CBb, 12-05-2026, nr. 23/1050
ECLI:NL:CBB:2026:206
- Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Datum
12-05-2026
- Zaaknummer
23/1050
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:CBB:2026:206, Uitspraak, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 12‑05‑2026; (Hoger beroep)
- Wetingang
Uitspraak 12‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Hoger beroep tegen uitspraak van de accountantskamer ongegrond. Klager heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in 2018 een melding van misstanden heeft gedaan bij betrokkene, zodat hem niet kan worden verweten dat hij geen actie heeft ondernomen conform de Klokkenluidersregeling. Nadat hij in 2020 wel bekend is geworden met de melding, heeft hij daar onderzoek naar laten doen. Van het negeren van meldingen of meewerken aan repercussies jegens klager is geen sprake. Klager heeft telkens benadrukt geen klokkenluider te willen zijn, zodat betrokkene (als bestuurder) niet kan worden verweten dat hij klager niet heeft gewezen op de Klokkenluidersregeling dan wel dat hij de procedure uit deze regeling niet in gang heeft gezet.
Partij(en)
uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
zaaknummer: 23/1050
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 mei 2026 op het hoger beroep van
[naam 1] , te [woonplaats 1]
(gemachtigde: mr. M.A.M. Lem)
tegen de uitspraak van de accountantskamer van 10 maart 2023 waarbij is beslist op een klacht, ingediend door [naam 1] tegen
[naam 2] , te [woonplaats 2]
(gemachtigde: mr. drs. J.F. Garvelink)
Procesverloop in hoger beroep
[naam 1] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de accountantskamer van 10 maart 2023, met nummer 22/642 Wtra AK (www.tuchtrecht.nl, ECLI:NL:TACAKN:2023:20).
[naam 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting over het hogerberoepschrift gegeven.
[naam 1] en [naam 2] hebben nadere stukken ingezonden.
De zitting was op 11 februari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 1] , bijgestaan door zijn gemachtigde en mr. H. Bais, en [naam 2] , bijgestaan door zijn gemachtigde. Het hoger beroep van [naam 1] tegen de uitspraak van de accountantskamer over zijn klacht tegen [naam 3] RA (23/1051) is gelijktijdig behandeld. In die zaak doet het College vandaag ook uitspraak.
Grondslag van het geschil
1.1
Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de inhoud van de uitspraak van de accountantskamer. Het College volstaat met het volgende.
1.2
[naam 2] stond tot 1 juli 2021 ingeschreven in het accountantsregister van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA). Van 1 juli 2016 tot 1 juli 2021 was hij CEO van [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] .
1.3
[naam 1] was van 1 april 2014 tot 1 april 2019 (via een besloten vennootschap) partner van [bedrijfsnaam 1 onderdeel b] . Zijn leidinggevende was [naam 4] . Per 1 april 2019 is [naam 1] partner geworden van [bedrijfsnaam 1 onderdeel c] . Per diezelfde datum is hij ook gaan werken voor de afdeling EMEIA (Europe, Middle East, India and Africa).
1.4
In september 2018 vond een bijeenkomst plaats waarbij een voorstel voor volledig automatische factuurverwerking werd gepresenteerd. Onder meer [naam 1] en [naam 4] waren daarbij aanwezig. [naam 2] was niet aanwezig.
1.5
[naam 4] heeft per brief van 23 oktober 2018 een formele waarschuwing aan [naam 1] gestuurd in verband met zijn functioneren (waarschuwingsbrief).
1.6
Bij brief van 25 oktober 2018, ondertekend door [naam 2] als [functienaam] , is aan [naam 1] zijn vergoeding voor het fiscale jaar 2018 (gebroken boekjaar 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2018) bekendgemaakt. Op zijn vergoeding is in verband met zijn Quality Risk Management-score (QRM-score) een percentage in mindering gebracht. Tegen de vaststelling van deze vergoeding heeft [naam 1] (intern) bezwaar en later ook (intern) beroep aangetekend.
1.7
In de interne beroepsprocedure heeft [naam 1] [naam 4] beschuldigd van schending van het mededingingsrecht en intimidatie. Eén en ander zou hebben plaatsgevonden tijdens en na de hiervoor genoemde bijeenkomst in september 2018. Naar aanleiding hiervan heeft op 31 maart 2020 een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 5] , general counsel van [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] , [naam 1] en [naam 2] . Op 7 april 2020 hebben [naam 1] en [naam 2] elkaar opnieuw gesproken, ditmaal zonder [naam 5] . [naam 1] heeft van beide gesprekken in het geheim een opname gemaakt en daarvan transcripties overgelegd.
