bank Van Lanschot en de betreffende correspondentie bij het Hof ingebracht, zowel in eerste aanleg bij de rechtbank als in tweede aanleg bij het Hof. De brieven van Van Lanschot (later: Bankinter Luxembourg S.A.) rechtvaardigen het vermoeden dat belanghebbende geen rekeninghouder was. Belanghebbende vindt het onbegrijpelijk dat het Hof inhoudelijk geen of nauwelijks acht op deze brieven heeft geslagen. Belanghebbende acht het voorts onbegrijpelijk dat het Hof aan dit bewijs geen consequenties heeft verbonden voor de bewijslastverdeling en de bewijslast heeft laten terugveren naar de positie waar deze van nature thuis hoort, namelijk bij de inspecteur.
Gegeven de ontkenning door belanghebbende van het zijn van rekeninghouder, het door hem ingebrachte bewijs, eerdergenoemde bewijsnoodpositie en gegeven het feit dat de inspecteur (wel) in de positie verkeert om (internationaal) inlichtingen in te winnen, had het in de reden gelegen om nader bewijs van de inspecteur te verlangen. In het bijzonder ligt het voor de hand dat de inspecteur gebruikt had gemaakt of eventueel nog zou maken van zijn bevoegdheden om nadere inlichtingen in binnenland dan wel buitenland in te winnen. Het nalaten daarvan dient voor zijn rekening te komen.
Het Hof had kunnen oordelen dat de inspecteur niet geslaagd is in de op hem rustende bewijslast of had de inspecteur kunnen verzoeken nader onderzoek te doen. Door een opdracht daartoe onder aanhouding van de zaak of door een terugverwijzing van de zaak naar de inspecteur. Belanghebbende acht het onbegrijpelijk dat het Hof dit alles heeft nagelaten. Als het Hof impliciet heeft meegewogen de stelling van de inspecteur dat verzoek om informatie voor de onderhavige jaren niet mogelijk is, kan deze stelling — voor zover reeds juist — niet voor rekening van belanghebbende komen. Deze dient voor rekening van de fiscus en de wetgever te blijven.
Belanghebbende is verder van mening dat uit de uitspraak niet blijkt naar welk moment het Hof heeft vastgesteld dat belanghebbende als rekeninghouder kan worden aangemerkt. Belanghebbende gaat er voorshands van uit dat deze vaststelling geldt voor de positie voor het jaar 1995. De door de Belgische autoriteiten verkregen informatie en de door de fiscus gedane identificatie zien immers op dat jaar. Het heeft er alles van weg dat het Hof de situatie toetst per 1995, zij het dat dan niet blijkt op welk bewijs de vaststelling voor de onderhavige jaren is gestoeld. Dit motiveringsgebrek is van een zodanig gewicht dat de uitspraak naar de mening van belanghebbende niet in stand kan blijven.
Zo de vaststelling door het Hof van het zijn van rekeninghouder wel (direct) ziet op de onderhavige jaren had het Hof een ‘brug’ moeten slaan tussen enerzijds het materiaal van de Belgische autoriteiten en de identificatie door de fiscus dat ziet op het jaar 1995 en anderzijds de onderhavige jaren. Nu dat niet is gebeurd kan de uitspraak niet in stand blijven.
Een latere overweging van het Hof dat ‘dergelijke saldi aan obligaties die in het buitenland worden aangehouden in een land dat het bankgeheim kent, daar langdurig plegen te worden aangehouden en niet — zonder aanwijsbare reden — plotsklaps plegen te verdwijnen’, acht belanghebbende onvoldoende voor een zodanige ‘brug’ en op zichzelf onbegrijpelijk. Het is belanghebbende in ieder geval niet duidelijk waar het Hof deze ‘wijsheid’ op baseert. Het Hof vermijdt de termijn ‘algemene bekendheid’ en dat lijkt belanghebbende terecht, want dat is het beslist niet. Wat het dan wel is blijft gissen.
Dit alles klemt te meer, omdat er een forse tijdspanne is gelegen tussen de onderhavige jaren en de jaren waarop de gegevens afkomstig van de Belgische autoriteiten betrekking hebben. Zo het vermoeden gerechtvaardigd zou zijn dat belanghebbende in 1995 rekeninghouder zou zijn geweest (quod non), kan dit vermoeden niet zonder nader bewijs of nadere motivering doorgetrokken worden naar de jaren 2003 tot en met 2008. Daarvoor zijn de vermoedens te licht of te vaag geworden.
Zonder nader bewijs of nadere motivering zou het vermoeden tot in het oneindige doorgetrokken kunnen worden. Hoewel belanghebbende in algemene zin begrip heeft voor de positie van de fiscus levert een dergelijke handelwijze en bewijslastverdeling een zodanige spanning op met het rechtzekerheidsbeginsel dat laatstgenoemd beginsel moet prevaleren, ook voor de onderhavige jaren. Het algemene belang moet dan wijken voor het individuele belang, zonder aanziens des persoons.
Middel II
Voor de zaken met uw kenmerk: 04/01722 en 14/01744
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht in het bijzonder artikel 6 EVRM en/of artikel 8:69 Awb en/of artikel 8:77 lid 1 letter b Awb, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof overweegt dat het nemo tenetur-beginsel niet is geschonden, zulks ten onrechte en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd nu het blijkens rechtspraak van het EHRM het verbod op zelfincriminatie van artikel 6 EVRM wordt geschonden als informatie wordt afgedwongen zonder voorafgaand aan het verzoek om informatie de garantie wordt gegevens dat de verstrekte informatie niet zal worden gebruikt voor een eventuele bestraffing. Het middel moet worden gelezen in samenhang met de middelen I en III.
