Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/5.2.2
5.2.2 Stroming 1: Legal Realists en de ‘bundle of rights’-opvatting
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS300436:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie de literatuur aangehaald bij Hohfeld 1917, p. 720, 724 e.v.
Hohfeld 1917, p. 721.
Hohfeld 1917, p. 728 e.v.
Hohfeld 1917, p. 745–746.
Hohfeld 1917, p. 747. Hohfeld onderscheidt zulke ‘multital’ juridische posities van de ‘paucital’ juridische posities die slechts jegens één of enkele bepaalde personen gelden; zie randnummer 93.
Hohfeld 1917, p. 733.
In zijn eerdere artikel hekelt Hohfeld het gebruik van de term ‘property’ vanwege het weinig onderscheidende karakter ervan; Hohfeld 1913, p. 21.
Postema 2011, p. 102. Op verschillende plaatsen lijkt Hohfeld het bestaan van bepaalde subjectieve rechten als een gegeven aan te nemen; zie bijvoorbeeld Hohfeld 1913, p. 24.
Newman 2019, p. [1]-[2]; Smith 2012a, p. 1697.
Beide termen worden gebruikt om hetzelfde concept aan te geven. De eerste term is iets populairder dan de tweede; zie Ellickson 2011, p. 215.
Penner 1996, p. 713. Met al deze termen wordt echter hetzelfde bedoeld; Schlag 2015, p. 222.
Penner 1996, p. 724; Schlag 2015, p. 190; Newman 2019, p. [2].
Zie in algemene zin over het Legal Realism Postema 2011, onder meer over de vraag of eigenlijk wel van een ‘beweging’ met een eenduidig programma kan worden gesproken.
Smith 2013, p. 321.
Davidson 2008, p. 1646.
Penner 1996, p. 739; Munzer 2005, p. 149; Claeys 2011, p. 2. Zo kunnen ook verbintenisrechtelijke rechten worden omschreven als bundels met juridische posities; zie O’Gorman 2014; DeLong 2015.
Er werd ook wel zonder de navolgende argumentatie gesteld dat goederenrechtelijke rechten niet verschilden van andere subjectieve rechten, omdat beide niet meer waren dan een ‘bundle of rights’; zie Merrill & Smith 2010, p. 5.
Lee & Smith 2012, p. 153.
Voorbeeld ontleend aan Smith 2012b, p. 2104. Zie in soortgelijke zin Fennell 2012, p. 1980.
Merrill & Smith 2010, p. 5.
Zie de opvattingen aangehaald in Eleftheriadis 2008, p. 138; Singer 2009, p. 1032–1033; Glackin 2014, p. 9–10; Menell 2015, p. 170; Halpin 2019, p. [8].
Naar Grey 1980. Deze ontwikkeling is direct terug te voeren op de Legal Realists; zie Claeys 2011, p. 9; Mossoff 2011, p. 255.
Di Robilant 2013, p. 886; Goldberg & Zipursky 2019, p. [13].
De Amerikaanse grondwet beschermt tegen onteigening van ‘property’, maar niet noodzakelijkerwijs tegen ander overheidsingrijpen dat subjectieve rechten raakt. Zie over onteigening en de rol die de ‘bundle of rights’-opvatting zoals voorgestaan door de Legal Realists daarbij heeft gespeeld Wenar 1997, p. 1924; Merrill 2011, p. 248. Zie over andere gevallen waarin de aanduiding ‘property’ relevant is voor de juridische positie van de gerechtigde Morales 2013, p. 1128.
Merrill & Smith 2011, p. 82; di Robilant 2013, p. 886.
Zie hierover Williams 1998, p. 298; Merrill 2011, p. 248. Het tegenovergestelde is trouwens ook betoogd; omdat élke juridische positie onderdeel uitmaakt van het eigendomsrecht, is elke inbreuk door de overheid een onteigening; Epstein 1985, p. 57–62.
Rotherham 2001, p. 152.
Het Amerikaanse Hooggerechtshof heeft wel geïnsinueerd dat het verwijderen van één of enkele juridische posities uit de bundel géén onteigening betreft, maar het verwijderen van alle juridische posities (of een dwarsdoorsnede daarvan, hoe dun ook) wel; zie Merrill 2012, p. 152–153; di Robilant 2013, p. 888.
