Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/6.3.2:6.3.2 Restitutieverplichting van de directe ontvanger
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/6.3.2
6.3.2 Restitutieverplichting van de directe ontvanger
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS409076:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als een curator er met behulp van § 548 BC in slaagt een overdracht te vernietigen, kan hij op grond van § 550 BC ten behoeve van de boedel hetgeen is overgedragen van de ontvanger terugvorderen, of de waarde daarvan. Daarvoor is in beginsel niet vereist dat de ontvanger op de hoogte was van het oneigenlijke karakter van de overdracht. De regeling biedt wél enige bescherming aan de ontvanger te goeder trouw van een overdracht om baat (for value). § 848 (c) BC bepaalt:
“Except to the extent that a transfer or obligation voidable under this section is voidable under section 544, 545, or 547 of this title, a transferee or obligee of such a transfer or obligation that takes for value and in good faith has a lien on or may retain any interest transferred or may enforce any obligation incurred, as the case may be, to the extent that such transferee or obligee gave value to the debtor in exchange for such transfer or obligation.”
Ingevolge § 548(c) BC mag de ontvanger te goeder trouw hetgeen hij heeft ontvangen (any interest transferred) houden indien en voor zover hij een tegenprestatie voor de overdracht heeft geleverd. Als dit niet mogelijk is, krijgt hij een pandrecht op hetgeen hij heeft ontvangen ten belope van de omvang van zijn tegenprestatie.
Van goede trouw in de zin van § 548(c) BC is sprake als de overdracht “carries the earmarks of an arms-length bargain”.1 De ontvanger zal moeten aantonen dat hij oprecht geloofde dat de overdracht geldig was, dat hij geen oogmerk had om zich ten koste van anderen te bevoordelen en dat hij geen wetenschap had dat de transactie nadeel voor anderen zou meebrengen. Indien vaststaat dat de ontvanger op de hoogte was van de insolventie van de vennootschap, kan hij zich in beginsel niet beroepen op zijn goede trouw.2 Als een ontvanger om baat niet te goeder trouw was en dus geen beroep kan doen op § 548 (c) BC, moet hij nadat de curator de overdracht heeft vernietigd, aan de boedel teruggeven wat hij heeft ontvangen en zijn vordering in faillissement indienen. De kans dat hij iets van zijn concurrente vordering terug zal zien, is in dat geval gering.
Als aandeelhouders vermogen aan een vennootschap onttrekken, bijvoorbeeld door een uitkering van dividend, is doorgaans geen sprake van een tegenprestatie van de aandeelhouder aan de vennootschap.3 Daarom is het niet van belang of de ontvangende aandeelhouders te goeder of kwader trouw waren ten tijde van de onttrekking als de curator de overdracht vernietigt met behulp van § 548 BC.