Toelichting
Naar de mening van belanghebbende staat in casu vast dat door de Inspecteur is gedreigd met sancties, waaronder een kort geding. Dit is door de gemachtigde van belanghebbende onweersproken ter zitting gesteld. Reeds op die grond is het andersluidende oordeel van het Hof onjuist.
De motivering van het Hof dat een verwijzing door de inspecteur naar de bepalingen omtrent de omkering en verzwaring van de bewijslast niet als een sanctie kunnen worden aangemerkt, komt belanghebbende eveneens onjuist voor. In strikte zin vormt het middel van omkering en verzwaring van de bewijslast volgens uw Raad geen sanctie als bedoeld in artikel 6 EVRM. Dat laat onverlet dat het een ieder — impliciet — duidelijk is dat het niet leveren van de door de inspecteur gevraagde informatie een strafbaar feit vormt als genoemd in de artikel 68 en 69 van de AWR. Het aankondigen van of dreigen met een kort geding en/of omkering van de bewijslast geeft voldoende aanleiding om te veronderstellen dat de inspecteur voornemens en willens is om consequenties te verbinden aan het handelen van belanghebbende en vormt voldoende aanleiding om rekening te houden met meer.
Ter inleiding
Uit de arresten Funke en J.B. kan worden geconcludeerd dat een belanghebbende niet kan worden gedwongen om informatie te verstrekken, indien niet kan worden uitgesloten dat die informatie zou kunnen worden gebruikt ten behoeve van het opleggen van een boete of strafvervolging. De vraag hierbij is of er al dan niet sprake moet zijn van een criminal charge. Naar aanleiding van het arrest Saunders is een andere vraag of de gevraagde informatie ziet op informatie die al dan niet afhankelijk van de wil van belanghebbende bestaat.
In latere arresten heeft het EHRM zich echter wederom uitgesproken over het zwijgrecht en het nemo tenetur-beginsel van artikel 6 EVRM. Duidelijk is dat het volgens het EHRM niet de bedoeling is dat er in een boete- of strafzaak bewijs wordt vergaard door middel van dwang, tegen de wil van belanghebbende. Duidelijk is ook dat het recht om zichzelf niet te incrimineren praktisch en effectief moet zijn, aldus het EHRM in de zaak Martinnen vs Finland. Letterlijk overweegt het Hof: ‘64. (…) the Convention must be interpreted in such a way as to guarantee rights which are practical and effective as opposed to theoretical and illusory. Applying this approach to the present case, the Court observes that, if the applicant were unable to rely on Article 6, the waiving of charges or his acquittal in the substantive proceedings would exclude any consideration under Article 6 of his complaint that he had already been punished for having defended what he considered to be his rights guaranteed by Article 6 of the Convention.’ De visie van het EHRM komt er dus op neer dat het recht om zich niet te incrimineren in zoverre praktisch en effectief moet zijn dat het kan worden ingeroepen op het moment dat informatie wordt verstrekt waarvan niet is uit te sluiten dat die voor het opleggen van een boete of een strafrechtelijke vervolging wordt gebruikt.
De zaak Chambaz
Inmiddels heeft het EHRM in de zaak Chambaz v. Switzerland (EHRM, 5 april 2012, nr. 11663/04) ook zo beslist. Van groot belang is dat het EHRM in die casus heeft overwogen dat artikel 6 EVRM niet alleen maar van toepassing is in zaken waarin er daadwerkelijk een boete is opgelegd, maar ook in gevallen waarin de belanghebbende niet kon uitsluiten dat de gevraagde informatie eventueel zou worden gebruikt voor het opleggen van een boete, ook als er uiteindelijk geen sanctie zou volgen. Voor het EHRM is van belang of het hier een verplichting betreft tot het vaststellen van een belastingverplichting of dat de procedure toch een ‘straf’ karakter heeft (rechtsoverweging 38). En dan komt de cruciale overweging bij overweging 40: de procedure van artikel 6 EVRM beperkt zich niet tot een boete voor ontduiking van belasting, maar ook voor de procedure die beoogt de juiste belastingschuld vast te stellen, zonder uit te sluiten dat een boete wordt opgelegd:
‘sans complètement exclure qu 'une amende soit prononcée, l' article 6 est également applicable, même si, en fin de compte, les autorités renoncent a infliger toute sanction financière au requérant.’
Volgens het EHRM was van belang dat Chambaz, gezien de aard van de gevraagde gegevens en de mededelingen in het rapport over de belastingontduiking, niet kon uitsluiten dat hij op basis van die gegevens zou worden beschuldigd van belastingontduiking en dat hij zijn positie zou schaden bij het onderzoek naar belastingontduiking. Doordat de boetes wegens het niet verstrekken van informatie werden gehandhaafd, ook gedurende het onderzoek naar belastingontduiking, werd Chambaz volgens het EHRM gedwongen om zichzelf te incrimineren. Van belang was bovendien dat er geen wettelijke garantie was dat de informatie niet zou worden gebruikt in het onderzoek naar belastingontduiking.
Het arrest van 12 juli
En dan zijn we bij de kern van de zaak. De essentie is of met een beroep op artikel 47 AWR en alle daarbij behorende sancties — die vervolgens ook zijn toegepast in het onderhavige geval — informatie mag worden afgedwongen. Het gaat daarbij niet louter om verplichtingen ter vaststelling van de belastingschuld. In het arrest van uw Raad van 12 juli 2013 (Hoge Raad 12 juli 2013, nr.12/01880, NTFR 2013/1586) dat wilsafhankelijk materiaal dat door de belastingplichtige ingevolge het bevel van de voorzieningenrechter is verstrekt, niet mag worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging van de belastingplichtige. En zou dit laatste toch gebeuren, dat dan de belastingrechter of de strafrechter dient te bepalen welk gevolg aan dit gebruik moet worden verbonden.