1.8
[advocatenkantoor] is in opdracht van [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] in mei 2020 gestart met een onderzoek naar de mogelijke wijziging van de QRM-score van [naam 1] door [naam 4] , mogelijk ongepast gedrag van [naam 4] jegens [naam 1] en een mogelijke schending van het mededingingsrecht door [naam 4] . Dit onderzoek heeft niet geleid tot een gegrondbevinding van één van deze drie punten.
1.9
[bedrijfsnaam 1 onderdeel c] heeft met een brief van 24 december 2020 de partnershipovereenkomst met de besloten vennootschap van [naam 1] opgezegd. De overeenkomst is per 1 juli 2021 geëindigd.
Uitspraak van de accountantskamer
2.1
De klacht houdt in dat [naam 2] de voor hem geldende gedrags- en beroepsregels niet heeft nageleefd. In de uitspraak van de accountantskamer is de klacht als volgt weergegeven, waarbij voor betrokkene [naam 2] moet worden gelezen en voor klager [naam 1] :“a. Betrokkene heeft naar aanleiding van de in september 2018 door klager bij betrokkene gedane melding van misstanden ten onrechte geen actie ondernomen en hij heeft niet gehandeld conform de Klokkenluidersregeling en artikel 27 van de Verordening accountantsorganisaties (hierna: VAO).
b. Betrokkene heeft ten onrechte uitvoering gegeven aan de brief van [naam 4] van 23 oktober 2018 door op 25 oktober 2018 de brief inzake de korting op het salaris van klager te ondertekenen en zonder klager eerst te horen.
c. Betrokkene heeft klager naar aanleiding van de door hem in maart 2020 opnieuw gedane melding van (dezelfde) misstanden niet gewezen op zijn rechten volgens de Klokkenluidersregeling en hij heeft zijn melding ten onrechte als een ernstig verstoorde verhouding tussen klager en [naam 4] gekwalificeerd.
d. Betrokkene heeft geen toereikende maatregelen genomen om te voorkomen dat ten opzichte van klager repercussies zouden volgen naar aanleiding van de door hem gedane meldingen van de misstanden.
e. Betrokkene heeft, toen hij besloten had om de door klager gedane meldingen wel te laten onderzoeken, de Klokkenluidersregeling niet gevolgd, maar hij heeft de huisadvocaat van [bedrijfsnaam 1] , die niet onafhankelijk was, onderzoek laten verrichten.”
2.2
Bij de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de klacht ongegrond verklaard. Samengevat heeft de accountantskamer als volgt geoordeeld. [naam 2] kan niet met succes worden verweten dat de melding door [naam 1] niet conform de Klokkenluidersregeling van [bedrijfsnaam 1] is behandeld. [naam 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij [naam 2] al in 2018 over de beweerdelijke misstanden heeft geïnformeerd. [naam 2] kan ook niet worden verweten dat hij [naam 1] niet heeft gewezen op de Klokkenluidersregeling van [bedrijfsnaam 1] . Daarnaast heeft [naam 2] met de brief van 25 oktober 2018 geen uitvoering gegeven aan de waarschuwingsbrief.
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
3 [naam 1] heeft negen Romeins genummerde hogerberoepsgronden (door hem grieven genoemd) aangevoerd. Hij verwijst in een hogerberoepsgrond vaak terug naar andere hogerberoepsgronden. Daarom zal het College de samenhangende hogerberoepsgronden gezamenlijk per onderwerp (zie de cursief gedrukte kopjes hierna) beoordelen en daarbij de door [naam 1] gebruikte nummering zo veel mogelijk vermijden. Het College zal eerst de meer algemene hogerberoepsgronden bespreken die door [naam 1] zijn aangevoerd en daarna de hogerberoepsgronden die specifiek over de klachtonderdelen gaan.
Formulering van de klacht en weergave van de feiten
4.1
[naam 1] voert als eerste aan dat de accountantskamer de klachtonderdelen ten onrechte heeft geherformuleerd, waardoor deze niet volledig, niet in de juiste context en ook niet in de juiste samenhang zijn beoordeeld. De accountantskamer heeft een beslissing genomen die niet de volledige klacht betreft zoals door [naam 1] ingediend. Verder stelt [naam 1] dat wat de accountantskamer in 3.2, 3.5 en 3.12 van haar uitspraak heeft opgenomen, ten onrechte als feiten zijn gekwalificeerd. Reeds hierom kan de uitspraak van de accountantskamer niet in stand blijven. [naam 1] verzoekt het College de zaak terug te verwijzen naar de accountantskamer om de zaak opnieuw te behandelen.
