Einde inhoudsopgave
Forumkeuze in het Nederlandse IPR (R&P nr. 159) 2008/16.7.3
16.7.3 Wat zijn 'voorlopige of bewarende maatregelen'?
mr. P.H.L.M. Kuypers, datum 29-02-2008
- Datum
29-02-2008
- Auteur
mr. P.H.L.M. Kuypers
- JCDI
JCDI:ADS415644:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rapport Jenard, PbEG p. C 59/42; anders: Vzngr Rb. Middelburg 5 januari 2007, NIPR 2007, 148 die in een kort geding alleen toetst of de gevraagde voorzieningen een maatregel in de zin van artikel 31 EEX-V° zijn.
HvJ EG 26 maart 1992, zaak 261/90, Reichert/Dresdner Bank, Jur. 1992, p. 1-2149, NJ 1996, 315; HvJ EG 28 april 2005, zaak C-104/03, St. Paul Dairy/Unibel, Jur. 2005, p. 1-3481, NJ 2006, 636, r.o. 13.
HvJ EG 17 november 1998, zaak C-391/95, Van Uden/Deco-Line, Jur. 1998, p. 1-7091, NJ 1999, 339, r.o. 37; HvJ EG 28 april 2005, zaak C-104/03, St. Paul Dairy/Unibel, Jur. 2005, p. 1-3481, NJ 2006, 636, r.o. 18; HR 6 februari 2004, NJ 2005, 403 (Frans Maas/Petermann), r.o. 3.4.1.
HvJ EG 27 maart 1979, zaak 143/78, De Cavel I, Jur. 1979, p. 1055, NJ 1979, 610, r.o. 8. en HvJ EG 26 maart 1992, zaak C-261/90, Reichert/Dresdner Bank, Jur. 1992, p. 1-2149, NJ 1996, 315, r.o. 32 (Reichert II).
Het kort geding laat ik hier rusten, omdat de volgende paragraaf daaraan is gewijd.
Hof Amsterdam 7 mei 1992, NIPR 1992, 416; anders: Vlas, Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, suppl. 304 (juli 2006), p. A-a-586-590. Sinds HvJ EG 28 april 2005, zaak C-104/03, St. Paul Dairy/Unibel, Jur. 2005, p. 1-3481 is het voorlopig deskundigenbericht waarschijnlijk niet (steeds) als een voorlopige maatregel te beschouwen, hoewel het Hof van Justitie zich nog niet over het voorlopig deskundigenbericht heeft uitgesproken. Zie hierna over het voorlopig getuigenverhoor.
Rb. 's-Gravenhage 23 december 1997, BIE 1999/15.
Freudenthal, JBPr 2005, 47, p. 375.
Freudenthal, JBPr 2005, 47, p. 375; Verheul, Rechtsmacht, Deel I, p. 138; Strikwerda, Inleiding NIPR, p. 276.
Hof Arnhem 30 mei 1989, NIPR 1990, 325; Rb. Amsterdam 14 juli 1989, NJ 1991, 551, NIPR 1991, 464; Rb. 's-Hertogenbosch 10 juni 1992, NIPR 1992, 446; Rb. Rotterdam 29 september 1993, NIPR 1993, 485, NJ 1994, 763. HR 24 maart 1995, NJ 1998, 414 heeft vragen gesteld aan het Hof van Justitie maar deze procedure is geroyeerd (PbEG 20 juli 1996, p. C 210/11; Strikwerda, Inleiding NIPR, p. 276; Bosnak, Adv. Bl. 1993, p. 129; anders: Vlas, Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, suppl. 304 (juli 2006), p. A-a-586-590.
HvJ EG 28 april 2005, zaak C-104/03, St. Paul Dairy/Unibel, Jur. 2005, p. 1-3481, NJ 2006, 636, r.o. 15 e.v.; Hof 's-Hertogenbosch 21 september 2006, NIPR 2006, 308.
HvJ EG 28 april 2005, zaak C-104/03, St. Paul Dairy/Unibel, Jur. 2005, p. 1-3481, NJ 2006, 636, r.o. 16.
Freudenthal, JBPr 2005, 47, p. 377; Hof 's-Hertogenbosch 21 september 2006, NIPR 2006, 308 die de enkele kans daartoe niet voldoende acht; anders: Van het Kaar, NIPR 2006, p. 386.
Vgl. Pres. Rb. Dordrecht 3 oktober 1991, KG 1991, 402 over een zodanige vordering; voor de Belgische rechter zie ook HvB Brussel 10 april 1979 en 28 november 1979, J.T. 1980, p. 511; Pertegás Sender, EEX-Verordening in de praktijk, p. 204.
Freudenthal, JBPr 2005, 47, p. 375; Strikwerda, Inleiding NIPR, p. 276; Verheul, Rechtsmacht, Deel I, p. 134.