De overwegingen van het Hof
Het Hof gaat in zijn overweging over het nemo tenetur-beginsel volledig voorbij aan het vraagstuk van het wilsafhankelijk materiaal. Zulks ten onrechte, omdat belanghebbende tijdens de zitting expliciet heeft aangegeven dat hem is verzocht een verklaring af te leggen. Het staat buiten kijf dat een verklaring is te betitelen als wilsafhankelijk materiaal. Het is te allen tijde aan belanghebbende om een verklaring af te leggen. En dus te allen tijde aan hem om te zwijgen. Dit (Europese) grondrecht komt ook aan belanghebbende toe. Het dreigen door de overheid met sancties of welke consequenties dan ook, is niet geoorloofd.
Het vorenstaande onderstreept de bewijsnood, daargelaten of hij in staat is bewijs te leveren. De verwijzing naar het arrest van uw Raad van 12 juli 2013, nr. 12/01880, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640 kan belanghebbende niet delen. Per saldo komt de gedachtegang van het Hof in combinatie met dit arrest erop neer dat belanghebbende in alle omstandigheden gehouden is vragen van de inspecteur te beantwoorden, ongeacht of deze wilsafhankelijk zijn of niet. Een beeld is dan gevormd en in het ongunstige geval mag belanghebbende zich wat dé boete betreft als het ware terug vechten. Dat beschouwt belanghebbende niet als een ‘fair trial’.
De overweging van het Hof bevat geen enkele nuance die volgens belanghebbende wel zou kunnen worden aangebracht. Zo is het mogelijk om de inspecteur de informatie getrapt te laten inwinnen. Eerst het wilsonafhankelijke materiaal. Voor zover een belanghebbende dit niet kan of wil leveren kan de inspecteur zijn bevoegdheden aanwenden om het materiaal bij derden op te vragen. Als duidelijk is dat ook die mogelijkheid uitgeput is en het wel verkregen materiaal als onvoldoende is te beschouwen, rest alsdan het verzoek om wilsafhankelijke vragen.
Middel III
Voor de zaken met uw kenmerk: 04/01722 en 14/01744
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht met inbegrip van algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder art. 6 EVRM en/of artikel 8:77, lid 1, onderdeel b, van de Awb althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof heeft geoordeeld dat boetes passend en geboden zijn vanwege het aannemelijk achten dat belanghebbende en zijn echtgenote terecht zijn geïdentificeerd als rekeninghouder van een bankrekening bij Van Lanschot, zulks ten onrechte en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd. Het middel moet in samenhang gelezen worden met de twee voorgaande middelen.
Toelichting
Voor de toelichting op dit middel verwijst belanghebbende in eerste instantie naar al hetgeen is vermeld onder de toelichting bij middel I. Hetgeen daarin is overwogen met betrekking tot de enkelvoudige belasting klemt extra als het gaat om de opgelegde boetes. Deze worden immers bestreken door het regime van art. 6 EVRM. De onder middel I beschreven bewijsnood is vanuit het perspectief van art. 6 EVRM onaanvaardbaar. Dat geldt te meer nu belanghebbende datgene gedaan heeft wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden, namelijk contact zoeken met de betreffende buitenlandse bank.
Verder geldt dat een omkering van de bewijslast bij boetes niet aan de orde is. De bewijslast blijft bij de inspecteur. Deze mag op zich van vermoedens uitgaan, ook bij de boete. De vermoedens zijn in casu echter te vaag, zeker gelet op de vaker genoemde tijdspanne tussen 1995 — het jaar waarop het materiaal van de Belgische autoriteiten en de identificatie betrekking heeft — en de onderhavige jaren 2003 tot en met 2008. Het vermoeden van onschuld verwordt dan praktisch zonder betekenis.
Zonder nader bewijs of een nadere motivering bestaat er op zijn minst twijfel en in dat geval dient het voordeel aan belanghebbende te worden gegund (zie onder meer EHRM 6 december 1988, no. 10590/83, Barberà, Messegué en Jabardo tegen Spanje, NCJM-bulletin 1989,90).
Gegeven de ontkenning door belanghebbende van het zijn van rekeninghouder, het door hem ingebrachte bewijs, eerdergenoemde bewijsnoodpositie, het tijdsverloop tussen 1995 en de onderhavige jaren en gegeven het feit dat de inspecteur (wel) in de positie verkeert om (internationaal) inlichtingen in te winnen, geldt voorts het uitgangspunt niet langer dat vermoedens als grondslag voor de boete kunnen dienen en had het in de reden gelegen om nader bewijs van de inspecteur te verlangen. Nu dat niet gebeurd is en belanghebbende niet in de positie verkeert om nader bewijs te vergaren kunnen de boetes niet in stand blijven. Het Hof heeft dat miskend.
Middel IV
Voor de zaken met uw kenmerk: 04/01722 en 14/01744
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht met inbegrip van algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder art. 6 EVRM en/of artikel 8:77, lid 1, onderdeel b, van de Awb althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof heeft geoordeeld dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, zulks ten onrechte en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd. Het middel moet in samenhang gelezen worden met de middelen I en II hiervoor.
