Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/232
232 Opdrijvend effect
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS372641:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 28 179, nr. 52, p. 6/7. Giskes (D66) stelt dat het niveau vermoedelijk zal stabiliseren. “Hoe meer mensen weten hoe het zit, hoe beter de verhoudingen blijven. Er valt niets te verbergen, en als dat wel zo is, heeft men een probleem”, aldus Giskes. Daarbij gaat Giskes mijns inziens voorbij aan de vraag of de top van de onderneming van mening is dat zij iets te verbergen heeft en, indien dat niet zo is, of transparantieverplichtingen een bewustwording creëren. Zie Kamerstukken II, 28 179, nr. 52, p. 20.
Verburg 2015 p. 66. Verburg stelt verbaasd te zijn. “Ik ben nooit tegengekomen dat iemand bij het zien van de fraaie fiets van de buurman tot de ontdekking kwam dat het met de eigen fiets daarom wel een tandje lager kon.”
Winter 2010, p. 7 en 8. Ook uit een onderzoek van de OECD blijkt dat er weinig bewijs is voor een opdrijvend effect, zie OECD, ‘Board Practices. Incentives and Governing Risks’, Corporate Governance, OECD Publishing, 2011, p. 39.
Winter 2010, p. 7 en 8.
De verwachte matigende werking op de ontwikkeling van de bezoldigingsniveaus is tot op heden een illusie gebleken. Reeds bij de invoering van de openbaarmakingsverplichtingen in Nederland is hiervoor gewaarschuwd door enkele partijen. Zo werd tijdens het overleg over de invoering van de transparantieverplichtingen erop gewezen dat topman Elverding van DSM en oud-topman Timmer van Philips de mening waren toegedaan dat openheid tegenover aandeelhouders de bezoldiging per saldo eerder zal opjagen dan dat het een drukkend effect zal hebben, zoals toen al zichtbaar was in andere landen.1 De voorspellingen van Elverding en Timmer lijken waarheid te zijn geworden. De regelgeving op het gebied van de openbaarmaking van bezoldiging van bestuurders heeft niet nivellerend gewerkt.2 Door velen worden de openbaarmakingsverplichtingen dan ook als primaire oorzaak gezien voor de steeds toenemende bezoldiging.
Met Winter ben ik van mening dat deze laatste conclusie te overhaast wordt getrokken.3 Ook zonder de openbaarmakingsvoorschriften zou de bezoldiging zijn opgelopen. De reden daarvoor is de wijdverbreide praktijk van het vaststellen van de ex ante bezoldiging van een bestuurder aan de hand van een referentiegroep. Beloningsconsultants beschikken ook zonder transparantieverplichtingen over bezoldigingsinformatie, aan de hand waarvan wordt bepaald of een bestuurder over- of onderbetaald is. Het belonen boven de mediaan als standaardpraktijk is dan ook de primaire drijvende kracht achter de steeds toenemende bezoldiging, niet zozeer de openbaarmaking van deze bezoldiging.4
Vorenstaande laat onverlet dat de openbaarmakingsverplichtingen en in het bijzonder de jaarlijkse beloningsoverzichten in de media, niet geheel zonder effect zijn. De bestuurder wordt in de media jaarlijks geconfronteerd met de rang die hem dat specifieke jaar toekomt. Hierdoor is voor de bestuurder het belang toegenomen dat hij wordt bezoldigd op basis van een referentiegroep en hetzelfde (of meer) ontvangt als (dan) zijn peers. Zowel de perceptie van de bestuurder op wat een rechtvaardige beloning is als zijn status hangen immers af van hetgeen zijn peers ontvangen. Wordt de bestuurder naar zijn mening te laag bezoldigd, dan kan dit ervoor zorgen dat hij zich ondergewaardeerd voelt. Door op of boven de mediaan van de referentiegroep te bezoldigen wordt dit vermeden. De overzichten in de media versterken het gevoel dat de bezoldiging van bestuurders onderling te vergelijken is en zorgen daarmee ironisch genoeg voor een rechtvaardiging van benchmarking.