Sfeerovergangen in de winstsfeer
Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/9.3.4:9.3.4 Gesignaleerde knelpunten
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/9.3.4
9.3.4 Gesignaleerde knelpunten
Documentgegevens:
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630604:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij het opstellen van de fiscale openingsbalans wordt dus uitgegaan van waardering tegen waarde in het economische verkeer, tenzij één van de onder 9.3.2 genoemde uitzonderingen van toepassing is. Uit mijn onderzoek blijkt dat de waardering tegen waarde in het economische verkeer een aantal belangrijke tekortkomingen heeft die ik hieronder bespreek:
De waarde in het economische verkeer is moeilijk vast te stellen en heeft een subjectief karakter.
De waardering op de fiscale openingsbalans krijgt absolute betekenis, doordat sprake is van een tijdstipbenadering.
Voor de toerekening van voordelen wordt aangesloten bij het tijdstip waarop de ondernemingsbeslissing wordt genomen.
Er kan een verstoring van de concurrentieverhoudingen plaatsvinden.
Ad 1 De waarde in het economische verkeer is moeilijk vast te stellen en subjectief
In de eerste plaats blijkt uit zowel de praktijk als de fiscale en economische literatuur dat het moeilijk is de ‘waarde in het economische verkeer’ te bepalen. Zeker voor incourante vermogensbestanddelen of in situaties van slecht functionerende markten (zoals tijdens de corona- of kredietcrisis). Waarderingen moeten worden gezien als een indicatie van de waarde en als startpunt voor onderhandelingen. De uiteindelijke waarde van een activum wordt immers niet bepaald door de waardering, maar door de prijs die men bereid is om voor een bepaald object te betalen. Deze prijs kan pas bij uiteindelijke verkoop worden bepaald. Ook dan is pas duidelijk wat de echte draagkrachtvermeerdering is.
Een veel gebruikte methode om de waarde in het economische verkeer vast te stellen is de dcf-methode. Bij de dcf-methode worden de verwachte kasstromen contant gemaakt. Deze methode is gebaseerd op schattingen, zowel van de toekomstige kasstromen als van de disconteringsvoet en dat maakt de methode subjectief. Bij andere methoden, zoals het gebruik van marktgegevens, is de vergelijkbaarheid van het te waarderen object met de objecten die verhandeld zijn vaak een probleem. Om een juiste vergelijking te kunnen maken is het noodzakelijk dat er verscheidene vergelijkbare transacties zijn, waarbij correcties worden aangebracht om de objecten vergelijkbaar te maken met het te waarderen object. Zeker bij specifieke vermogensbestanddelen zal het moeilijk zijn om goede vergelijkbare objecten te identificeren. Waarderingsdeskundigen werken daarom nooit met 'een waarde', maar met een waarderange. In de literatuur wordt daarom betoogd dat de waarde in het economische verkeer weliswaar objectief gedefinieerd kan worden, maar dat elke feitelijke waardevaststelling per definitie een subjectieve aangelegenheid is. Ik acht het onwenselijk dat deze subjectiviteit een grote invloed op de totaalwinst en daarmee de belastingafdracht heeft.
Ad 2 De waardering op de fiscale openingsbalans krijgt absolute betekenis, doordat sprake is van een tijdstipbenadering
Als voor de jaarwinstbepaling activa en passiva gewaardeerd worden op de waarde in het economische verkeer en later blijkt dat er een waardedaling heeft plaatsgevonden, dan kan dit in een later jaar worden gecorrigeerd door middel van een afwaardering. Bij een sfeerovergang is echter één moment bepalend. Datzelfde probleem doet zich ook voor in het aanmerkelijkbelangregime, de overdrachtsbelasting en in de Successiewet waar de waarde in het economische verkeer een beslissende rol speelt om het belaste inkomen c.q. de verkrijging te bepalen. In dat geval is er echter wel sprake van een overdracht en een draagkrachtvermeerdering bij de verkrijger. Bij een sfeerovergang is dit niet het geval. Er is dan geen sprake van een daadwerkelijke overdracht. Het gaat om de winstbepaling bij één lichaam, zodat nog terughoudender moet worden omgegaan met het fingeren van een fictieve overdracht. Bij de waardering op de fiscale openingsbalans krijgt de waarde op een bepaald moment absolute betekenis, terwijl de toename van de draagkracht in euro's nog niet vaststaat. Een voorbeeld is de waardering van een schuld met een (zakelijk) overeengekomen rentevergoeding. Als de marktrente op het moment van de sfeerovergang is gewijzigd, dan vindt er een herwaardering van de schuld plaats waardoor de effectieve rentekosten die in aftrek kunnen wordt gebracht afwijken van de contractueel verschuldigde (zakelijke) rentekosten. Het is de vraag of zoveel betekenis moet worden toegekend aan een waardering die zo onzeker is en een momentopname vormt. Door uit te gaan van een fictieve overdracht, wordt geen