Toelichting
Belanghebbende voegt toe aan hetgeen onder middel I is geschreven, dat hij van mening is dat het Hof ten onrechte de bewijslast heeft omgekeerd en verzwaard. Het niet verstrekken van inlichtingen waarover belanghebbende niet kan beschikken kan en mag niet leiden tot omkering. Van een schending van de informatieplicht kan dan immers geen sprake zijn, laat staan dat deze is voltooid zoals het Hof heeft overwogen. Omkering van de bewijslast voor de onderhavige jaren is naar de mening van belanghebbende zodanig disproportioneel dat deze buiten beschouwing moet blijven. Gegeven het feit dat belanghebbende bij een normale bewijslastverdeling reeds in bewijsnood verkeert geraakt hij in een volledig onmogelijke bewijspositie als deze ook nog in verzwaarde vorm op hem wordt gelegd. Op deze wijze is belanghebbende de facto niet meer in staat zich te verweren. Dat is in strijd met de algemene en Europese rechtsbeginselen.
Naast het niet kunnen verstrekken van inlichtingen waar men niet over beschikt geldt het bovenstaande evenzeer voor het geval de inlichtingenplicht is gebaseerd op een, na al die jaren ‘verlopen’ en daarmee te vaag geworden vermoeden. Alsdan kan omkering zonder nader bewijs of nadere motivering niet aan de orde komen.
Het Hof is kennelijk van mening dat omkering gerechtvaardigd is een situatie van vermoedens. Het Hof geeft echter niet aan welke vermoedens dit betreft, in die zin dat het gaat om vermoedens die aanwijzing bevatten voor het jaar 1995 of de onderhavige jaren 2003 tot en met 2008. Evenmin geeft het Hof een indicatie af over de bewijskracht van de vermoedens in relatie tot de — door belanghebbende door ‘de bewijsnood in het kwadraat’ toch als sanctie ervaren — omkering van de bewijslast. Voor zover het oordeel van het Hof al juist zou zijn acht belanghebbende het in ieder geval onbegrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd.
Middel V
Voor de zaken met uw kenmerk: 04/01722 en 14/01744
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht met inbegrip van algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder artikel 52a Awb; artikel 27e Awb (tekst 2012) en/of artikel 8:77, lid 1, onderdeel b, van de Awb althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof heeft geoordeeld dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard ondanks de omstandigheid dat geen informatiebeschikking is afgegeven door de inspecteur, zulks ten onrechte en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting
Het Hof heeft de stelling van belanghebbende verworpen dat de bewijslast niet omgekeerd en verzwaard had mogen morgen, omdat geen zogenoemde informatiebeschikking is afgegeven. Volgens belanghebbende ten onrechte.
Het bij Wet van 27 mei 2011, Stb. 2011, 265 — waarin geen overgangsbepalingen zijn opgenomen — gewijzigde artikel 27e AWR is van toepassing is in situaties waarin de inspecteur bij de inwerkingtreding van die bepaling bevoegd was jegens belanghebbende de informatiebevoegdheden van art. 47 e.v. AWR uit te oefenen en een informatiebeschikking te nemen. Vanwege het ontbreken van overgangsrecht heeft het nieuwe regime onmiddellijke werking, in volle omvang. Het Hof heeft dit miskend. Nu de inspecteur uitspraak heeft gedaan na de wijziging van het nieuwe regime had hij eerst een informatiebeschikking moeten afgeven.
Middel VI
Voor alle in de aanhef genoemde zaken
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht met inbegrip van algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de artikelen 6 EVRM en 8:73 van de Awb, althans verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming de nietigheid ten gevolge moet hebben, doordat het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een hogere vergoeding van immateriële schade omdat sprake is van een bijzondere samenhang van procedures en niet aannemelijk is dat belanghebbende meer spanning en frustratie heeft ondervonden doordat de procedures betrekking hadden op meer jaren en beschikkingen, zulks ten onrechte en/of onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd.
Toelichting
In HR 21 maart 2014, 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540 heeft uw Raad onder meer het volgende overwogen:
‘2.5.2.
(…) In een geval als het onderhavige, waarin meerdere zaken van een belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp (in deze zin ook CRvB 30 juni 2009, nrs. 08/4752, 4756 t/m 4759 BESLU en 09/1277,1278, 1280,1282 BESLU, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ2125, JB 2009/208). Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd. Indien de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel, in dit geval vanaf de ontvangst van het eerst ingediende bezwaarschrift.’
Het Hof heeft alle onderhavige zaken van belanghebbende aangemerkt als samenhangende zaken maar bij de berekening van de termijn geen rekening gehouden met bovenstaande overweging, in het bijzonder de laatste regel daarvan. Het Hof had bij de berekening van de termijn moeten uitgaan van het eerst ingediende bezwaarschrift van de samenhangende zaken. Dat is niet gebeurd en deze omissie zal hersteld moeten worden.
Conclusie
Op bovenstaande gronden, dan wel ambtshalve, concludeer ik namens belanghebbende tot vernietiging van de bestreden uitspraak van het Gerechtshof, althans voor zover het betreft de gronden, die het Gerechtshof daartoe heeft gebruikt.
Namens belanghebbende verzoek ik Uw Hoge Raad te bepalen, dat de Minister gelast zal worden het griffierecht voor het beroep in cassatie aan belanghebbende te vergoeden, alles met verzoek de wederpartij te veroordelen in de kosten als volgens de wet, die belanghebbende heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de Hoge Raad.
Met verschuldigde hoogachting,
Uitspraak 13‑11‑2015
Inhoudsindicatie
Bank Zonder Naam. Aanvangstijdstip overschrijding redelijke termijn bij samenhangende zaken. Art. 16, lid 4, AWR. Eis van voortvarend handelen.