Freudenthal, JBPr 2005, 47, p. 375; Strikwerda, o.c. vorige noot; Verheul, o.c. vorige noot.
Freudenthal, JBPr 2005, 47, p. 375.
HR 6 februari 2004, NI 2005, 403 (Frans Maas/Petermann), r.o. 3.4.3.
Freudenthal, JBPr 2005, 47, p. 375.
Pertegás Sender/Strowel, TBH 2004, p. 761 (`beslag inzake namaak'); Vlas, noot HR 2 maart 2001, NJ 2003, 240, sub 4.
Vlas, Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, suppl. 304 (juli 2006), p. A-a-586-590; Freudenthal, HiPr 2005, 47, p. 374.
Kropholler, EZPR, p. 290.
Rb. Amsterdam, 13 mei 1975, NJ 1976, 323; Pres. Rb. Arnhem, 14 maart 1983, NJ 1983, 750; Rb. Amsterdam 19 december 1984, NIPR 1985, 464 (vordering tot vanwaardeverklaring); Rb. Alkmaar 6 december 1984, NIPR 1985, 285 (vordering tot vanwaardeverklaring); Rb. Arnhem 12 december 1985, NIPR 1986, 328 (vordering tot vanwaardeverklaring); Rb. Arnhem 13 maart 1986, NIPR 1986,485 (vordering tot vanwaardeverklaring waarbij Rechtbank uitdrukkelijk verwijst naar art. 767 Rv); Hof 's-Gravenhage 29 september 1988, NIPR 1989, 288 (vordering tot vanwaardeverklaring met uitdrukkelijke verwijzing naar art. 24 EEX).
Hof 's-Gravenhage 23 mei 1996, NIPR 1997, 373.
HR 6 februari 2004, NJ 2005, 403 (Frans Maas/Petermann), r.o. 3.4.2.
Gaudemet-Tallon, Compétence en EunDpe, p. 249-250 die wijst op andersluidende Franse jurisprudentie; anders: Gothot/Holleaux, La Convention, p. 115.
Huet, Clunet 1993, p. 156 anders:Gothot/Holleaux, La Convention, p. 115; Gaudemet-Tallon, Les Convention, p. 196; Gaudemet-Tallon, Compétence en Europe, p. 250.
Uit de voorwaarde dat de maatregelen moeten zijn voorzien in de nationale wetgeving, zou kunnen worden afgeleid dat de aard van de maatregelen moet worden beoordeeld naar nationaal recht.1 Het Hof van Justitie oordeelde in het arrest Reichert ll2 echter anders. Het begrip 'voorlopige of bewarende maatregelen' moet autonoom worden uitgelegd. Het zijn maatregelen - aldus het Hof van Justitie - die bedoeld zijn een feitelijke of juridische situatie te handhaven teneinde de rechten veilig te stellen waarvan erkenning is verzocht aan de bodemrechter.3 De maatregelen zijn niet tot een bepaalde 'soort' beperkt, maar 'dienen tot bewaring van rechten van zeer onderscheiden aard' 4 De toepassing van art. 31 EEX-V°/24 Verdrag is door deze rechtspraak niet gemakkelijk: de 'voorlopige of bewarende maatregelen' moeten zijn voorzien in de nationale wetgeving en zij dienen voorlopig of bewarend te zijn in de zin van art. 31 EEX-V°/24 Verdrag.
Het begrip 'voorlopige of bewarende maatregelen' omvat een scala aan middelen. Zonder ze inhoudelijk te bespreken, zal ik de belangrijkste daarvan in deze paragraaf noemen. Zij kunnen immers (in beginsel) worden gevraagd aan een gerecht wiens bevoegdheid is gederogeerd ten gevolge van een forumkeuze.