4.2
Het College stelt voorop – onder verwijzing naar onder meer zijn uitspraak van 6 september 2012 (ECLI:NL:CBB:2012:BX8338) – dat het de accountantskamer vrij staat om een klacht zakelijk samen te vatten en waar mogelijk te groeperen. Daarnaast is de accountantskamer niet gehouden alle haar gebleken feiten in de uitspraak op te nemen, maar mag zij zich beperken tot de volgens haar relevante feiten. Het College ziet in dit geval geen aanleiding voor het oordeel dat de accountantskamer bij haar beoordeling is uitgegaan van een onjuiste of te beperkte interpretatie van de klacht van [naam 1] , noch voor het oordeel dat de accountantskamer de feiten onjuist heeft weergegeven. Dat de accountantskamer niet alle argumenten van [naam 1] ter onderbouwing van zijn klacht heeft vermeld, betekent niet dat de klacht onjuist is weergegeven. Ten aanzien van de weergave van de feiten stelt het College vast dat [naam 1] weliswaar heeft betoogd dat een aantal van de feiten onjuist zouden zijn weergegeven, maar dat hij heeft nagelaten uiteen te zetten op welke wijze dit de uiteindelijke beslissing heeft beïnvloed. Deze hogerberoepsgronden slagen niet.
Omvang van het geding
5.1
In 5.2 en 5.3 van de bestreden uitspraak heeft de accountantskamer de omvang van het geding afgebakend. In 5.2 staat dat de accountantskamer niet zal onderzoeken of de gestelde intimidatie en de overtreding van het mededingingsrecht daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, of [naam 4] de waarschuwingsbrief mocht ondertekenen en ook niet of de beide kortingen op de vergoedingen van [naam 1] en de opzegging van de partnershipovereenkomst terecht waren. In 5.3 staat dat voor zover de bezwaren die [naam 1] ter zitting heeft geformuleerd een uitbreiding van de klacht zijn, de accountantskamer deze buiten beschouwing zal laten.
5.2
[naam 1] voert aan dat de accountantskamer in 5.2 ten onrechte de suggestie wekt dat zijn klachten gericht zijn op de al dan niet terecht toegepaste kortingen op zijn salaris. Uit zijn klacht valt echter overduidelijk af te leiden dat het hem erom gaat dat [naam 2] ten onrechte zonder meer medewerking heeft verleend aan het nemen van repercussies ten aanzien van hem, terwijl dat volgens de Klokkenluidersregeling van [bedrijfsnaam 1] niet is toegestaan. Verder voert [naam 1] aan dat de accountantskamer in 5.3 ten onrechte niet nader heeft geduid in hoeverre zijn tijdens de zitting geuite bezwaren een uitbreiding van de klacht zouden zijn.
5.3
Dat de accountantskamer het geding heeft afgebakend door in 5.2 te benoemen wat zij niet zal onderzoeken, betekent naar het oordeel van het College niet dat zij de klacht van [naam 1] niet goed begrepen of beoordeeld heeft. In de uitspraak is namelijk uitgebreid ingegaan op het betoog van [naam 1] dat [naam 2] ten onrechte zijn medewerking zou hebben verleend aan repercussies en dat hij de Klokkenluidersregeling van [bedrijfsnaam 1] niet gevolgd zou hebben. Het College stelt vast dat de accountantskamer in 5.3 inderdaad niet expliciet heeft overwogen welke bezwaren zij buiten beschouwing heeft gelaten omdat die een niet toegestane uitbreiding van de klacht zijn. In zijn toelichting op hogerberoepsgrond II heeft [naam 1] in zeven punten opgesomd waaruit zijn klacht bestaat. Het College is van oordeel dat de accountantskamer al deze onderdelen heeft beoordeeld en ziet dus geen reden om aan te nemen dat de accountantskamer de klacht niet in volle omvang heeft beoordeeld. Deze hogerberoepsgrond slaagt daarom niet.