150. In randnummer 67 gaf ik aan dat Hohfeld zich als doel had gesteld het juridisch taalgebruik te verhelderen. Hij was ervan overtuigd dat het te pas en te onpas gebruiken van het woord ‘recht’ verwarrend werkt en stelde er daarom zijn acht begrippen voor in de plaats. Een andere term die volgens Hohfeld verwarring in de hand werkt, is het begrip ‘ius in rem’, dat door Amerikaanse juristen in zijn tijd wel werd gezien als het tegenovergestelde van een ‘ius in personam’. Als het tweede een recht jegens een persoon inhoudt, zo redeneerde men, dan moet het eerste wel een recht jegens of ‘op’ een rechtsobject inhouden.1 Hohfeld neemt hier krachtig stelling tegen: omdat het recht als doel heeft het gedrag van mensen te reguleren, moeten de juridische posities zien op het gedrag van mensen jegens elkaar.2 De term ‘in rem’ moet dan ook niet vertaald worden als ‘op een rechtsobject’, maar staat voor het type persoon tegen wie het recht kan worden ingeroepen; deze is ‘onderdeel van een grote groep ongedefinieerde personen’.3 Iemand die bijvoorbeeld een goederenrechtelijk recht heeft, heeft jegens elk lid van deze groep een ‘claim in rem’ om deze ander uit te sluiten (en een ‘liberty in rem’ om van het rechtsobject gebruik te maken, etc.).4 Deze ‘claims’ ontlenen hun ‘in rem’ karakter niet aan het feit dat ze betrekking hebben op een rechtsobject (oftewel onderdeel zijn van een goederenrechtelijk recht), maar aan het feit dat er een grote groep soortgelijke ‘claims’ bestaat jegens alle andere individuele personen in de groep.5 De reden hiervoor is dat er ook rechten ‘in rem’ bestaan die niet zien op rechtsobjecten; Hohfeld geeft als voorbeelden onder meer de intellectuele eigendomsrechten, het recht op persoonlijke integriteit en het recht op bescherming van de eer en goede naam.6 Omdat alle typen subjectieve rechten op dezelfde manier aan de hand van juridische posities kunnen worden weergegeven, is het voor Hohfeld niet nodig om goederenrechtelijke rechten op een aparte manier te definiëren.7 Verder is Hohfeld niet geïnteresseerd in de reden waarom bepaalde juridische posities wel of niet in een subjectief recht aanwezig zijn.8 Zijn analyse is, anders gezegd, puur descriptief.9
151. Hohfeld’s denken in juridische posities impliceert zoals gezegd dat ieder recht, dus ook een goederenrechtelijk recht, bestaat uit een bundel van juridische posities die de rechthebbende inneemt jegens anderen. In de Amerikaanse literatuur wordt dit ook wel een ‘bundle of rights’ (of ‘bundle of sticks’) genoemd.10 Deze termen zijn ietwat misleidend: ‘rights’ en ‘sticks’ suggereren dat er sprake is van voordelige posities (‘claims’, ‘privileges’, ‘powers’ en ‘immunities’). Daarmee wordt voorbijgegaan aan het feit dat een rechthebbende ook gehouden kan zijn jegens anderen (en dus ‘duties’, ‘no-rights’, ‘liabilities’ en ‘disabilities’ heeft) (zie randnummer 89). Vanuit het Hohfeldiaanse begrippenkader meer neutrale en daarmee correctere termen zijn ‘aggregate’ of ‘bundle of relations’.11
152. De term ‘bundle of rights’ wordt tegenwoordig sterk geassocieerd met de ‘Legal Realism’-beweging, die vanaf 1920 sterke invloed heeft uitgeoefend op de Amerikaanse rechtswetenschap.12 Ondanks de invloed die het Legal Realism heeft gehad, is het lastig aan te wijzen waar de beweging inhoudelijk voor stond.13 In algemene zin kan worden gezegd dat de aanhangers zich verenigden in oppositie tégen juridisch formalisme en het afleiden van beslissingen uit juridische regels. In plaats daarvan stonden zij een pragmatische benadering van het recht voor: het recht moest vooral worden gezien als een instrument om maatschappelijke doelen te verwezenlijken (zonder noodzakelijkerwijs te specificeren wat die doelen precies zouden moeten zijn).14 Zij omarmden het model van Hohfeld, omdat het hen in staat stelde af te rekenen met het natuur(rechte)lijke karakter van goederenrechtelijke rechten.15
