Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/8.4.2.2
8.4.2.2 Vernietiging van een besluit in enquête
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971939:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 11 november 2016, NJ 2017/75 m.nt. P. van Schilfgaarde (Cordial I), r.o. 5.4.2: “De wettelijke regeling van vernietiging van besluiten in art. 2:21 BWC (in Nederland art. 2:15 BW) staat naast de mogelijkheid om in het kader van een enquêteprocedure besluiten van een rechtspersoon te schorsen of te vernietigen. De regelingen dienen elk een verschillend doel. In een enquêteprocedure zijn de gronden voor vernietiging van een besluit ook ruimer dan in art. 2:21 BWC (art. 2:15 BW).”. Zie hierover ook Van Vught 2022, p. 883-884 en 888 e.v.
Zie Van Vught 2022, p. 881-882.
In artikel 2:355 sub a BW wordt vernietiging van een besluit genoemd als mogelijke eindvoorziening in de enquêteprocedure. Deze bepaling dient los te worden gezien van artikel 2:15 BW. Zo beschikt de Ondernemingskamer over ruimere mogelijkheden om tot vernietiging over te gaan dan de civiele rechter, omdat zij niet gebonden is aan de in artikel 2:15 BW genoemde ontslaggronden, en is de vervaltermijn van artikel 2:15 BW niet van toepassing.1 Indien de Ondernemingskamer bij wijze van eindvoorziening aandeelhoudersbesluiten vernietigt, betreft dit doorgaans dechargebesluiten, ontslagbesluiten of besluiten om de jaarrekening vast te stellen.2 Vernietiging van een besluit als eindvoorziening ligt voor de hand indien het vastgestelde wanbeleid (mede) is gelegen in dat besluit. De hiervoor besproken gronden zijn in dat verband van overeenkomstige toepassing.