Partijdigheid accountantskamer
6.1
[naam 1] heeft in zijn hogerberoepschrift meermaals aangevoerd dat de beslissing van de accountantskamer bij hem de schijn van partijdigheid en/of vooringenomenheid heeft gewekt.
6.2
Het College stelt vast dat [naam 1] dit standpunt niet nader met daarvoor relevante feiten en omstandigheden heeft geconcretiseerd of onderbouwd. Dat [naam 1] het niet eens is met de manier waarop de accountantskamer zijn klachten heeft samengevat, de feiten heeft weergegeven en vervolgens haar oordeel heeft geformuleerd, maakt nog niet dat de accountantskamer partijdig of vooringenomen is geweest. Het College oordeelt dat daarvan in de uitspraak op geen enkele wijze is gebleken.
Klachtonderdeel a: [naam 2] heeft naar aanleiding van de in september 2018 door [naam 1] bij [naam 2] gedane melding van misstanden ten onrechte geen actie ondernomen en hij heeft niet gehandeld conform de Klokkenluidersregeling en artikel 27 van de VAO.
7.1
De accountantskamer heeft klachtonderdeel a ongegrond verklaard, omdat [naam 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2018 bij [naam 2] melding van misstanden heeft gedaan. Als [naam 2] in 2018 niet bekend was met de melding, kan hem uiteraard niet met succes worden verweten dat hij er niets mee heeft gedaan.
7.2
[naam 1] stelt dat hij wel degelijk aannemelijk heeft gemaakt dat hij al in 2018 een melding bij [naam 2] heeft gedaan. [naam 2] heeft immers bij brief van 25 oktober 2018 meegewerkt aan repercussies ten aanzien van [naam 1] . Daarnaast verwijst [naam 1] naar een e-mailbericht dat hij op 7 oktober 2018 naar [naam 6] heeft gestuurd. [naam 6] was destijds de leidinggevende van [naam 4] en een collega van [naam 7] , in de matrixorganisatie de leidinggevende van [naam 2] . Uit dit bericht blijkt dat [naam 1] begin oktober 2018 telefonisch met [naam 6] heeft gesproken over de meldingen van misstanden die hij bij [naam 2] had gedaan. Zeer aannemelijk is dan dat [naam 6] meteen na ontvangst van dit bericht [naam 2] en [naam 4] op de hoogte heeft gesteld. [naam 2] heeft immers actie ondernomen door de brief van 25 oktober 2018 te ondertekenen. Bovendien is in de waarschuwingsbrief een duidelijke relatie gelegd tussen de ‘formal warning’ en de presentatie in september 2018, zodat voor [naam 2] duidelijk had kunnen zijn dat de ‘formal warning’ te maken had met de meldingen over de misstanden door [naam 1] .
7.3
Het College is van oordeel dat de accountantskamer klachtonderdeel a terecht ongegrond heeft verklaard. [naam 2] heeft betwist dat [naam 1] in 2018 bij hem een melding heeft gedaan en [naam 1] heeft geen bewijs geleverd waaruit het tegendeel blijkt. Uit het in hoger beroep overgelegde e-mailbericht van 7 oktober 2018 blijkt ook niet dat [naam 1] in 2018 een melding heeft gedaan bij [naam 2] . In dit e-mailbericht beschrijft [naam 1] aan [naam 6] wat er is voorgevallen tijdens de presentatie in september 2018 en vraagt hij advies over hoe hier mee om te gaan. Hieruit blijkt echter niet dat hij hiervan ook melding heeft gedaan bij [naam 2] . Dat het volgens [naam 1] zeer aannemelijk is dat [naam 6] deze informatie met [naam 2] (en [naam 4] ) heeft gedeeld, kan niet worden afgeleid uit genoemde e-mail en heeft hij ook niet met bewijs onderbouwd. Uit het enkele feit dat [naam 2] de brief van 25 oktober 2018 over de korting op de vergoeding van [naam 1] heeft ondertekend, kan naar het oordeel van het College ook niet worden afgeleid dat bij [naam 2] een melding is gedaan.
Klachtonderdeel b: [naam 2] heeft ten onrechte uitvoering gegeven aan de brief van [naam 4] van 23 oktober 2018 door op 25 oktober 2018 de brief inzake de korting op het salaris van [naam 1] te ondertekenen en zonder [naam 1] eerst te horen.