Partij(en)
13 november 2015
nr. 14/01701
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem‑Leeuwarden van 18 februari 2014, nrs. 13/00369 en 13/00370, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost-Nederland (nrs. AWB 08/3113 en AWB 08/3114) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 1995 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de over het jaar 1996 opgelegde navorderingsaanslag in de vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. M. Hendriks, advocaat te Nijmegen.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1.
De bestreden navorderingsaanslagen, verhogingen en beschikkingen inzake heffingsrente houden verband met het zogenoemde project Bank Zonder Naam.
2.1.1.
De Inspecteur heeft bij brief van 7 maart 2007 belanghebbende gevraagd informatie te verstrekken aangaande een volgens de Inspecteur op belanghebbendes naam gestelde in het buitenland aangehouden bankrekening.
2.1.2.
Belanghebbende heeft daarop bij brief van 13 maart 2007 geantwoord dat hij nimmer heeft beschikt over in het buitenland aangehouden banktegoeden.
2.1.3.
Na rappel van 21 maart 2007 heeft belanghebbende bij brief van 20 april 2007 geantwoord dat hij aan het informatieverzoek geen gehoor kan geven.
2.1.4.
Bij brief van 13 juni 2007 heeft de Inspecteur medegedeeld dat hij zich, gelet op de ontkenning van belanghebbende dat hij beschikt over in het buitenland aangehouden bankrekeningen, genoodzaakt ziet bij het opleggen van navorderingsaanslagen uit te gaan van geschatte bedragen.
2.1.5.
Bij brief van 22 november 2007 kondigt de Inspecteur aan dat hij navorderingsaanslagen gaat opleggen. De onderhavige navorderingsaanslagen zijn daarop met dagtekening 28 december 2007 opgelegd.
2.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat, gelet op de complexiteit van de zaak, de tijd die gemoeid was met de voor de onderhavige zaak relevante procedure die tot een einde is gekomen met het arrest van 26 februari 2010, nr. 43050bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092, BNB 2010/199 (Passenheim-van Schoot), en de proceshouding van belanghebbende, de redelijke termijn voor behandeling van een zaak niet is overschreden en het verzoek om vergoeding van immateriële schade daarom moet worden afgewezen. Daarbij is het Hof ervan uitgegaan dat de termijn is aangevangen met het indienen van het bezwaarschrift van 28 januari 2008, door de Inspecteur ontvangen op 29 januari 2008. Tegen dit oordeel richt zich het door belanghebbende voorgestelde middel.
2.3.
Het Hof heeft tevens geoordeeld dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat in de periode tussen februari 2005 en maart 2006 door de Inspecteur en FIOD-ECD voortvarend is gehandeld, zodat de navorderingsaanslagen moeten worden vernietigd. Tegen dit oordeel richt zich het door de Staatssecretaris voorgestelde middel.
3. Beoordeling van het door belanghebbende voorgestelde middel
3.1.
Het middel faalt aangezien uit ’s Hofs uitspraak blijkt dat het Hof, anders dan het middel betoogt, bij het vaststellen van de begindatum van de zogenoemde redelijke termijn wel is uitgegaan van het eerst ingediende bezwaarschrift van de samenhangende zaken, door de Inspecteur ontvangen op 29 januari 2008.
4. Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
’s Hofs oordeel omtrent het ontbreken van de vereiste voortvarendheid komt overeen met het oordeel van hetzelfde Hof in de uitspraak van 11 juni 2013, waartegen onder nr. 13/03554 beroep in cassatie is ingesteld en waarop de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689, BNB 2014/137. Het middel slaagt op de in dat arrest vermelde gronden.
5. Slotsom
Gelet op hetgeen hiervoor is geoordeeld in onderdeel 4 kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
6. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent de schadevergoeding, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice‑president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2015.
Beroepschrift 26‑05‑2014
Den Haag, [26 MEI 2014]
Kenmerk: DGB 2014-2515
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnummer 14/01701) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 18 februari 2014, nr. 13/00369 en 13/00370, inzake [X] te [Z] betreffende de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1995 en de navorderingsaanslag vermogensbelasting voor het jaar 1996.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw brief van 16 april 2014 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het Nederlands recht, met name van artikel 16, vierde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing kan zijn omdat de inspecteur onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, zulks ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen omdat:
- a.
Het Hof uitgaat van een onjuiste beoordeling van de wijze waarop de Belastingdienst een project mag organiseren;
- b.
De nadere toelichting voor de lengte van de periode bij de FIOD anders dan het Hof heeft geoordeeld niet ontbreekt.
In een vergelijkbare zaak inzake het BZN-project heeft Hof Den Haag (nrs. 11/00566 t/m 11/00580) op 14 augustus 2013 (nog niet gepubliceerd) als volgt geoordeeld:
‘7.2.7.
Tussen het moment dat de informatie via de Belgische belastingautoriteit bij de FIOD/ECD binnenkwam in februari 2005 en het moment dat voor het eerst contact met belanghebbende is opgenomen door het zenden van een vragenbrief, is ongeveer twee jaar en een maand verstreken De Inspecteur heeft verklaard dat in die periode de informatie is bestudeerd, dat een projectteam is opgezet, dat een draaiboek is opgezet voor het identificeren en belasten van de daarbij genoemde personen en dat de identificatie heeft plaatsgevonden.
7.2.8.
De Belastingdienst is na ontvangst van de inlichtingen in maart 2005 aangevangen met het verifiëren en analyseren van de ontvangen informatie. Gelet op de grote hoeveelheid gegevens en de in acht te nemen zorgvuldigheid is ervoor gekozen de gegevens op een projectmatige wijze te verwerken. De daarmee gemoeide projectwerkzaamheden hebben gedurende maart 2005 tot en met maart 2007 onafgebroken plaatsgevonden. De projectwerkzaamheden hebben niet allemaal tegelijk plaatsgevonden, doch steeds hebben volgtijdelijk ten minste één van onderstaande typen projectwerkzaamheden plaatsgevonden. Ruwweg kunnen de projectmatige werkzaamheden in drie verschillende periodes worden onderscheiden.
