Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/4.2.3.4.b
4.2.3.4.b Het wetsvoorstel
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649862:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Voorstel van wet tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met aanpassing van de structuurregeling (Kamerstukken II 2001/02, 28179, nrs. 1-2). Zie over deze eerste versie van het wetsvoorstel Josephus Jitta 2002, p. 74-82.
Zie bijvoorbeeld: Honée 2013, p. 33, Klaassen 2007, p. 29.
Kamerstukken II, 2001/02, 28 179, nr. 3, p. 12 en p. 7.
Overkleeft 2017a, p. 326.
Kamerstukken II, 2001/02, 28179, nr. 3 (MvT), p. 10. Zie ook p. 39-40 van de MvT en Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr. 5 (Nota n.a.v. het verslag), p. 49.
Zo ook Overkleeft 2017a, p. 325-326 en De Jongh 2014, p. 437.
A-G Timmerman in punt 4.18 van zijn conclusie voor HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142 m.nt. Leijten (Boskalis/Fugro).
Evenzo: Overkleeft 2009, p. 719.
Zie bijvoorbeeld HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7972, NJ 2007, 434 m.nt. Maeijer (ABN AMRO) waarin aandeelhouder TCI uitdrukkelijk aan het bestuur van ABN AMRO verzocht de aandeelhoudersvergadering over de aangedragen agendapunten te laten stemmen (waarover verder par. 6.2.2.4). Zie ook Overkleeft 2017a, p. 367.
Stb. 2004, 405.
Uiteindelijk wordt op 8 januari 2002 het Wetsvoorstel aanpassing structuurregeling bij de Tweede Kamer ingediend.1 Het voornaamste doel van het wetsvoorstel is de herziening van de structuurregeling ten gunste van de positie van kapitaalverschaffers. Daarnaast bevat het een aantal bepalingen die ertoe strekken om ook bij niet-structuurvennootschappen de positie van kapitaalverschaffers te versterken. Een van die bepalingen is art. 2:114a/224a BW, waarin het agenderingsrecht is geregeld. Omdat het voorstel tot invoering van het agenderingsrecht geschiedt bij de wetswijziging die primair beoogt de structuurregeling aan te passen, wordt wel van ‘smokkelwaar’ bij die wet gesproken.2
Het kabinet merkt in de MvT bij het wetsvoorstel op dat het agenderingsrecht vooral de kapitaalverschaffers van de (beursgenoteerde) NV raakt omdat in die vennootschappen een sterk verspreid aandelenkapitaal kan zijn ontstaan. Daarom wordt vooral in deze vennootschappen de behoefte gevoeld aan een verbetering van de relatie tussen de kapitaalverschaffers en de vennootschapsleiding.3 Hoewel bij BV’s in de regel geen verspreid aandelenkapitaal bestaat (waardoor controle door de kapitaalverschaffers eenvoudiger is), ziet het kabinet geen reden om aan kapitaalverschaffers van BV’s het agenderingsrecht te onthouden.4
Uit de MvT bij het wetsvoorstel blijkt dat het voorgestelde agenderingsrecht er voornamelijk toe strekt om de rol van de algemene vergadering als podium voor informatieuitwisseling tussen aan de ene kant het bestuur en de rvc, en aan de andere kant de kapitaalverschaffers te verbeteren.5 Met het oog hierop ben ik het eens met Overkleeft dat het wettelijke agenderingsrecht primair bedoeld is om aandeelhouders de mogelijkheid te geven om in de algemene vergadering over zelf aangedragen onderwerpen met het bestuur en de rvc te discussiëren.6 Dit komt de dialoog, en daarmee de door het bestuur en de rvc af te leggen verantwoording, ten goede. Het kabinet dicht aan het voorgestelde art. 2:114a/2:224a BW evenwel ook een faciliterende functie toe, zo volgt uit het volgende citaat uit de MvT:
“De rechten van de algemene vergadering ten aanzien van de benoeming en het ontslag van de leden van de raad van commissarissen noodzaken tot het opnemen van een agenderingsrecht in dit voorstel. Daarom wordt voor dit onderwerp geen afzonderlijk wetsvoorstel ingediend.”7
Het kabinet maakt hier expliciet duidelijk dat het agenderingsrecht tevens bedoeld is om het voor kapitaalverschaffers mogelijk te maken de algemene vergadering in de gelegenheid te stellen de nieuwe rechten in het kader van de aangepaste structuurregeling uit te oefenen. Het gaat om het recht om bij besluit het bindend karakter aan een voordracht tot benoeming van een commissaris te ontnemen (art. 2:158 lid 9 BW/2:268 lid 9 BW) en het recht om het vertrouwen in de rvc op te zeggen (2:161a lid 1 BW/ 2:271a lid 1 BW). Op dit punt roep ik in herinnering dat in de periode dat het wetsvoorstel werd ingediend sprake was van een rechtspolitieke oriëntatie op de versterking van aandeelhoudersrechten (par. 4.2.3.2) en dat ook de SER vond dat de positie van de factor kapitaal opnieuw moest worden gewaardeerd (par. 4.2.3.3). Tegen deze achtergrond ligt het voor de hand dat het niet de bedoeling van de wetgever was om de faciliterende functie van het voorgestelde agenderingsrecht te beperken tot de in het wetsvoorstel opgenomen nieuwe rechten van de algemene vergadering. Het is aannemelijk dat de idee was dat kapitaalverschaffers die aan de gestelde voorwaarden voldoen in beginsel ook in staat gesteld zouden moeten worden om bijvoorbeeld een besluit tot statutenwijziging of tot het ontslag van een bestuurder te (doen) agenderen. Zie respectievelijk art. 2:121 BW/231 BW en art. 2:134 BW/244 BW.