8.1
De accountantskamer heeft klachtonderdeel b ongegrond verklaard, omdat [naam 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam 2] op 25 oktober 2018 bekend was met de (inhoud van de) waarschuwingsbrief. [naam 2] heeft dit betwist en [naam 1] heeft geen bewijs ter onderbouwing hiervan geleverd. Het verwijt dat [naam 2] uitvoering heeft gegeven aan de inhoud van de waarschuwingsbrief mist daarom feitelijke grondslag. Daarnaast heeft de accountantskamer geoordeeld dat ook het verwijt dat [naam 2] [naam 1] eerst had moeten horen voordat hij de brief van 25 oktober 2018 ondertekende ongegrond is. [naam 1] heeft niet aangevoerd op grond van welke regeling of afspraak hij gehoord had moeten worden.
8.2
[naam 1] voert aan dat als [naam 2] niet op de hoogte zou zijn geweest van de waarschuwingsbrief, het onbegrijpelijk is dat hij wel zou hebben geweten dat de salariskorting is toegepast vanwege een onvoldoende QRM-score. Opnieuw verwijst [naam 1] naar zijn e-mail van 7 oktober 2018 en stelt hij dat het niet anders kan dan dat de inhoud daarvan door [naam 6] of [naam 7] onmiddellijk met [naam 2] is gedeeld. Daarmee is er wel degelijk feitelijke grondslag gegeven voor de stelling dat [naam 2] met de brief van 25 oktober 2018 uitvoering heeft gegeven aan de inhoud van de waarschuwingsbrief. Verder blijkt uit een memo van [naam 8] (in 2018 director Risk Advisory) van 2 februari 2020 dat zij in oktober 2018 een meeting met [naam 2] heeft gehad over de QRM-beoordelingen binnen [bedrijfsnaam 1] . In november 2018 was er een vervolgmeeting met [naam 2] , [naam 8] en [naam 4] . Het is zeer onwaarschijnlijk dat [naam 2] tijdens die meetings niet gesproken zou hebben over de inhoud van de waarschuwingsbrief. [naam 1] verwijst verder naar enkele e-mails uit november en december 2018 en een print van een Whatsapp-conversatie op 21 en 22 januari 2019 waaruit blijkt dat [naam 2] wel op de hoogte was van de meldingen. Onder deze omstandigheden had [naam 2] [naam 1] over de korting moeten horen op grond van artikel 2 van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) en de Klokkenluidersregeling van [bedrijfsnaam 1] . Ten slotte stelt [naam 1] dat het een bestuurder, tevens registeraccountant, op grond van de VGBA niet is toegestaan om akkoord te geven op een salariskorting zonder daarvan de achtergrond of merites te kennen. Hij verwijst daarbij naar een uitspraak van het College van 28 maart 2013 (ECLI:NL:CBB:2013:BZ8246).
8.3
Het College is van oordeel dat de accountantskamer klachtonderdeel b terecht ongegrond heeft verklaard. [naam 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat [naam 2] op 25 oktober 2018 bekend was met de (inhoud van de) waarschuwingsbrief. Dat [naam 6] of [naam 7] de e-mail van 7 oktober 2018 meteen met [naam 2] gedeeld zouden hebben, is een veronderstelling van [naam 1] die hij niet heeft onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de stelling dat het onwaarschijnlijk is dat in de meetings met [naam 8] niet gesproken zou zijn over de inhoud van de waarschuwingsbrief. Uit de memo van [naam 8] van2 februari 2020 blijkt ook niet dat [naam 2] op 25 oktober 2018 bekend was met de (inhoud) van de waarschuwingsbrief. In de overgelegde mailwisseling uit november en december 2018 wordt alleen gesproken over het ‘appeal’ van [naam 1] tegen de salariskorting, maar niet over de waarschuwingsbrief. Ook uit de print van het Whatsapp-gesprek blijkt niet dat [naam 2] van die brief op de hoogte was. Het College ziet, net als de accountantskamer, niet in waarom [naam 2] [naam 1] had moeten horen voordat hij de brief van25 oktober 2018 ondertekende. Uit de uitspraak van het College waar [naam 1] naar verwijst, volgt dat ook het optreden van een accountant in of bij de uitoefening van werkzaamheden als bestuurslid van een accountantsorganisatie aan te merken is als beroepsmatig handelen. Dat betekent echter nog niet dat [naam 2] de brief in zijn rol als bestuurder niet had mogen ondertekenen zonder [naam 1] te horen of op een andere manier onderzoek te doen naar de achtergrond van die brief. Hierbij is van belang dat [naam 2] bij de ondertekening van die brief geen specifieke vaktechnische werkzaamheden heeft verricht en de toetsingsruimte voor de tuchtrechter in een dergelijk geval beperkt is (zie de uitspraak van het College van 11 september 2018, ECLI:NL:CBB:2018:492). Het ging hier om een (jaarlijkse) brief aan een groot aantal partners die door [naam 2] als [functienaam] werd ondertekend. De accountantskamer heeft er daarnaast terecht op gewezen dat door [bedrijfsnaam 1 onderdeel a] is voorzien in de mogelijkheid van intern bezwaar en beroep tegen een besluit inzake de vergoeding.
