Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/321
321 Voorlopig getuigenverhoor niet ten behoeve van de in het verzoekschrift genoemde hoofdzaak
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS458302:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Voldoende belang zal in deze zaken doorgaans aanwezig zijn als de feiten die de verzoeker wil onderzoeken zowel in de ene als in de andere hoofdzaak relevant zijn.
HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK8146, NJ 2010, 172, JBPr 2010, 42, m.nt. H.L.G. Wieten en JIN 2010, 340, m.nt. M.A.J.G. Janssen (Chip(s)hol/Staat).
Hof Amsterdam 2 augustus 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BT6534, Prg. 2011, 271.
Rb. Breda 4 november 2003, ECLI:NL:RBBRE:2003:AO6833, NJF 2004, 116 en JOR 2004, 97, m.nt. M. Brink. Omstandigheden die de rechtbank tot dit oordeel deden komen, waren onder andere (1) dat het voor de hand had gelegen dat verzoeker het resultaat van de procedure bij de Ondernemingskamer (waarin informatie boven tafel zou komen en getuigen zouden worden gehoord) zou afwachten om aan de hand daarvan te bepalen welk aanvullend bewijs nog nodig zou zijn en (2) dat alle onderwerpen zaken betroffen die in de procedure bij de Ondernemingskamer aan de orde waren gekomen.
Zie ook Rb. Amsterdam 16 november 2006, ECLI:NL:RBAMS:2006:AZ2619, JOR 2007, 18, m.nt. A.F.J.A. Leijten waarin de rechtbank aangeeft dat een voorlopig getuigenverhoor niet kan gaan over feiten die relevant zijn in andere tussen partijen bestaande geschillen.
In het voorlopig getuigenverhoor moeten feiten worden verzameld in het kader van een bepaalde hoofdzaak; de twistpunten waarop de in het voorlopig getuigenverhoor te onderzoeken feiten zien, moeten aan de orde komen bij de beoordeling van de vordering in de hoofdzaak waarop het voorlopig getuigenverhoor blijkens het verzoekschrift is gericht en niet in een andere procedure. Als duidelijke aanwijzingen bestaan dat het verhoor in werkelijkheid wordt verzocht in het kader van een andere hoofdzaak dan de in het verzoekschrift genoemde hoofdzaak, dan bestaat strijd met het doel van het voorlopig getuigenverhoor.1 Uit het arrest Chip(s)hol/ Staat volgt naar mijn mening dat de rechter niet te gemakkelijk mag overgaan tot afwijzing van een voorlopig getuigenverhoor als dat mogelijk in het kader van een andere hoofdzaak wordt verzocht.2 Relevant daarvoor is ook waarom de verzoeker het voorlopig getuigenverhoor met het oog op een andere dan de in het verzoekschrift opgevoerde vordering lijkt te wensen. Misschien twijfelt de verzoeker welke vordering hij moet instellen en zijn zijn stellingen over de in te stellen vordering daarom niet consistent. In dat geval bestaat juist wel reden om helderheid over de feiten te verkrijgen en het voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Hetzelfde heeft te gelden als er sprake is van een brei van procedures en niet duidelijk is ten behoeve van welke procedure het voorlopig getuigenverhoor wordt verzocht.3 Hierbij is ook van belang of de procedures tussen dezelfde partijen worden gevoerd en of het feitencomplex in deze procedures (grotendeels) gelijk is. Zo ja, dan dient een voorlopig getuigenverhoor in beginsel te worden toegewezen.
In een zaak waarin de verzoeker in zijn verzoekschrift aangaf een procedure te willen instellen op grond van art. 2:9 en 6:162 BW leidde de rechtbank uit de omstandigheden af dat de verzoeker het getuigenverhoor in werkelijkheid wenste om bewijs te kunnen leveren ten behoeve van een andere, bij de Ondernemingskamer aanhangige procedure.4 Zij oordeelde dat verzoeker oneigenlijk gebruik maakte van zijn bevoegdheid tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor.5