7 2.9.
De eerste fase was de onderzoeksfase. Gedurende deze fase is onderzocht en beoordeeld of de ontvangen gegevens bruikbaar waren voor fiscale behandeling Deze fase heeft geduurd vanaf het moment dat de gegevens zijn ontvangen tot ruwweg maart 2006. De werkzaamheden binnen deze periode hebben bij de FIOD/ECD en Belastingdienst Centrum voor Product en Procesontwikkeling (B/CPP) plaatsgevonden. In deze periode hebben de volgende activiteiten plaatsgevonden:
- (1)
opstarten van behandeling, de interne Organisatie informeren over het verkrijgen van de gegevens en capaciteit vrijmaken om met de gegevens aan de slag te gaan.
- (2)
analyseren en veredelen van de ontvangen gegevens- het digitaliseren, rubriceren en ordenen van de gegevens. Hiervoor zijn geautomatiseerd verschillende bestanden gemaakt, gekoppeld en met elkaar vergeleken;
- (3)
identificeren van rekeninghouders; het ontwerpen van geautomatiseerde zoekvragen ter identificatie; het via interne en externe systemen koppelen van de ontvangen gegevens aan inwoners van Nederland. Enerzijds hebben geautomatiseerde zoekslagen plaatsgevonden die grotendeels zijn uitgevoerd door een EDP-auditor van B/CPP (zie het Proces-verbaal Geautomatiseerde identificatie van 13 maart 2003). Anderzijds zijn diverse handmatige zoekslagen gemaakt. Door deze onderzoeken zijn bijvoorbeeld eigenaren van postbussen achterhaald, telefoonnummers gekoppeld aan belastingplichtigen en codenamen gekraakt. Bij twijfel werden steeds weer nieuwe zoekslagen gemaakt, zodat de juist geïdentificeerde personen aangeschreven konden worden; en
- (4)
sofiëren van de gegevens. Het zodanig bewerken van de ontvangen gegevens tot voor de behandeling van individuele belastingplichtigen noodzakelijke informatie.
De activiteiten onder 2, 3, en 4 hebben het grootste gedeelte van de voorperiode doorlopend plaatsgevonden.
7.2.10.
De tweede fase was de besluit- en inrichtingsfase. Gedurende deze fase heeft
- (1)
In het voorjaar 2006 overleg plaatsgevonden tussen de Kennisgroep Landelijke Acties, het ministerie van Financiën en de FIOD-ECD. Besloten is tot een landelijk gecoördineerde aanpak in een project. Voorts hebben besprekingen over risico's, rechtsvragen, mogelijk- en onmogelijkheden in het project bij de Belastingdienst plaatsgevonden. Daarnaast is een projectleider aangezocht die op 24 augustus 2006 van start is gegaan; en
- (2)
continue afstemming plaatsgevonden met het ministerie van Financiën (afstemmen en informeren over ontwikkelingen en voortgang).
7.2.11.
De derde fase was de projectfase. In het algemeen kunnen de werkzaamheden in deze periode als volgt worden samengevat:
- (1)
samenstellen van een landelijk projectteam;
- (2)
opzetten van een projectorganisatie: plannen maken en uitwerken, het landelijke en regionale management van de Belastingdienst informeren, formeren van een groep collegae die het landelijke project regionaal uitzet-en bewaakt (= de regiotrekkers), capaciteit vrij doen maken in de regio's voor het behandelen van de renseignementen. regelen van administratieve ondersteuning op landelijk en regionaal niveau;
- (3)
opzetten van een projectapplicatie: bouwen van een computerprogramma specifiek toegesneden voor de fiscale behandeling met betrekking tot de ontvangen gegevens. Deze applicatie verschaft behandelaren en projectleiding steeds op individueel niveau inzage in de behandeling.
- (4)
afstemmen en schrijven van een draaiboek: raadplegen deskundigen heffing, inning en opsporing. Afstemmen met deskundigen successierecht en het Openbaar Ministerie;
- (5)
informeren, organiseren en houden van startbijeenkomsten voor de regiotrekkers;
- (6)
het schrijven van standaardbrieven die bij de aanvang van het project verstuurd moeten worden.
- (7)
verifiëren van de ontvangen gegevens- op verschillende manieren beoordelen of de ontvangen gegevens (voldoende) betrouwbaar zijn (vergelijken met gegevens die reeds in eerdere projecten verstrekt waren en chikwadraattoets):
- (8)
selecteren van posten in verband met mogelijk strafrechtelijk onderzoek;
- (9)
voorbereiding starten van civiele kortgedingprocedures, en overleg met de Landsadvocaat.
Het analyseren en veredelen van de gegevens en het identificeren van rekeninghouders heeft hierbij de meeste tijd gevergd. Deze activiteiten hebben gedurende de periode april 2005 tot en met maart 2007 onafgebroken plaatsgevonden en zijn naderhand vervolgd. In maart 2007 is besloten de gegevens van de eerste tranche geïdentificeerde belastingplichtigen vrij te geven voor behandeling op de diverse kantoren van de Belastingdienst. De keuze voor een projectmatige aanpak is naar het oordeel van het Hof aanvaardbaar vanwege de eenheid van beleid en uitvoering. Gelet op de uitgevoerde werkzaamheden en de daarbij nagestreefde zorgvuldigheid is de met het identificatieproces gemoeide tijd van ongeveer twee jaar daarvoor niet onredelijk lang. In aanmerking is genomen dat de naam van de echtgenote diende te worden gecheckt en te worden bezien wie van de twee het hoogste persoonlijke inkomen had.