recht gedaan aan het draagkrachtbeginsel. In de jurisprudentie lijkt de Hoge Raad extra voorzichtig als de heffing afhankelijk is van de toestand op een bepaald moment. Een voorbeeld is de invloed van feiten en omstandigheden die bekend zijn geworden na balansdatum, maar die een licht werpen op de toestand vóór balansdatum. Deze moeten worden meegenomen bij de jaarwinstbepaling. Ook in het ‘Chinese pot- arrest’ (dat ik heb behandeld in paragraaf 3.4.4) heeft de Hoge Raad feiten en omstandigheden die zich na het heffingsmoment hebben voorgedaan (de gerealiseerde verkoopprijs) meegenomen. Bij het Chinese pot-arrest ging het om een feit (de gerealiseerde verkoopopbrengst) dat zich pas voordeed na het relevante fiscale heffingstijdstip, maar volgens Hof en Hoge Raad wierp de verkoopopbrengst wel licht op de waarde op het heffingstijdstip. De door de Hoge Raad gekozen lijn bij tijdstipbepalingen kan ik begrijpen. Het gaat om het vaststellen van de draagkrachtvermeerdering en de daaruit voortvloeiende belastingschuld. De waarde in het economische verkeer is daarbij een hulpmiddel om de draagkrachtstijging vast te stellen indien realisatie nog niet heeft plaatsgevonden. Deze lijn zou ook moeten worden gevolgd als het gaat om de vaststelling van de totaalwinst. Ik heb daarom in hoofdstuk 3 geconcludeerd dat ook bij de waardering op de openingsbalans rekening moet worden gehouden met de feiten en omstandigheden die een licht werpen op de toestand op het moment van de sfeerovergang. Dat geldt niet voor feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de toestand na balansdatum. Als blijkt dat een vermogensbestanddeel voor een verkeerde waarde is opgenomen op de fiscale openingsbalans, dient een correctie op de openingsbalans te worden gemaakt. Deze correctie kan geschieden met inachtneming van de foutenleerregels. Desalniettemin dient wel elk jaar zijn eigen ‘voordelen en nadelen’ te dragen. Gebeurtenissen die na balansdatum zijn opgetreden en niets zeggen over de toestand op balansdatum, dienen derhalve niet meegenomen te worden bij de openingsbalanswaardering.
Ad 3 Doorslaggevende betekenis aan het tijdstip waarop de ondernemingsbeslissing wordt genomen
Bij de fiscale openingsbalans wordt doorslaggevende betekenis toegekend aan het tijdstip waarop ondernemingsbeslissingen worden genomen of contractuele verplichtingen worden aangegaan. Aan het gebruik van vermogensbestanddelen of de uitvoering van overeenkomsten komt voor de winstbepaling minder betekenis toe. Als bijvoorbeeld enkele dagen voor de aanvang van de belastingplicht een contract wordt gesloten en de uitvoering van de werkzaamheden plaatsvindt in de belaste periode, dan dient dit contract te worden geactiveerd op de fiscale openingsbalans voor de waarde in het economische verkeer. De winst op dit contract wordt dan toegerekend aan de onbelaste periode, omdat het contract toen werd gesloten. In de belaste periode komt alleen de oprenting tot uitdrukking (en eventuele additionele kosten). Er blijft derhalve een deel van de draagkrachtaanwas ten onrechte buiten de heffing omdat voordelen die voortkomen uit de bedrijfsuitoefening in de periode waarin geen vrijstelling geldt (ofwel de belaste periode) niet in de belastingheffing worden betrokken. Mijns inziens leidt dit principe daarom tot een zeer arbitraire verdeling van de winst die niet in overeenstemming is met belangrijke principes, zoals het matchingsbeginsel en het realiteitsbeginsel.
Ad 4 Verstoring van de concurrentieverhoudingen
Een ander nadeel van waardering op de waarde in het economische verkeer is dat een verstoring van de concurrentieverhoudingen optreedt indien bij de herwaardering fiscaal niet is afgerekend en de belastingplichtige een voor- of nadeel heeft als gevolg van de afwijkende afschrijvingen. In artikel 33 Wet Vpb 1969 is daarom voor bepaalde lichamen een herwaarderingsverbod opgenomen voor immateriële activa. Het herwaarderingsverbod geldt echter alleen voor immateriële activa en goodwill. Door de herwaardering van de andere activa naar de waarde in het economische verkeer hebben ondernemingen waarbij sprake is van een sfeerovergang in vergelijking met ondernemingen die hun activa niet onbelast hebben kunnen herwaarderen een groter afschrijvingspotentieel en daardoor een lagere belastingdruk. Door de afschrijvingsbeperking voor gebouwen tot 100% van de WOZ-waarde per 1 januari 2019 is dit effect overigens beperkter geworden in de vennootschapsbelasting. Voor alle overige vermogensbestanddelen geldt dit effect nog wel in volle omvang. De verstoring van de concurrentieverhoudingen wordt daardoor in stand gehouden, terwijl introductie van belastingplicht nu juist bedoeld is om een level-playing-field te bereiken. Een oplossing voor dit probleem is herwaardering voor alle activa achterwege te laten. Ik kom daar later op terug.