Voorlopige maatregelen
Ondanks de autonome interpretatie van het begrip 'voorlopige of bewarende maatregelen' kan aansluiting worden gezocht bij de nationale wetgevingen. Voor Nederland kan beoordeling plaats vinden aan de hand van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Voorlopige maatregelen zijn:5
Voorlopig deskundigenbericht;6
Voorlopige voorzieningen door de Ondernemingskamer van het Gerechtshof te Amsterdam;
Provisionele eis (art. 223 Rv);7
onderbewindstelling ;8
Voorlopige voorzieningen in het kader van een echtscheidingsprocedure, voorzover EEX-V°Nerdrag (materieel) van toepassing is.9
Het voorlopige getuigenverhoor werd aanvankelijk als een voorlopige of bewarende maatregel beschouwd.10 Het Hof van Justitie heeft deze opvatting echter niet tot de zijne gemaakt.11 Het Hof van Justitie heeft daartoe met name overwogen dat het voorlopige getuigenverhoor in de zaak St Paul Diary/Unibel ertoe strekte om in te schatten of een procedure ten gronde opportuun is, de rechtsgrondslag voor de vordering te bepalen en de relevantie te beoordelen van de middelen die daarvoor kunnen worden aangevoerd.12 Hierdoor laat het Hof van Justitie mijns inziens open dat een voorlopig getuigenverhoor met een ander doel (bijv. dreigend verlies van bewijs) wel onder art. 31 EEX-V°/24 Verdrag valt.13 Bovendien blijkt uit de feiten die ten grondslag lagen aan het arrest dat het ging om een voorlopig getuigenverhoor voor het begin van een procedure ten gronde. Op grond van het arrest mag niet worden geconcludeerd dat een voorlopig getuigenverhoor om andere redenen of tijdens de procedure ten gronde evenmin onder art. 31 EEX-V°/24 Verdrag valt. Art. 186 Rv maakt in het eerste en tweede lid ook onderscheid tussen een voorlopig getuigenverhoor vóór en tijdens de procedure ten gronde. De hierboven genoemde doeleinden van een voorlopig getuigenverhoor voorafgaand aan de procedure ten gronde zijn niet van toepassing, indien de bodemprocedure reeds aanhangig is, terwijl ook andere redenen kunnen bestaan een voorlopig getuigenverhoor te vragen. Voor het voorlopige deskundigenbericht moet mijns inziens hetzelfde worden aangenomen, omdat de redenering van het Hof van Justitie mutatis mutandis ook op het voorlopige deskundigenbericht kan worden toegepast. Het voorlopige deskundigenbericht kent bovendien een vergelijkbare regeling als het voorlopige getuigenverhoor (vgl. art. 202 en 203 Rv).
Het Belgische Gerechtelijk Wetboek kent deze maatregelen eveneens en kent daarnaast de mogelijkheid van benoeming van een gerechtsdeskundige door de voorzitter van de rechtbank om vaststellingen te doen.14
Bewarende maatregelen
Als bewarende maatregelen kunnen worden genoemd:
Conservatoir beslag ;15
Sequestratie;16
Verzegeling en inventarisatie;17
Zekerheidsstelling;18
Onderbewindstelling.19
Het Belgische recht kent zowel sequestratie als het conservatoire beslag. Het Belgische recht biedt tevens de mogelijkheid tot een bewijsbeslag om bewijs te behouden in het kader van een octrooien op grond van art. 1481 GW.20 Naar Belgisch recht dient vanwaardeverklaring van een beslag te worden gevorderd. Deze vordering en de vordering tot opheffing van een beslag zijn eveneens een bewarende maatregel in de zin van art. 31 EEX-V°/24 Verdrag.21 Het nationale recht is doorslaggevend voor de geldigheid en einde van de voorlopige of bewarende maatregelen en de rechter van dezelfde staat is bevoegd hierover te oordelen.22 De aangewezen rechter komt hierover geen oordeel toe. Gedacht kan worden aan de vanwaardeverklaringsprocedure naar aanleiding van een beslag: de aangewezen rechter is hiervoor niet bevoegd. Tot de bevoegdheid van het forum prorogatum behoort wel het oordeel over de kosten ten gevolge van voorlopige maatregelen, indien deze in de bodemprocedure kunnen worden gevorderd. Ondanks de forumkeuze kunnen deze vorderingen aanhangig worden gemaakt bij de rechter die bevoegd is op grond van art. 31 EEX-V°/24 Verdrag en dus — in een Nederlandse situatie — het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.23 Bij opheffing van beslag is krachtens art. 16 sub 5 Verdrag echter uitsluitend de rechter van de plaats van tenuitvoerlegging bevoegd. Bij conservatoir beslag is dat de rechter die het verlof tot beslaglegging heeft verleend.24 Met betrekking tot het einde van voorlopige of bewarende maatregelen wordt de bevoegdheid voor het kort geding tot opheffing van een beslag dus niet geregeld door art. 31 EEX-V°/24 Verdrag maar art. 22 sub 5 EEX-V°/16 sub 5 Verdrag.25
Tot slot nog twee algemene opmerkingen. De reële band bestaan tussen het voorwerp van voorlopige of bewarende maatregel en de rechter is geen voorwaarde voor de status van een voorlopige of bewarende maatregel onder art. 31 EEX-V°/24 Verdrag. De reële band en het bestaan ervan staan hiervan geheel los. Het vereiste van een reële band speelt slechts in het kader van de beantwoording van de vraag of de rechter op grond van art. 31 EEX-V°/24 Verdrag (internationaal) bevoegd is om een voorlopige of bewarende maatregel te nemen.26 Ten tweede is spoedeisendheid geen voorwaarde krachtens art. 31 EEX-V°/24 Verdrag.27 Alle voorlopige of bewarende maatregelen kunnen worden getroffen op grond van art. 31 EEX-V°/24 Verdrag, mits voorzien in de wetgeving van een EG respectievelijk verdragsluitende staat.28 Art. 31 EEX-V°/24 Verdrag noch de toelichtende rapporten stellen deze voorwaarde.