7.2.12.
De Inspecteur is, belanghebbende heeft dit niet weersproken, begin maart 2007 op de hoogte gekomen van het feit dat belanghebbende naar voren is gekomen als rekeninghouder van de VLB. Het Hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank in 4.8 tot en met 4.10 van de uitspraak heeft overwogen. De keuze voor een projectmatige aanpak is naar het oordeel van het Hof aanvaardbaar vanwege de eenheid van beleid en uitvoering. Gelet op de uitgevoerde werkzaamheden en de daarbij nagestreefde zorgvuldigheid is de met het identificatieproces gemoeide tijd van ongeveer twee jaar daarvoor niet onredelijk lang. In aanmerking is genomen dat de naam van de echtgenote diende te worden gecheckt en te worden bezien wie van de twee het hoogste persoonlijke inkomen had.
De eerste vragenbrief van de Inspecteur dateert van 16 maart 2007.
Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 26 maart 2007, waarbij hij heeft verzocht concrete informatie toe te zenden waarop is gebaseerd dat belanghebbende een buitenlandse bankrekening zou aanhouden. Hierop heeft de Inspecteur op 3 april 2007 een antwoord gezonden waarbij belanghebbende is gewezen op zijn verplichting inlichtingen te verschaffen ex artikel 47 van de Awr. Bij brief van 4 april 2007 heeft de gemachtigde [G] zich gesteld en heeft hij verzocht om concrete informatie. Vervolgens heeft de Inspecteur op 11 april 2007 de gemachtigde geantwoord met toezending aan de gemachtigde van de brief aan belanghebbende van 3 april 2007. Hierop is een antwoord gevolgd van 18 april 2007 door de gemachtigde waarin deze heeft gesteld dat het bewijs voor inkomen uit een buitenlandse bankrekening bij de Inspecteur ligt. Belanghebbende zelf heeft de Belastingdienst op 24 oktober 2007 naar aanleiding van een brief van [H] van [i] van 9 oktober 2007 waarin belanghebbende onder meer is meegedeeld dat de fiscus beschikt over saldo-overzichten per december 1994, september 1996 en november 1996, meegedeeld dat hij een afschrift van de saldo overzichten wil hebben en dat hij daarna bij de bank navraag zal doen. Op 5 november 2007 heeft de gemachtigde van belanghebbende aan de Inspecteur de door belanghebbende met dagtekening 18 juli 2007 ingevulde verklaring gefaxt waarin belanghebbende heeft verklaard niet over een buitenlandse bankrekening te beschikken. Op 30 november 2007 heeft de Inspecteur daarna de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 2002 en VB 1996 aangekondigd. Het voornemen tot het opleggen van de navorderingsaanslagen met verhogingen en boetes over de andere jaren heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld op 30 november 2007 onder de voorwaarde dat het feitencomplex niet wijzigt. Belanghebbende is daarbij in de gelegenheid gesteld op dit voornemen te reageren. De gemachtigde heeft vervolgens op 5 december 2007 gereageerd waarna de Inspecteur heeft geantwoord op 14 december 2007. Het bezwaar tegen de eerste navorderingsaanslagen heeft de gemachtigde gemotiveerd in april 2008. De tijdspanne die is verstreken tussen maart 2007 en het daadwerkelijk opleggen van de eerste navorderingsaanslagen in december 2007, is aanvaardbaar. Het Hof heeft hierbij gelet op de omstandigheid dat belanghebbende en later ook de gemachtigde geen informatie verstrekte over bedragen die op zijn rekening zouden staan maar ontkende over een rekening te beschikken en dat voor het opleggen van deze navorderingsaanslagen een handmatig proces moest worden uitgevoerd.’
Inzake deze beoordeling en het daarover gegeven oordeel overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 2 mei 2014, nr. 13/04730, ECLI:NL:HR:2014:1031:
‘In het oordeel van het Hof ligt besloten dat bij het project Bank Zonder Naam in de fase tot aan het verstrekken van gegevens aan de Inspecteur in maart 2007 de voortvarendheid is betracht die ingevolge onder meer het arrest van de Hoge Raad van 26 februari 2010, nr. 43050bis, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092, BNB 2010/199, in acht moet worden genomen. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting (zie HR 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689, V-N 2014/16.6). Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Het middel faalt daarom.’
Een en ander ligt in casu niet anders. Ook in de onderhavige zaak had het Hof tot het oordeel moeten komen dat de inspecteur voldoende heeft onderbouwd dat door de Belastingdienst redelijke voortvarendheid is betracht in de diverse fases van het project.
Voorts volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689:
‘3.4.2.
De Hoge Raad neemt bij de beoordeling van dit middelonderdeel tot uitgangspunt dat in een geval als het onderhavige, waarin gegevens over in het buitenland ondergebracht vermogen zijn verkregen die een groot aantal in Nederland wonende personen betreffen, de Belastingdienst over voldoende tijd moet kunnen beschikken om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen om welke individuele belastingplichtigen het gaat en vervolgens ten aanzien van de betrokken belastingplichtigen te beoordelen of, en zo ja, voor welk bedrag belasting van hen kan worden nagevorderd. In gevallen als het onderhavige kan de Belastingdienst verder in redelijkheid tot het oordeel komen dat een landelijke coördinatie en een projectmatige aanpak geboden zijn. Indien daarvoor wordt gekozen moet tevens rekening worden gehouden met de tijd die met een zodanige aanpak en coördinatie gemoeid is, waaronder begrepen de tijd die benodigd is voor het ontwikkelen van beleid voor de behandeling van individuele gevallen, ook ten aanzien van het opleggen van boeten waartoe gelet op het bepaalde in (thans) Afdeling 5.4.1 Awb ook overleg met het openbaar ministerie geboden kan zijn. Met deze werkzaamheden, waarbij ook in het belang van de betrokken belastingplichtigen zorgvuldigheid moet worden betracht, kan geruime tijd gemoeid zijn.
