De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.3.4:3.3.4 Deskundigen op de pleitzitting
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.3.4
3.3.4 Deskundigen op de pleitzitting
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702036:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 1920, 329.
Kamerstukken II 1918/19, 387, 4, p. 14. Dit werd overigens mede geplaatst tegen de achtergrond van een inmiddels vleugellamme rechter-commissaris. Zie § 3.3.5.
Ik kies bewust voor de aanduiding die destijds gebruikelijk was. Thans zouden wij spreken van de nota naar aanleiding van het verslag.
Handelingen II 1919/20, 51, p. 1480.
Handelingen II 1919/20, 51, p. 1481-1482. Daarnaast zou zulks de reeds bestaande praktijk zijn. Dat blijkt uit de woorden van rechter destijds mr. Van Gelein Vitringa.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast het alsmaar ontwikkelende materiële schadeloosstellingsrecht en de daarmee samenhangende opkomst van vaste commissies van deskundigen, voorgezeten door een jurist, lag ook de wetswijzing van 1920 ten grondslag aan de toenemende professionalisering van deskundigen. 1Bij die wetswijziging werden de deskundigen voortaan opgeroepen om bij de pleitzitting aanwezig te zijn. Dat een dergelijke bepaling in de onteigeningswet werd opgenomen, was in eerste instantie niet het idee van de regering. Het door de regering ingediende ontwerp-Wijzigingswet zweeg over deze kwestie.2 De aanzet tot de wetswijziging werd gegeven door de Tweede Kamer:
“Voorts is de tegenwoordigheid der deskundigen ter terechtzitting om mondeling hun rapport toe te lichten en de vragen van de rechtbank en van partijen te beantwoorden gewenscht, ten einde de rechtbank beter in staat te stellen de berekening der schadeloosstelling na te gaan dan thans, nu alleen een schriftelijk rapport wordt overgelegd, het geval is. De Commissie zou het zeer op prijs stellen van de Regeering te mogen vernemen, of zij meent dat een dergelijke regeling inderdaad tot verbetering der procedure zou kunnen bijdragen.”3
De reactie van de regering zal de Tweede Kamer ongetwijfeld hebben behaagd. De regering stelde in haar Memorie van Antwoord 4 zich te kunnen vinden in de voorgestelde wijzigingen. 5Bij de parlementaire behandeling valt in het bijzonder de reactie van Visser van IJzendoorn op. Hij merkte op dat de deskundigen een wel zeer prominente positie in de procedure zouden krijgen indien zij tot tweemaal toe mondeling betrokken worden. De regering was immers niet alleen voornemens de deskundigen voor de pleitzitting op te roepen, maar hen, in een eerder stadium, ook te laten horen ten overstaan van de rechter-commissaris. Naar zijn mening was een verhoor van deskundigen ten overstaan van de rechter-commissaris én bodemrechter dubbelop. Bovendien vond hij dat het alleen zinvol is om deskundigen op te roepen voor de terechtzitting indien er bezwaren jegens hun rapport zijn ingediend. Hij stelde dan ook voor de voorgestelde bepaling te vervangen door:
“Wanneer bezwaren, als bedoeld in art. 36 zijn ingediend, zijn de deskundigen, daartoe door den griffier opgeroepen, ter terechtzitting tegenwoordig om, indien de rechtbank dit noodig oordeelt, op bezwaren tegen hun advies ingebracht te worden gehoord en dat advies toe te lichten.”6
De wetgever van gedachten veranderen, lukte Visser evenwel niet. De reden daarvoor wordt treffend verwoord door het kamerlid Van Beresteyn:
“Waarom hebben wij in de redactie gezet, dat de rechter-commissaris nog de deskundigen zou hooren? Opdat wanneer de zaak ter terechtzitting kwam, zij volkomen zou zijn voorbereid, en de rechter-commissaris niet met de deskundigen over verschillende punten in debat zou moeten treden (…) Daarom is het beter, dat de rechter-commissaris eerst met de deskundigen spreekt.”7
Visser werd wel tegemoetgekomen in die zin dat het verhoor ten overstaan van de rechter-commissaris afhankelijk werd gesteld van de ingekomen bezwaren. De uiteindelijke wetswijziging kende dus twee opeenvolgende wetsartikelen (artt. 36 en 37) waarin deskundigen werden opgeroepen. Het huidige onteigeningsysteem kent theoretisch nog steeds de hierboven beschreven gang van zaken. In de praktijk is dat systeem echter al sinds jaar en dag verlaten (uitgebreid § 2.2.5). Deskundigen worden daarentegen nog steeds opgeroepen om bij de terechtzitting aanwezig te zijn.