Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.10.2
9.3.10.2 De niet overdraagbare 403-vordering en het niet overdraagbare wilsrecht
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648914:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie echter Hof Amsterdam (OK) 11 juli 2013, JOR 2013/250 en HR 20 maart 2015, JOR 2015/140; NJ 2015/361. Opmerkelijk genoeg leidde het verlies van de vordering op de dochtervennootschap (wegens onteigening) tevens tot het verlies van de 403-vordering. Die redenatie heeft m.i. een verbintenisrechtelijke achtergrond: de schuldeisers die voorheen een vorderingsrecht op de dochtervennootschap hadden, vielen na het verlies van die vordering niet meer onder de reikwijdte van de 403-verklaring omdat zij geen schuldeisers van de dochtervennootschap meer waren en de 403-verklaring zich dus niet meer tot hen richtte. Zie echter HR 3 april 2015, JOR 2015/191; NJ 2015/255, waarin de Hoge Raad het bestaan van onafhankelijke vorderingsrechten weer erkent en duidelijk laat blijken dat de schuldeiser niet meer over het vorderingsrecht op de dochtervennootschap hoeft te beschikken om de 403-vordering uit te kunnen oefenen.
Wibier heeft betoogd dat de 403-vordering naar zijn aard niet overdraagbaar is. Wanneer wordt aangenomen dat een 403-vordering niet overdraagbaar is, kan worden voorkomen dat de 403-vordering en de hoofdvordering afzonderlijk van elkaar worden overgedragen en zo in verschillende handen terecht kunnen komen. Er kleeft er een nadeel aan deze opvatting. Wanneer de 403-vordering niet overdraagbaar is, behoudt de oorspronkelijke schuldeiser, die de hoofdvordering aan een derde cedeert, de 403-vordering. Dat betekent dat juist de niet-overdraagbaarheid van een 403-vordering het in verschillende hadden geraken van de hoofdvordering en de 403-vordering in de hand werkt. De 403-vordering die achterblijft bij de oorspronkelijke schuldeiser, kan niet ‘zomaar’ tenietgaan.1 Wanneer nog geen 403-vordering is ontstaan, omdat de oorspronkelijke schuldeiser zijn wilsrecht nog niet heeft uitgeoefend, speelt dit probleem niet. De vraag is dan alleen of de oorspronkelijke schuldeiser het wilsrecht om de consoliderende rechtspersoon aan te spreken kwijtraakt. De tekst van een standaard-403-verklaring lijkt eraan in de weg te staan dat een voormalig schuldeiser nog een wilsrecht toekomt om de consoliderende rechtspersoon aan te spreken. De mogelijkheid om de consoliderende rechtspersoon aan te spreken, staat alleen open voor schuldeisers en niet voor voormalig schuldeisers.