Concreet betekent dit dat de wetgever met het agenderingsrecht twee doelen nastreeft. Enerzijds is het een instrument waarmee aandeelhouders de eigen wettelijke bevoegdheden van de algemene vergadering kunnen faciliteren. Anderzijds is het agenderingsrecht bedoeld om de algemene vergadering in staat te stellen om over door aandeelhouders aangedragen onderwerpen te discussiëren (opdat het bestuur en de rvc beter verantwoording kunnen afleggen).8 Dit sluit aan bij het tweeledige karakter van de algemene vergadering. Het is een besluitvormingsorgaan alsmede een forum voor het afleggen van verantwoording.9 Een verschuiving van zeggenschapsrechten – formeel dan wel de facto – is mijns inziens bij invoering van het agenderingsrecht niet beoogd. De wetsgeschiedenis bevat daarvoor in elk geval geen aanwijzingen.10 Dat in de praktijk aandeelhouders het agenderingsrecht aanstonds hebben aangegrepen om de door hun gewenste besluitvorming over bestuursaangelegenheden af te dwingen, doet aan de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever niet af.11
Art. 2:114a BW en art. 2:224a BW zijn op 1 oktober 2004 in werking getreden.12 De wetteksten luidden als volgt. Art. 2:114a BW:
“1. Een onderwerp, waarvan de behandeling schriftelijk is verzocht door een of meer houders van aandelen die daartoe krachtens het volgende lid gerechtigd zijn, wordt opgenomen in de oproeping of op dezelfde wijze aangekondigd indien de vennootschap het verzoek niet later dan op de zestigste dag voor die van de vergadering heeft ontvangen en mits geen zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet.
2. Om behandeling kan worden verzocht door een of meer houders van aandelen die alleen of gezamenlijk ten minste een honderdste gedeelte van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen of, indien de aandelen zijn toegelaten tot de officiële notering van een effectenbeurs in de zin van artikel 1, onderdeel e, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, die onder toezicht staat van de overheid of van een door de overheid erkende autoriteit of instelling, volgens de prijscourant van die effectenbeurs ten minste een waarde vertegenwoordigen van € 50 miljoen. Bij algemene maatregel van bestuur kan dit bedrag worden verhoogd of verlaagd in verband met de ontwikkeling van het loon- en prijspeil.
3. In de statuten kan het vereiste gedeelte van het kapitaal of de waarde van de aandelen lager worden gesteld en de termijn voor indiening van het verzoek worden verkort.
4. Voor de toepassing van dit artikel worden met de houders van aandelen gelijkgesteld de houders van de certificaten van aandelen die met medewerking van de vennootschap zijn uitgegeven.”
En art. 2:224a BW:
“1. Een onderwerp, waarvan de behandeling schriftelijk is verzocht door een of meer houders van aandelen die alleen of gezamenlijk ten minste een honderdste gedeelte van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen, wordt opgenomen in de oproeping of op dezelfde wijze aangekondigd indien de vennootschap het verzoek niet later dan op de dertigste dag voor die van de vergadering heeft ontvangen en mits geen zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet. In de statuten kan het vereiste gedeelte van het kapitaal lager worden gesteld en de termijn voor indiening van het verzoek worden verkort.
2. Voor de toepassing van dit artikel worden met de houders van aandelen gelijkgesteld de houders van de certificaten van aandelen die met medewerking van de vennootschap zijn uitgegeven.”