Klachtonderdeel c: [naam 2] heeft [naam 1] naar aanleiding van de door hem in maart 2020 opnieuw gedane melding van (dezelfde) mistanden niet gewezen op zijn rechten volgens de Klokkenluidersregeling en heeft zijn melding ten onrechte als een ernstig verstoorde verhouding tussen [naam 1] en [naam 4] gekwalificeerd.
Klachtonderdeel e: [naam 2] heeft, toen hij besloten had om de door [naam 1] gedane meldingen wel te laten onderzoeken, de Klokkenluidersregeling niet gevolgd, maar hij heeft de huisadvocaat van [bedrijfsnaam 1] , die niet onafhankelijk was, onderzoek laten verrichten.
9.1
De accountantskamer heeft klachtonderdelen c en e samen beoordeeld en beide onderdelen ongegrond verklaard. Vast staat dat [naam 2] in maart 2020 bekend is geraakt met de bewering van [naam 1] over intimidatie en schending van het mededingingsrecht door [naam 4] . Daarover hebben twee gesprekken plaatsgevonden tussen [naam 2] en [naam 1] . Het eerste gesprek was met [naam 5] erbij. Op basis van de transcripties van deze gesprekken heeft de accountantskamer geconcludeerd dat [naam 2] niet met succes kan worden verweten dat hij [naam 1] niet op de Klokkenluidersregeling van [bedrijfsnaam 1] heeft gewezen en die regeling niet heeft gevolgd door de beweerdelijke misstanden door het advocatenkantoor VDA te laten onderzoeken. Daartoe heeft de accountantskamer overwogen dat aannemelijk is dat [naam 1] bekend was met de Klokkenluidersregeling van [bedrijfsnaam 1] en er zelf voor heeft gekozen deze niet te volgen, maar de misstanden tijdens de interne beroepsprocedure te melden. Tijdens de beide gesprekken heeft hij bovendien in totaal zes keer gezegd geen klokkenluider te willen zijn. Hij wilde dat zijn QRM-score zou worden herzien en wilde het dossier wat de kwestie [naam 4] betreft sluiten. Hij wilde dan ook geen onderzoek naar aanleiding van zijn melding. Uit de gesprekken blijkt niet dat [naam 2] druk op hem heeft uitgeoefend. [naam 1] was van mening dat een en ander binnen de kring van partners diende te blijven. Ten slotte heeft [naam 2] de melding niet in de doofpot gestopt, maar onderzoek laten doen door VDA, omdat hij dat noodzakelijk vond.
9.2
[naam 1] stelt dat de accountantskamer, zonder dit aan [naam 1] en [naam 2] voor te houden, een geheel eigen interpretatie aan de transcripties van de gesprekken van 31 maart 2020 en 7 april 2020 heeft gegeven. [naam 1] moet op grond van de Klokkenluidersregeling van [bedrijfsnaam 1] worden aangemerkt als Melder (lees: Klokkenluider), omdat hij een melding van vermeende misstanden als bedoeld in die regeling heeft gedaan. Daar doet de eventuele wens van [naam 1] en/of [naam 2] en/of anderen niet aan af. Dat [naam 2] onderzoek heeft laten doen door de huisadvocaat en de meldingen dus niet in de doofpot heeft gestopt, maakt niet dat hem geen verwijt treft. In de Klokkenluidersregeling van [bedrijfsnaam 1] is een protocol beschreven dat niet door [naam 2] is opgevolgd. Deze redenering van de accountantskamer ontbeert dan ook iedere logica. [naam 2] was op grond van artikel 5 van de VGBA als accountant verplicht maatregelen te nemen als de Klokkenluidersregeling van [bedrijfsnaam 1] niet wordt opgevolgd.
