Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/3.1.3
3.1.3 Economische achtergrond
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264468:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Heusler 1886, p. 131 en 201-202; Génestal 1901, p. 5 en 21-22; Van Werveke 1929, p. 74-84; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 346; Planitz 1982, p. 36-39, 43-44, 47, 57-58.
Bartolus, Super secunda digesti veteris, ad D 20 1 11 3; Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 2 2 48; Heusler 1886, p. 130; Landwehr 1967, p. 375-379; Planitz 1982, p. 36-39, 47, 67, 84-116, 134-136; Ganshof 1982, p. 196-197; Bary, Laugs & Wientjes 1984, p. 26; Ligthart 2014, p. 56 en p. 63-65; Flokstra 2015, p. 27 e.v.
Zwalve 2006, p. 53.
De Groot, Inleydinge, nr. 2.42.8; Bort, Alle de wercken, nr. 6.3.1 en 6.3.7; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 2.42.8; De Blécourt 1939, p. 309; Visagie 1974, p. 112-113; Ganshof 1982, p. 204-208.
Over de economische betekenis van het recht van pandgebruik zie Génestal 1901, p. 61-63; Van Werveke 1929, p. 65-67; De Blécourt 1939, p. 365-366; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 349; Godding 1987, p. 373; Ligthart 2014, p. 63-65.
Génestal 1901, p. 61-65; Van Werveke 1929, p. 67-70; De Blécourt 1939, p. 365-366; Heirbaut 2000, p. 194.
Génestal 1901, p. 43-48; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 346; Planitz 1982, p. 36-37, 57-60 en 134.
Génestal 1901, p. 72-75; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 346; Planitz 1982, p. 144-147; Ligthart 2014, p. 64-65. Over de (on)geldigheid van het vervalpand in het ius commune zie Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 2157-2160 (ad C. 8,34(33)); Bartolus, In secundam codicis partem, ad C. 8,34(33); Donellus, De Pignoribus et hypothecis, nr. 11.1-11.5; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani III, p. 1277-1280 (ad C. 8,34(33)). Voor een moderne analyse van het vervalpland in het ius commune zie Verhagen 2009, p. 88-113; Verhagen 2011, p. 109-144.Génestal 1901, p. 37-38 en 46.
De vestiging van een recht van pandgebruik leidde ertoe dat de pandgever de macht over het zekerheidsobject verloor. Dit betekende dat het recht van pandgebruik in het bijzonder interessant was voor schuldenaren die zo vermogend waren dat ze de macht over een vruchtdragend goed konden missen. De gangbaarste objecten voor pandgebruik waren goederen die naar hun aard vruchten voortbrachten. Om deze reden waren vooral onroerende zaken1, leenrechten daarop en heerlijke rechten geliefd.2 Onroerende zaken konden, als het ging om landbouwgrond, natuurlijke vruchten opbrengen. Ging het om grond die geschikt was voor verhuur of verpachting, dan brachten de onroerende zaken burgerlijke vruchten voort in de vorm van huur- of pachtpenningen. In leenrechten lag het dominium utile (de ‘economische eigendom’3) van onroerende zaken besloten.4 Leenrechten op onroerende zaken waren voor pandgebruik net zo geschikt als de onroerende zaken zelf. Heerlijke rechten waren populair, omdat zij de bevoegdheid gaven om een publiekrechtelijk recht met vermogenswaarde uit te oefenen, bijvoorbeeld de bevoegdheid tot het heffen en innen van belasting. Deze publiekrechtelijke bevoegdheden konden door verpanding toekomen aan de pandgebruiker. De uitoefening van deze bevoegdheden bracht een constante inkomensstroom mee. Onroerende zaken, leenrechten en heerlijke rechten berustten hoofdzakelijk bij de adel, de vermogende bovenlaag van de samenleving. De adel was bij uitstek een groep schuldenaren voor wie het recht van pandgebruik interessant was. Hij beschikte over goederen die voor pandgebruik geschikt waren en was vermogend genoeg om het verlies van de macht over deze goederen te dragen.5
Een andere categorie schuldenaren voor wie het recht van pandgebruik interessant was, bestond uit mensen die hun grond voor een langere periode wilden verlaten. In dit verband kan gedacht worden aan ridders die op kruistocht gingen. De ridder kon zijn reis en uitrusting financieren door een geldlening aan te gaan die verzekerd was met een recht van pandgebruik op zijn grond. In zijn afwezigheid had de ridder zelf de grond niet nodig; het recht van pandgebruik gaf hem bovendien de zekerheid dat de pandgebruiker al die tijd de grond beheerde.6 Als het recht van pandgebruik een rentefunctie had, hoefde de ridder zelf geen rente te betalen over het geld dat hij leende. Als het pandgebruik een aflossingsfunctie had, kon het zelfs zijn dat (een deel van) de gesecureerde vordering uit de gebruiksopbrengst was betaald tegen de tijd dat de ridder van zijn tocht terugkeerde.
Voor schuldeisers vormde het recht van pandgebruik met rentefunctie een interessante manier om te investeren in onroerende zaken, leenrechten of heerlijke rechten. De schuldeiser leende geld aan zijn schuldenaar en kreeg in ruil daarvoor het recht op de inkomsten uit het onderpand. Deze inkomsten konden substantieel zijn.7 De vestiging van een recht van rentepandgebruik kon voorts een manier zijn voor vermogende schuldeisers om hun macht in een regio uit te breiden. Als het pandrecht rustte op een grondgebied als een stad of een graafschap, kreeg de pandhouder namelijk de rechten die toekwamen aan de heer over dit gebied. De pandgebruiker kreeg dus in publiekrechtelijke en privaatrechtelijke zin de macht over een bepaald grondgebied. Deze macht kon definitief worden als het pandrecht een vervalpand was.8