153. In hun ontkenning van het speciale karakter van goederenrechtelijke rechten gingen de Legal Realists verder dan dat Hohfeld zelf deed. Hohfeld ontkende dat er een verschil bestond tussen de manier waarop goederenrechtelijke rechten en andere subjectieve rechten in termen van juridische posities dienen te worden omschreven.16 De Legal Realists ontkenden daarenboven dat er een verschil bestond tussen de inhoud van goederenrechtelijke rechten en andere subjectieve rechten. Er was, met andere woorden, geen juridische positie die noodzakelijkerwijs aanwezig was in een goederenrechtelijk recht en niet in een ander subjectief recht (of andersom). Het meest verstrekkende argument dat zij daarvoor gebruikten is het best te begrijpen in de vorm van een voorbeeld.17
Stel dat A als eigenaar van een stuk grond een ‘liberty’ heeft jegens B om van zijn grond gebruik te maken hoe hem goeddunkt. Deze ‘liberty’ kan op verschillende manieren worden omschreven: A heeft een ‘liberty’ om een huis te bouwen, een tuin aan te leggen, zijn auto te parkeren, etc. Uit het uitspellen van wat de ‘liberty’ inhoudt volgt dat deze niet inherent kan zijn aan het goederenrechtelijke recht. Dat is te zien als men de ‘liberty’ opdeelt in steeds kleinere onderdelen. Zo kan de ‘liberty’ van A worden opgedeeld in een ‘liberty’ jegens B om een auto te parkeren op de verschillende dagen van de week, ten aanzien van bepaalde gedeelten van zijn grond, voor bepaalde doeleinden, op verschillende manieren, etc. Deze stukjes van de ‘liberty’ kunnen wederom worden opgedeeld in kleinere onderdelen, die oneindig verder op te delen zijn, net zo lang totdat slechts marginale stukjes van een recht overblijven.18 Zo is één stukje van A’s ‘liberty’ de ‘liberty’ om op maandag tussen 14:00 en 14:01 uur een groen-paarse Chevrolet in de achtertuin te parkeren voor een wasbeurt.19
154. Omdat men tot in het oneindige kan doorgaan met het opsplitsen van juridische posities, kunnen de stukjes zo klein worden gemaakt dat ze zonder betekenis zijn. Dat betekent dat ze zonder consequenties uit de bundel kunnen worden verwijderd.20 Omdat dit trucje voor iedere juridische positie kan worden uitgehaald, is géén van de juridische posities een essentieel onderdeel van een goederenrechtelijk recht. Er is dus niets dat een goederenrechtelijk recht anders maakt dan andere rechten.21 Dit staat in de Amerikaanse literatuur bekend als de ‘disintegration of property’.22
155. De implicaties van deze versplintering zijn verstrekkend. Als er geen verschil bestaat tussen goederenrechtelijke rechten en andere subjectieve rechten, dan kunnen ze beleidsmatig op dezelfde manier worden behandeld. Als er geen inherente structuur is waarin de juridische posities die onderdeel zijn van een subjectief recht dienen te worden samengebracht, kunnen subjectieve rechten al naar gelang het maatschappelijke doel dat de overheid nastreeft worden aangepast.23 Dit is in de Amerikaanse literatuur vooral van belang geweest in het kader van de vraag of de overheid gerechtigd is om over te gaan tot onteigening.24 Rechters kunnen desgewenst gebruik maken van een doelredenering om tot een bepaald resultaat te komen, zonder dat de eigen aard van een goederenrechtelijk recht daarbij een rol speelt.25 Meent een rechter bijvoorbeeld dat de overheid een grote vrijheid moet hebben om te onteigenen, dan kan hij dat onderbouwen met het argument dat er niets inherent is aan een goederenrechtelijk recht dat maakt dat het méér bescherming verdient dan andere subjectieve rechten.26 Een rechter zou ook kunnen vinden dat de burger juist beschermd moet worden tegen de macht van de overheid. Omdat een goederenrechtelijk recht bestaat uit een bundel met gebruiksrechten, kan hij dan betogen dat er óók sprake van onteigening kan zijn als de overheid regelgeving oplegt die het gebruik van een goed beperkt (zoals het opleggen van bepaalde bouwvoorschriften).27 Voor beide rechters geldt dat de versplintering van ‘property’ het mogelijk maakt om de eigen agenda door te voeren, omdat het begrip zo inhoudsloos is geworden dat het voor ieder doeleinde kan worden gebruikt.28