9.3
Het College stelt voorop dat de procedure zoals beschreven in artikel 2 van de Klokkenluidersregeling van [bedrijfsnaam 1] start met een melding bij de afdeling Juridische Zaken of bij [bedrijfsnaam 1] / [bedrijfsonderdeel] . De accountantskamer heeft terecht benadrukt dat ervan uitgegaan mag worden dat [naam 1] op de hoogte was van de Klokkenluidersregeling van [bedrijfsnaam 1] , gelet op het feit dat hij senior partner was. Van hem mocht daarom verwacht worden dat hij een melding als bedoeld in artikel 2 van die regeling zou doen. Hij heeft daar niet voor gekozen en heeft, zoals de accountantskamer eveneens terecht heeft benadrukt, bovendien in de twee gesprekken met [naam 2] telkens gezegd dat hij geen klokkenluider wilde zijn. [naam 1] wilde geen onderzoek naar aanleiding van zijn melding. Pas in 2021 heeft [naam 1] een melding als bedoeld in de Klokkenluidersregeling van [bedrijfsnaam 1] gedaan. Eerdere mededelingen aan onder andere [naam 2] over de vermeende misstanden, waren geen meldingen in de zin van de Klokkenluidersregeling van [bedrijfsnaam 1] . Onder deze omstandigheden kan [naam 2] , als bestuurder, niet verweten worden dat hij [naam 1] niet heeft gewezen op de Klokkenluidersregeling van [bedrijfsnaam 1] dan wel dat hij de procedure uit deze regeling niet in gang heeft gezet. De accountantskamer heeft deze klachtonderdelen terecht ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel d: [naam 2] heeft geen toereikende maatregelen genomen om te voorkomen dat ten opzichte van [naam 1] repercussies zouden volgen naar aanleiding van de door hem gedane meldingen van de misstanden.
10.1
De accountantskamer heeft klachtonderdeel d ongegrond verklaard. Volgens [naam 1] heeft zijn melding geleid tot door [naam 4] bedachte repercussies waaraan [naam 2] uitvoering heeft gegeven, maar dit verwijt heeft hij volgens de accountantskamer niet toegelicht. Indien [naam 1] de door [naam 2] ondertekende brief van 25 oktober 2018 bedoelt, is het verwijt ongegrond zoals bij de behandeling van klachtonderdeel b al is geoordeeld. Verder heeft [naam 1] zijn stelling dat [naam 2] zijn melding eerst heeft genegeerd, niet onderbouwd. Toen [naam 2] voor het eerst begin 2020 met de melding bekend raakte, hebben gesprekken met [naam 1] plaatsgevonden. Van negeren is geen sprake geweest. Ten aanzien van de stelling dat [naam 2] de melding zelf heeft gekwalificeerd en ten onrechte de Klokkenluidersregeling van [bedrijfsnaam 1] niet heeft toegepast, verwijst de accountantskamer naar haar eerdere overwegingen.
10.2
[naam 1] stelt dat op grond van artikel 4 van de Klokkenluidersregeling van [bedrijfsnaam 1] geldt dat een melder te goeder trouw op geen enkele wijze in diens rechtspositie dan wel carrière mag worden benadeeld als gevolg van het doen van meldingen vermeende misstanden. Door uitvoering te geven aan de brief van [naam 4] van 23 oktober 2018 heeft [naam 2] in 2018 de meldingen door [naam 1] genegeerd. Bovendien is nergens uit gebleken dat [naam 2] zich op enig moment heeft ingespannen om de repercussies jegens [naam 1] te proberen te voorkomen dan wel ongedaan te maken.
10.3
Zoals het College hiervoor al heeft geoordeeld, heeft de accountantskamer terecht geoordeeld dat [naam 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in 2018 bij [naam 2] melding van misstanden heeft gedaan. Ook was [naam 2] niet bekend met de waarschuwingsbrief toen hij de brief van 25 oktober 2018 ondertekende. Van het uitvoering geven aan repercussies of het negeren van meldingen kan dan ook geen sprake zijn. De accountantskamer heeft verder terecht overwogen dat toen [naam 2] in 2020 bekend werd met de melding, hij deze niet heeft genegeerd. Het klachtonderdeel is terecht ongegrond verklaard.
Conclusie
11 De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
12 De beslissing op dit hoger beroep berust mede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak accountants.
Beslissing
Het College verklaart het hoger beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.O. Kerkmeester, mr. S.C. Stuldreher enmr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.
w.g. H.O. Kerkmeester w.g. A.A. Dijk