3.4.3.
De belastingautoriteiten hebben beoordelingsvrijheid bij de organisatie en inrichting van al deze werkzaamheden. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Gelet op de eisen die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie mogen de werkzaamheden niet worden georganiseerd en ingericht op een zodanige wijze dat een voortvarende behandeling onvoldoende gewaarborgd is.
(…)
3.4.6.
Bij de beoordeling van dit tijdsverloop heeft het Hof grote betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de ‘geautomatiseerde zoekslag is uitgevoerd door één EDP-medewerker die daaraan (…) een gedeelte van zijn werktijd heeft besteed’. Zonder nadere motivering, die in de bestreden uitspraak niet is gegeven, is evenwel niet begrijpelijk dat het Hof deze omstandigheid redengevend heeft geacht voor zijn oordeel dat niet de vereiste voortvarendheid in acht is genomen. Om dat oordeel begrijpelijk te doen zijn zou ten minste nader uiteengezet moeten zijn welke omstandigheden het oordeel kunnen dragen dat van de Belastingdienst met het oog op de vereiste voortvarendheid, en met inachtneming van het hiervoor in 3.4.3 overwogene, redelijkerwijs een andere organisatie van de te verrichten werkzaamheden verlangd had mogen worden.
Het Hof heeft zijn oordeel mede gebaseerd op de overweging dat het niet aannemelijk acht dat met de hiervoor in 3.1.3 bedoelde fase van het onderzoek, die een jaar in beslag heeft genomen, bij een voortvarende behandeling noodzakelijkerwijs meer dan hooguit enkele maanden zouden zijn gemoeid. Ook in zoverre is de uitspraak van het Hof niet toereikend gemotiveerd, gelet op hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd over de aard en de omvang van de werkzaamheden die na ontvangst van de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens in deze fase moesten worden uitgevoerd.
Voor zover het middel zich tegen dat oordeel keert, is het daarom terecht voorgesteld.’
Het oordeel van het Hof geeft blijk van een onjuiste invulling van deze door de Hoge Raad gegeven richtlijnen. Ook de keuze voor een volgtijdelijke onderzoeksfase en een besluit- en inrichtingsfase past in de benadering van de Hoge Raad. De beoordeling of voldoende voortvarendheid is betracht binnen de vooraf gekozen werkwijze, kan naar zijn aard uitsluitend achteraf plaatsvinden.
Gelet op de totale omvang van de ontvangen gegevens was individuele identificatie geen werkbare optie was. Met andere woorden: dat gekozen is voor het projectmatig gebruik maken van digitale zoekslagen van het geheel van verkregen informatie is bezien vanuit de voortvarendheid voor het gehele project een gerechtvaardigde keuze. Dat daardoor min of meer makkelijk te identificeren gevallen ook langer geduurd hebben is het gevolg van deze, bezien vanuit het geheel van het project, gerechtvaardigde aanpak. Voor het project als geheel is daarmee aan de voortvarendheidtoets voldaan. De aan deze benadering klevende rechtsopvatting heeft de Hoge Raad ook bevestigd in de hiervoor aangehaalde arresten van 28 maart 2014 en 2 mei 2014.
Het Hof heeft in casu geoordeeld dat vanwege het ontbreken van een nadere toelichting onduidelijk is waarom de fase van het identificatieproces meer dan een jaar heeft moeten duren en acht aannemelijk dat bij een voortvarende behandeling deze fase hooguit enkele maanden had hoeven te duren. Daarmee gaat het Hof voorbij aan hetgeen de inspecteur heeft aangedragen over de werkwijze en de daarbij te betrachten zorgvuldigheid. Op pagina 3 van de pleitnota van [C] staat dat de bouw van een zoekmachine geruime tijd in beslag heeft genomen. Voorts blijkt uit het overlegde ‘proces-verbaal geautomatiseerde identificatie’ dat per rekeningnummer vanuit de gedigitaliseerde bronbestanden een bestand moest worden gemaakt ter vergelijking met interne en externe databases. In de verklaring van [F] (onderdeel 2.10) is opgenomen dat in de periode april 2005 tot en met maart 2006 1 tot 26 bestanden per maand werden aangemaakt. Daarnaast wijst zij er op dat gedurende deze periode ook diverse handmatige zoekslagen hebben plaatsgevonden, waardoor eigenaren van postbussen zijn achterhaald, telefoonnummers zijn gekoppeld aan personen en diverse lastige codenamen zijn gekraakt. Ook wijst zij erop dat bij twijfel nieuwe zoekslagen werden gedaan, vanwege de zorgvuldigheid. Alleen op die manier kan een landelijk project met deze omvang worden gestart, waarin de juiste Nederlandse belastingplichtige als geïdentificeerde persoon kon worden aangeschreven door de inspecteur.
De door het Hof aangelegde maatstaf, dat aannemelijk is dat een en ander hooguit enkele maanden zou hoeven te duren, gaat hieraan voorbij. Conform het arrest van 28 maart 2014 heeft het Hof ook in casu zijn uitspraak niet toereikend gemotiveerd.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
Hoogachtend,
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco