ECLI:NL:RBDHA:2018:9404
Rb. Den Haag, 26-05-2021, nr. AWB - 19 , 5944
AWB - 19 _ 5944, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
26-05-2021
- Zaaknummer
AWB - 19 _ 5944
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 26‑05‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBDHA:2021:5495, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 14‑05‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2022:948, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Vindplaatsen
NLF 2021/2130
NTFR 2021/4291 met annotatie van drs. M.J.M.A. Toet FB
Viditax (FutD) 2021110305
FutD 2021-3419
FutD 2021-3420
NTFR 2021/2933 met annotatie van Mr. M.H.W.N. Lammers
Viditax (FutD) 2021080301
FutD 2021-2491
Uitspraak 26‑05‑2021
Inhoudsindicatie
‘Omzetbelasting: het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt uitsluitend voor zover het de naheffing voor het jaar 2014 betreft. Verweerder heeft terecht over de jaren 2015 tot en met 2018 de voorbelasting op de bouw gecorrigeerd.’
Partij(en)
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 20/280, SGR 20/288 en SGR 20/289
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2021 in de zaken tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser over de volgende tijdvakken naheffingsaanslagen omzetbelasting (de naheffingsaanslagen) opgelegd:
- 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015 (tijdvak 2014-2015);
- 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 (tijdvak 2016);
- 1 januari 2017 tot en met 31 december 2018 (tijdvak 2017-2018).
Tevens heeft verweerder bij beschikkingen belastingrente in rekening gebracht over de nageheven omzetbelasting (de rentebeschikkingen).
Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 29 november 2019 de naheffingsaanslagen en de rentebeschikkingen gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 april 2021.
Eiser is verschenen. Namens verweerder zijn verschenen mr. [A] enmr. [B] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiser heeft in maart 2008 een nieuwbouw appartement (het appartement) gekocht dat omstreeks 8 oktober 2009 is opgeleverd. Eiser heeft het appartement tot zijn ondernemingsvermogen gerekend en de omzetbelasting die aan hem in 2008 en 2009 ter zake van de bouw in rekening is gebracht (de voorbelasting op de bouw) op zijn aangiften teruggevraagd. Dit betreft een bedrag van € 33.529,41.
2. Verweerder heeft de voorbelasting op de bouw die kon worden toegerekend aan de jaren 2010 tot en met 2014 herzien op de voet van artikel 13, tweede lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (de Uitvoeringsbeschikking) en nageheven. Daarnaast heeft verweerder voor het jaar 2010 een naheffingsaanslag opgelegd voor het totale bedrag van de voorbelasting op de bouw. Over deze naheffingsaanslagen heeft deze rechtbank met dagtekening 26 april 20181.als volgt geoordeeld:
“13. De rechtbank acht aannemelijk dat eiser het pand in 2009 voor het eerst - zakelijk -in gebruik heeft genomen. Niet alleen staat vast dat eiser ook in dat jaar een onderneming uitoefende, maar uit de verklaring van (…) volgt dat hij als ambtenaar van de gemeente Rotterdam met eiser in ieder geval één keer in dat jaar een zakelijke bespreking in het pand heeft gehad. Gelet hierop heeft verweerder de correctie van de gehele in aftrek gebrachte voorbelasting terzake van de aankoop van het pand, ten onrechte in het tijdvak 2010 aangebracht.
14. De rechtbank acht niet aannemelijk dat het pand in de door verweerder onderzochte jaren na 2009 nog voor belaste prestaties is gebruikt. Daarvan uitgaande kan de correctie van de voorbelasting voor het tijdvak 2010 op grond van art. 13, tweede lid, van de Uitvoeringsbeschikking niet meer bedragen dan een tiende gedeelte van de voorbelasting. Gelet hierop dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 3.352.”
3. Verweerder heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld, eiser heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. In de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 25 januari 20192.staat het volgende vermeld:
“In hoger beroep houdt partijen uitsluitend - ter zitting hebben zij dat uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beaamd - het antwoord op de vraag verdeeld of de correctie van de Spaanse omzetbelasting van in totaal € 6.550 aangaande het tijdvak van 2012 tot en met 2014 terecht is. In incidenteel hoger beroep heeft belanghebbende zich voornamelijk gekant tegen de hoogte van de boete en de hoogte van de belastingrente. Ook voert belanghebbende een bedrag op ter vermindering van de over 2012 tot en met 2014 nageheven omzetbelasting in verband met aftrekbare omzetbelasting over advocaatkosten.”
4. Eiser heeft op zijn aangiften omzetbelasting voor het jaar 2016 geen omzetbelasting in aftrek gebracht en in totaal een bedrag van € 13.779 voldaan. Dit bedrag bestond voor € 13.418 uit zogenoemde verlegde omzetbelasting. In de aangifte voor het vierde kwartaal heeft eiser ook een bedrag van € 13.418 vermeld bij rubriek 1e van de aangifte (leveringen/diensten belast met 0 % of niet bij u belast). Bij uitspraak op bezwaar van 22 april 2017 heeft verweerder voor het vierde kwartaal van 2016 ambtshalve een teruggaaf verleend van € 13.418.
5. Eiser heeft op 2 september 2017 een suppletieaangifte omzetbelasting ingediend voor het jaar 2016 (de suppletieaangifte) waarin hij verzoekt om een teruggaaf van € 3.969. Dit bedrag is samengesteld uit een te betalen bedrag van € 315 en een bedrag aan aftrekbare omzetbelasting van € 4.284. Op de suppletieaangifte staat bij rubriek 1e niets ingevuld.
6. Verweerder heeft bij brief van 27 oktober 2017 eiser onder meer verzocht uitleg te geven over het bedrag van de aftrekbare omzetbelasting in de suppletieaangifte en om overlegging van kopieën van inkomende facturen met de hoogste bedragen aan voorbelasting. In reactie hierop heeft eiser bij brief van 1 november 2017 verklaard dat het bedrag van € 4.284 voor € 3.350 bestaat uit herziening op het appartement en voor het overige (€ 934) ziet op autokosten, kosten communicatie en postbuskosten. De behandeling van deze suppletie is vervolgens aangehouden in verband met de hiervoor aangehaalde procedure.
7. Bij brief van 2 mei 2019 heeft verweerder over de jaren 2014, 2015, 2017 en 2018 het volgende aan eiser meegedeeld:
“(…) Uit mijn gegevens is gebleken dat het pand van 18 maart 2010 tot en met 24 februari 2015 als woning aan particulieren vrij van omzetbelasting is verhuurd. In de uitspraak van de rechter is aangegeven dat u na de jaren 2009 niet aannemelijk heeft gemaakt dat het pand voor belaste prestaties is gebruikt (r.o.14).
Ingevolge artikel 13, tweede lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting wordt met betrekking tot onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen de aftrek herzien in elk van de negen boekjaren, volgend op dat waarin de ondernemer het goed is gaan gebruiken. (…)
Op basis van bovengenoemde ben ik voornemens om over de jaren 2014, 2015, 2017 en 2018 naheffingsaanslagen omzetbelasting op te leggen. (…)
Ik verzoek u binnen drie weken na dagtekening van deze brief te reageren op bovenstaande.”
8. Bij brief van 2 mei 2019 heeft verweerder naar aanleiding van de suppletieaangifte onder meer het volgende aan eiser geschreven:
“In uw brief van 1 november 2017 hebt u aangegeven dat op basis van de Leegstandjurisprudentie en bepaalde afspraken met een collega de herziening van het bedrijfspand dient plaats te vinden per ultimo 2016 voor een bedrag van € 3.350.
(…)
Wat mij echter is opgevallen is dat u het bedrag van € 3.350 in het bedrag van de voorbelasting hebt verwerkt. Dit is onjuist. Gezien bovenstaande regelgeving dient de herziening in rubriek 1d van de aangifte als verschuldigde omzetbelasting aangegeven te worden. Ik zal daarom de suppletie aangifte gaan corrigeren. De verschuldigdheid 2016 zal in totaal € 3.667 (€ 315 + € 3.352) bedragen.
In het vierde kwartaal 2016 van de aangifte omzetbelasting hebt u bij rubriek 1e een bedrag van € 13.418 aangegeven. Kunt u mij hier wat meer uitleg over geven (is hier sprake van vrijgestelde of verlegde omzet). Daarnaast ontvang ik graag de bijbehorende facturen.”
9. In reactie hierop heeft eiser bij brief van 6 mei 2019 het volgende meegedeeld:
“In de bezwaar fase van de procedure heeft gehele herziening plaatsgevonden tot 2019.
(…) De beslissing van de Rechtbank om de gehele herziening te verminderen is daarmee onherroepelijk geworden.
De betaalde omzetbelasting van 315 euro in 2016 valt onder de kleine ondernemersregeling. Een betaling van 13.418 is met de suppletie genotificeerd en verrekend met de openstaande aanslagen.
De voorbelasting van 934 euro in 2016 zijn kosten, (…) die rechtstreeks toe te rekenen zijn aan toekomstige belastbare handelingen in 2017 en de oprichting van [B.V.] BV, gevestigd in het bedrijfspand, in het vierde kwartaal van 2016 die in de jaren hierna ook belastbare handelingen verricht. (…)
Ik zie de betreffende bedragen betaalde omzetbelasting en vooraftrek over 2016 ad 1.249 euro (315 + 934) binnen tien werkdagen tegemoet omdat mijn verzoek al lang loopt.”
10. Verweerder heeft bij brief van 10 mei 2019 voor de tijdvakken 2014-2015 en 2017-2018 meegedeeld dat eiser binnen enkele weken de naheffingsaanslagen tegemoet kan zien. Over het tijdvak 2016 staat in deze brief het volgende:
“(…) Nu u over het jaar 2016 de herziening dient aan te geven valt u niet meer onder de voorwaarden om de kleine ondernemersregeling toe te kunnen passen.
Met betrekking tot de voorbelasting van € 934 (…).
Ik ben van mening dat u niet heeft aangetoond dat deze kosten zien op belaste prestaties, mede gezien het feit dat u niet heeft geantwoord op mijn vraag of het bedrag van € 13.418 ziet op vrijgestelde of verlegde omzet. Mocht u geen duidelijkheid verschaffen dan zal ik de voorbelasting niet accepteren. Daarnaast wil ik u erop attenderen dat de oprichtingskosten die u heeft gemaakt voor de oprichting van [B.V.] BV niet voor aftrek in aanmerking komen bij de eenmanszaak.
Ik zie graag uw reactie met betrekking tot jaar 2016 tegemoet.”
11. Eiser heeft bij brief van 17 mei 2019 meegedeeld dat hij alle communicatie met verweerder staakt, omdat naar zijn mening sprake is van ‘fiscale stalking’ door de belastingdienst. In reactie hierop heeft verweerder bij brief van 21 juni 2019 meegedeeld geen aanleiding te zien het dossier over te dragen aan een andere behandelaar en eiser verzocht alsnog inhoudelijk te reageren op de brief van 2 mei 2019 inzake het tijdvak 2016.
12. Bij brief van 22 juli 2019 heeft verweerder meegedeeld dat, wanneer hij geen reactie krijgt, hij voor het tijdvak 2016 een naheffingsaanslag zal opleggen van € 6.484. Dit bedrag is als volgt samengesteld:
- € 315 verschuldigd over het jaar 2016 volgens de suppletieaangifte;
- € 3.352 herziening van de voorbelasting op de bouw;
- € 2.817 belasting 21% over de bij rubriek 1e aangegeven omzet van € 13.418.
13. Met dagtekening 27 juni 2019 heeft verweerder vervolgens de naheffingsaanslagen over het tijdvakken 2014-2015 en 2017-2018 opgelegd waarbij voor ieder jaar een bedrag van € 3.352 aan herziening van de voorbelasting op de bouw wordt nageheven. Met dagtekening 29 augustus 2019 heeft verweerder de naheffingsaanslag over het tijdvak 2016 opgelegd.
Geschil14.In geschil is of verweerder de naheffingsaanslagen heeft mogen opleggen en, zo ja, of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.
15. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat verweerder niet bevoegd was om nog naheffingsaanslagen op te leggen omdat een en ander met de uitspraak van deze rechtbank van 26 april 2018 reeds definitief was beslecht. Subsidiair stelt eiser dat hij het appartement ook in 2014 en de volgende jaren heeft gebruikt voor zijn economische activiteiten. Verder stelt eiser dat verweerder het hoorrecht en het inzagerecht heeft geschonden, dat de redelijke termijn is overschreden, dat de belastingdienst zich schuldig heeft gemaakt aan stalking. Ook maakt eiser aanspraak op schadevergoeding.
16. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitspraak van de rechtbank van26 april 2018 niet tot gevolg heeft dat hij over onderhavige jaren niet meer zou mogen naheffen. Uit die uitspraak van deze rechtbank van 26 april 2018 volgt volgens verweerder dat het appartement tot en met 24 februari 2015 uitsluitend is gebruikt voor vrijgestelde prestaties. Eiser heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat het appartement in de jaren 2014 tot en met 2018 is gebruikt voor belaste prestaties. Voor het tijdvak 2016 stelt verweerder zich daarnaast op het standpunt dat eiser niets heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij terecht de voorbelasting heeft afgetrokken en terecht omzet heeft vermeld in rubriek 1e van de aangifte. De beroepen moeten volgens verweerder ongegrond worden verklaard.
Beoordeling van het geschil
Na de zitting ingediende stukken
17. Eiser heeft na sluiting van het onderzoek op 14, 15 en 20 april 2021 stukken ingediend. De rechtbank heeft daarin geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.
Verzoek openbaarheid
18. Eiser heeft op 2 april 2021 verzocht een camerateam mee te mogen nemen en geluidsopnamen te mogen maken. Dit verzoek is onder verwijzing naar artikel 27c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) en het Huisreglement van de rechtbank afgewezen. Ter zitting heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat dit ten onrechte is onder verwijzing naar een passage in het boek Een nieuw sociaal contract van Pieter Omtzigt over de effectieve toegang tot de rechter. De rechtbank heeft daarin echter geen aanleiding gezien de behandeling te schorsen en alsnog aan het verzoek om openbaarheid van eiser tegemoet te komen.
Ontvankelijkheid bezwaar
19. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt zes weken na dagtekening van de naheffingsaanslag. Dit volgt uit artikel 22j van de Awr. Tegen de naheffingsaanslag voor het tijdvak 2016 (dagtekening 29 augustus 2019) heeft eiser op18 september 2019 bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is dus tijdig ingediend en ontvankelijk.
20. Eiser heeft vervolgens op 30 september 2019 per e-mail bezwaar gemaakt tegen alle hier voorliggende naheffingsaanslagen. De bezwaartermijn voor de naheffingsaanslagen voor de tijdvakken 2014-2015 en 2017-2018 (beide met dagtekening 27 juni 2019) liep echter af op 8 augustus 2019. Voor deze naheffingsaanslagen is op zichzelf dus te laat bezwaar gemaakt.
21. In zijn brief van 22 juni 2019 aan het Ministerie van Financiën heeft eiser echter meegedeeld dat hij bezwaar maakt tegen alle huidige en toekomstige beschikkingen in dat kalenderjaar. Hoewel in die brief op zichzelf de omzetbelasting niet wordt genoemd, heeft verweerder daaruit terecht opgemaakt dat eiser ook bedoelde op te komen tegen onderhavige naheffingsaanslagen. Het betreft hier dus een bij het verkeerde bestuursorgaan ingediend bezwaarschrift zodat ingevolge artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden uitgegaan van de datum van ontvangst door het Ministerie van financiën, te weten 22 juni 2019. Nu de naheffingsaanslagen voor de tijdvakken 2014-2015 en 2017-2018 zijn gedagtekend 27 juni 2019, is dat bezwaar prematuur ingediend. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat over het algemeen naheffingsaanslagen eerder worden verzonden dan de dagtekening daarvan en dat eiser de naheffingsaanslagen vermoedelijk een week voor die dagtekening heeft ontvangen. Op grond van artikel 7:10 van de Awb blijft de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar wegens het te vroeg indienen daarvan daarom achterwege. De rechtbank acht ook het bezwaar tegen de naheffingsaanslagen 2014-2015 en 2017-2018 ontvankelijk.
De op de zaken betrekking hebbende stukken
22. Eiser stelt dat verweerder het gehele dossier dat vanaf 2014 bij de belastingdienst over eiser en zijn B.V.’s is opgebouwd, dient te overleggen zowel wat betreft de belastingheffing als wat betreft de invordering. Nu verweerder dat niet heeft gedaan, heeft hij volgens eiser de verplichting van artikel 8:42 van de Awb geschonden.
Anders dan eiser meent, zijn de stukken over de naheffingsaanslagen die in de vorige procedure zijn beoordeeld, geen op onderhavige zaken betrekking hebbende stukken. Het enkele feit dat in de vorige zaak ook is gesproken over het gebruik van het appartement voor belaste prestaties is daarvoor onvoldoende. Voor zover eiser bewijsstukken die hij daar heeft overgelegd ook relevant acht voor onderhavige zaken, ligt het op zijn weg die over te leggen. Eiser heeft dat in zijn nadere stukken van 2 april 2021 ook gedaan. Stukken die betrekking hebben op de inkomstenbelasting, de vennootschapsbelasting en de invordering van de diverse belastingen, zijn evenmin stukken die betrekking hebben op onderhavige naheffingsaanslagen. Die stukken behoeven dan ook niet door verweerder te worden overgelegd. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat er geen andere op deze zaken betrekking hebbende stukken zijn dan hij heeft overgelegd. De rechtbank ziet geen aanleiding die verklaring in twijfel te trekken. Van schending van artikel 8:42 van de Awb is dan ook geen sprake.
Schending hoorrecht
23. Met dagtekening 18 oktober 2019 heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een hoorgesprek waarvoor hij twee mogelijkheden biedt: 22 oktober 2019 om 10.00 uur of28 oktober 2019 om 10.00 uur. Eiser heeft hier niet op gereageerd waarop verweerder bij brief van 23 oktober 2019 het aanbod voor 28 oktober 2019 heeft herhaald en als alternatief 31 oktober 2019 om 15.00 uur heeft gegeven. Eiser heeft in reactie hierop meegedeeld dat wat hem betreft een hoorgesprek medio november zou kunnen plaatsvinden en verweerder verzocht daartoe contact op te nemen met mevrouw [C] ( [C] ). Op
5 november 2019 hebben verweerder en [C] afgesproken dat het hoorgesprek zal plaatsvinden op 15 november 2019 om 10:00 uur. Bij e-mail van 8 november 2019 deelt eiser mee hier niet mee akkoord te gaan onder meer omdat verweerder ook de uitspraaktermijn heeft verlengd. Verweerder heeft vervolgens per e-mail van 11 november 2019 meegedeeld geen aanleiding te zien een nieuwe afspraak te maken en dat hij vasthoudt aan het gesprek op 15 november 2019. Gezien het voorgaande is geen sprake van schending van de hoorplicht. Eiser is voldoende in de gelegenheid gesteld gebruik te maken van zijn hoorrecht. Dat hij heeft besloten niet op het hoorgesprek van 15 november 2019 te verschijnen, dient voor zijn rekening en risico te blijven3.. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de afspraak voor dit gesprek is gemaakt met [C] , degene die daartoe door eiser is aangewezen, en dat gesteld noch gebleken is dat eiser op 15 november 2019 verhinderd was.
Schending inzagerecht
24. Op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb moet verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het hoorgesprek ter inzage leggen. Ingevolge het derde lid van dat artikel moet daar bij de uitnodiging van het hoorgesprek op worden gewezen. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de stukken daadwerkelijk voorafgaand aan het geplande hoorgesprek ter inzage zijn gelegd. Nu echter de stukken van het geding in de beroepsfase alsnog, via de rechtbank, aan eiser zijn toegezonden is eiser door het achterwege laten van de inzage niet in zijn belangen geschaad. De rechtbank gaat dan ook met toepassing van artikel 6:22 van de Awb aan deze schending van artikel7:4 van de Awb voorbij.
Bevoegdheid tot naheffen/nieuw feit/vertrouwensbeginsel
25. Anders dan eiser meent, heeft de uitspraak van de rechtbank van 26 april 2018 geen betrekking op de jaren 2015 tot en met 2018. Die uitspraak en de uitspraak van het gerechtshof van 25 januari 2019 bieden daarvoor geen aanknopingspunten. Die procedures hadden uitsluitend betrekking op naheffingsaanslagen voor de jaren 2010 tot en met 2014. Dat er, zoals eiser stelt, op de zitting van de rechtbank en het gerechtshof bij de vorige procedure ook vragen zijn gesteld en opmerkingen zijn gemaakt over de gang van zaken na 2014, maakt dat niet anders. De rechtbank merkt daarbij op dat in april 2018 en in januari 2019 de naheffingsaanslagen die betrekking hebben op de jaren 2015 tot en met 2018 nog niet bestonden zodat reeds daarom de rechtbank en het gerechtshof zich daarover niet hebben kunnen en mogen uitlaten.
26. Eiser stelt dat verweerder niet beschikt over een nieuw feit als bedoeld in artikel16 van de Awr en dat om die reden de naheffingsaanslagen moeten komen te vervallen. Deze stelling berust op een misvatting. Artikel 16 van de Awr ziet op navorderingsaanslagen en niet op naheffingsaanslagen zoals hier aan de orde zijn. Deze naheffingsaanslagen zijn gebaseerd op artikel 20 van de Awr dat niet de eis van een nieuw feit bevat. De rechtbank heeft het betoog van eiser over het ontbreken van een nieuw feit daarom opgevat als een beroep op het vertrouwensbeginsel.
27. De vorige procedure had mede betrekking op het jaar 2014. Eiser heeft er op grond van de uitspraak van de rechtbank in die vorige procedure vanuit kunnen en mogen gaan dat op dat jaar niet zou worden teruggekomen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder in de aanloop naar de vorige procedure aanvankelijk de herzieningsbelasting had nageheven over 2014 maar die correctie bij de daar voorliggende uitspraak op bezwaar heeft teruggenomen. Met de enkele verwijzing naar de vorige procedure die, zoals hiervoor reeds is overwogen uitsluitend betrekking had op de jaren 2010 tot en met 2014, heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt dat voor de jaren 2015 tot en met 2018 bij hem het in rechte te honoreren vertrouwen is gewekt dat herziening en naheffing achterwege zouden blijven. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt dus uitsluitend voor zover het de naheffing voor het jaar 2014 betreft.
Juistheid van de naheffingsaanslagen: herziening
28. Ingevolge artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) in samenhang met artikel 13, tweede lid, van de Uitvoeringsbeschikking wordt met betrekking tot onroerende zaken de aftrek van voorbelasting herzien in elk van de negen boekjaren volgend op het jaar waarin de ondernemer de onroerende zaak is gaan gebruiken. Vaststaat dat het appartement in 2009 door eiser in gebruik is genomen, zodat tot en met het jaar 2018 voor ieder jaar moet worden beoordeeld of het gebruik van het appartement aanleiding geeft tot correctie van wat in eerste instantie ter zake van de bouw aan omzetbelasting is afgetrokken.
29. Verweerder heeft zich, gezien de vorige uitspraak, op het standpunt kunnen en mogen stellen dat wanneer er niets is veranderd ten opzichte van de jaren tot en met 2014, er ook in onderhavige jaren geen sprake is van gebruik van het appartement ten behoeve van belaste prestaties. Het ligt onder die omstandigheden op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat het appartement na 2014 weer voor zijn belaste activiteiten is gebruikt. In zijn brief van 2 mei 2019 heeft verweerder meegedeeld er vanuit te gaan dat het appartement na 2009 niet meer voor belaste activiteiten werd gebruikt. Hij heeft eiser de gelegenheid gegeven zich hierover uit te laten. Eiser heeft daarop niet inhoudelijk gereageerd, maar slechts gesteld dat in de vorige procedure herziening heeft plaatsgevonden tot 2019. Uit wat is overwogen bij 25 volgt dat dit op een misvatting berust.
30. In bezwaar heeft eiser geen stukken overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het appartement na 2014 voor belaste prestaties werd gebruikt. In beroep heeft eiser bij zijn nader stuk van 1 april 2021 in dit verband verwezen naar de volgende bij dat nader stuk gevoegde bescheiden:
- een overzicht van diverse omzetbelastingbetalingen voor verschillende fiscale nummers waaronder dat van eiser;
- bankafschriften van een ING-rekening ten name van “Erven De heer [D] ” waaruit betalingen aan de belastingdienst blijken;
- bankafschriften van een ABN-AMRO-rekening ten name van [B.V.] B.V. waarop betalingen aan de belastingdienst zijn aangekruist;
- een overzicht van door hem ingediende aangiften omzetbelasting.
31. Aangezien die stukken echter niets zeggen over het feitelijke gebruik van het appartement door eiser, heeft hij daarmee niet aannemelijk gemaakt dat en in hoeverre het appartement is gebruikt voor de belaste activiteiten van eiser. De stelling dat ook [B.V.] B.V. op het adres van het appartement is gevestigd, is daarvoor onvoldoende. Het vestigingsadres van een BV valt niet zonder meer samen met de plaats van de ondernemingsactiviteiten van die BV. Verder brengen eventuele activiteiten van de BV niet mee dat daarmee eiser het appartement voor belaste activiteiten heeft gebruikt. Eiser heeft overigens voor deze stelling geen bewijs overgelegd en ook niet inzichtelijk gemaakt op grond waarvan dat gebruik door [B.V.] B.V zou plaatsvinden. Dat sprake zou zijn van een fiscale eenheid tussen [B.V.] B.V. en eisers onderneming is, tegenover de weerspreking door verweerder, evenmin aannemelijk gemaakt.
32. Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht over de jaren 2015 tot en met 2018 de voorbelasting op de bouw heeft gecorrigeerd.
Overige correcties naheffingsaanslag voor het tijdvak 2016
33. Naast de correctie van de voorbelasting op de bouw heeft verweerder voor het jaar 2016 ook een bedrag van € 2.817 nageheven dat betrekking heeft op de bij rubriek 1e aangegeven omzet van € 13.418. Rubriek 1e ziet op: “Leveringen/diensten belast met 0 % of niet bij u belast”. Aangezien het hier een uitzondering betreft op de hoofdregel dat leveringen en diensten belast zijn met omzetbelasting, ligt het op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hij over deze omzet terecht geen omzetbelasting heeft voldaan. Eiser heeft daartoe in reactie op de vragen van verweerder niets overgelegd. De verklaring van eiser in zijn brief van 6 mei 2019 dat het hier gaat om een betaling die is verrekend met de openstaande aanslagen kan uitsluitend betrekking hebben op de ambtshalve vermindering vermeld bij 4. Het bij rubriek 1e vermelde bedrag betreft immers niet een te betalen bedrag maar slechts een omzetbedrag. Verweerder heeft dit bedrag dan ook terecht nageheven.
34. Wat eiser in beroep heeft aangevoerd en overgelegd leidt niet tot een ander oordeel. De enkele opmerking van eiser in het nadere stuk van 17 april 2020 dat deze omzet met de suppletieaangifte van 2 september 2017 is gecorrigeerd naar nihil, is onvoldoende omdat hij daarmee niet inzichtelijk maakt waarom dit is gebeurd. Uit de aangifte voor het vierde kwartaal 2016 volgt immers dat eiser kennelijk meende voor dit bedrag omzet te hebben gerealiseerd. Eiser kan dan niet volstaan met het enkel verwijzen naar de suppletieaangifte waarin dit omzetbedrag geheel is verdwenen. Zoals hiervoor bij 33 is overwogen ziet de betaling van een bedrag van € 13.418 en de verrekening daarvan op de afhandeling van de ambtshalve teruggaaf vermeld bij 4. Ook dat biedt dus geen inzicht in de aard van het op de oorspronkelijke aangifte vermelde omzetbedrag.
35. In de brief van 27 oktober 2017 heeft verweerder eiser verzocht facturen over te leggen ter onderbouwing van de in de suppletieaangifte vermelde voorbelasting. Eiser heeft dergelijke stukken niet overgelegd, maar volstaan met een algemene omschrijving van de desbetreffende kostenposten tot een bedrag van € 934. In zijn brief van 6 mei 2019 heeft hij daar aan toegevoegd dat het ook om kosten gaat die betrekking hebben op [B.V.] B.V.. Aldus heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij terecht aanspraak heeft gemaakt op aftrek van het bedrag van € 934. Verweerder heeft er verder in de brief van 10 mei 2019 terecht op gewezen dat de voorbelasting die betrekking heeft op de oprichting van [B.V.] B.V. niet bij eiser voor aftrek in aanmerking komt. Voor het overige betreft het hier de naheffing van een bedrag dat volgens de suppletie over het jaar 2016 te weinig op aangiften is voldaan. Eiser heeft hiertegen slechts aangevoerd dat als gevolg van de Kleineondernemersregeling dit bedrag niet verschuldigd is. De door eiser verschuldigde belasting overschrijdt echter de voor het jaar 2016 geldende grens voor de Kleineondernemersregeling van € 1.883.
Stalking
36. De rechtbank kan uitsluitend een oordeel geven over de aan haar voorgelegde naheffingsaanslagen. Voor klachten over de handelwijze van een individuele medewerker van verweerder kan eiser zich wenden tot de leiding van de belastingdienst of tot de nationale ombudsman. Indien eiser meent dat sprake is van onrechtmatig handelen door of namens verweerder, dient hij zich te wenden tot de burgerlijke rechter.
37. Anders dan eiser kennelijk meent, kan het feit dat hij niet te spreken is over de handelwijze van verweerder, niet tot de conclusie leiden dat de naheffingsaanslagen zouden moeten worden vernietigd. De belastingplicht vloeit rechtstreeks voort uit de wet- en regelgeving en de handelwijze van verweerder heeft daar op zichzelf geen invloed op. Dat zou hooguit anders kunnen zijn indien sprake zou zijn van misbruik van bevoegdheden door verweerder. Dat daarvan sprake is, is niet gebleken. Verweerder was zonder meer gerechtigd vragen te stellen over het gebruik van het appartement, de aftrek van voorbelasting en de suppletieaangifte in samenhang met de oorspronkelijke aangiften voor het jaar 2016. Ook met het opleggen van de naheffingsaanslagen is verweerder zijn bevoegdheden niet te buiten gegaan. Eiser heeft overigens evenmin aannemelijk gemaakt dat sprake is van stalking dan wel het stelselmatig controleren en lastigvallen van eiser door verweerder respectievelijk door een bepaalde medewerker van verweerder of dat die medewerker zich bij zijn beslissingen heeft laten leiden door persoonlijke motieven.
Slotsom
38. Gezien het voorgaande, is het beroep tegen de naheffingsaanslag voor het tijdvak 2014-2015 gegrond en zijn de overige beroepen ongegrond.
Redelijke termijn
39. Eiser stelt zich op het standpunt dat de redelijke termijn reeds in 2016 is overschreden. De redelijke termijn voor de afhandeling van bezwaar en beroep bedraagt in beginsel twee jaar tussen de datum van ontvangst van een bezwaarschrift en de uitspraak van de rechtbank daarover, waarbij aan de bezwaarfase een half jaar en aan de beroepsfase anderhalf jaar toekomt.4.Het oudste bezwaarschrift in deze zaken is van 18 september 2019. Deze uitspraak van de rechtbank heeft als dagtekening 26 mei 2021. Dat is binnen twee jaar na binnenkomst van het oudste bezwaarschrift, zodat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.
Schadevergoeding
40. Eiser heeft met een beroep op artikel 8:88 Awb verzocht verweerder te veroordelen tot een schadevergoeding van € 24.999. Ingevolge artikel V van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten is titel 8:4 van de Awb alleen van toepassing op besluiten van de belastingdienst ter uitvoering van de Wet op de vennootschapsbelasting. Voor besluiten op de voet van de Wet OB blijft artikel 8:73 van de Awb van toepassing. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding dan ook opgevat als een beroep op artikel 8:73 van de Awb. Nu de beroepen ongegrond zijn voor zover zij betrekking hebben op de jaren 2015 tot en met 2016, is voor die jaren in ieder geval geen sprake van een onrechtmatigheid op grond waarvan schade vergoed zou moeten worden. Eiser, op wie in deze de bewijslast rust5., heeft met hetgeen hij heeft overgelegd en aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat hij de door hem gestelde schade heeft geleden als gevolg van de naheffingsaanslag voor het jaar 2014.
Proceskosten
41. Eiser heeft verzocht om vergoeding van verletkosten. Eiser heeft daarvan geen specificatie overgelegd zodat de rechtbank uitgaat van het laagste tarief zoals dit volgt uit artikel 2, eerste lid, onderdeel d van het Besluit proceskosten bestuursrecht6.te weten € 7. Uitgaande van een tijdsbeslag van 4 uur voor de zitting en de reistijd die met het bijwonen van de zitting gemoeid is, stelt de rechtbank de proceskostenvergoeding vast op € 28.
Beslissing
De rechtbank:
- -
verklaart de beroepen met de zaaknummers SGR 20/288 en SGR 20/289 ongegrond;
- -
verklaart het beroep met zaaknummer SGR 20/280 gegrond;
- -
vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag over het tijdvak 2014-2015;
- -
vermindert de naheffingsaanslag over het tijdvak 2014-2015 tot € 3.352, vermindert de rentebeschikking over het tijdvak 2014-2015 tot € 473 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- -
wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- -
veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 28;
- -
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
26 mei 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 26‑05‑2021
Uitspraak 14‑05‑2021
Inhoudsindicatie
Naheffingsaanslagen omzetbelasting. Verzuimboete. Vergrijpboete. Immateriële schadevergoeding. Dwangsom. De rechtbank oordeelt dat eiser voor de jaren 2011 en 2014 niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Voor die jaren wordt daarom de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar voor die jaren onjuist zijn. De correcties voor de jaren 2011 en 2014 berusten ook op een redelijke schatting. Voor de jaren 2010, 2012 en 2013 wordt de bewijslast niet omgekeerd en verzwaard. Voor die jaren zijn de accountantskosten en een deel van de overige kosten ten onrechte gecorrigeerd. De rechtbank oordeelt dat de verzuimboete terecht is opgelegd. Voor de vergrijpboete heeft verweerder opzet niet aannemelijk gemaakt maar wel grove schuld. De vergrijpboete wordt daarom verminderd tot 25%. Verder wordt aan eiser een immateriële schadevergoeding toegekend van € 3.500. Tot slot heeft verweerder terecht geen dwangsom aan eiser toegekend nu er binnen de termijn van artikel 4:17, derde lid, van de Awb uitspraak op bezwaar is gedaan.
Partij(en)
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 19/5944, SGR 19/5946, SGR 19/5948 en SGR 19/5949
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 mei 2021 in de zaken tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.W. Huijzer),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiser over de volgende tijdvakken naheffingsaanslagen omzetbelasting (de naheffingsaanslagen) opgelegd:
- 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 (tijdvak 2010);
- 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 (tijdvak 2011);
- 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 (tijdvak 2012);
- 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 tijdvak 2013-2014).
Ook is aan eiser voor het tijdvak 2012 een verzuimboete opgelegd van 10% en is aan hem voor het tijdvak 2013-2014 een vergrijpboete opgelegd van 50% (de boetebeschikkingen). Verder is aan eiser voor alle tijdvakken heffingsrente/belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikkingen).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 augustus 2019 de naheffingsaanslagen,
de boetebeschikkingen en de rentebeschikkingen gehandhaafd.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep vervolgens gesplitst in bovenvermelde zaaknummers.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2021.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [A] . Namens verweerder zijn verschenen mr. [B] en mr. [C] .
Overwegingen
Feiten
1. Eiser heeft onder de handelsnaam “ [handelsnaam] .” voor de omzetbelasting belaste activiteiten verricht bestaande uit advisering op het gebied van informatie en bedrijfsvoering. Verder heeft eiser werkzaamheden verricht als maat in de maatschap met de handelsnaam “ [maatschap] .”. In die maatschap heeft hij onder meer tot en met april 2011 activiteiten verricht in het kader van het beheer van een persoonsgebonden budget.
2. Over de jaren 2010 tot en met 2014 heeft eiser op zijn aangiften omzetbelasting de volgende bedragen aan omzetbelasting in aftrek gebracht (voorbelasting). Dit heeft steeds geresulteerd in per saldo terug te ontvangen bedragen.
Jaar voorbelasting teruggaaf
2010 € 9.517 € 6.323
2011 € 8.820 € 8.569
2012 € 7.926 € 7.088
2013 € 7.476 € 7.372
2014 € 9.287 € 8.679
3. In april 2015 is bij eiser een boekenonderzoek ingesteld. Onderzocht is, voor zover hier van belang, de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode
1 januari 2010 tot en met 31 december 2014.
4. Tijdens het boekenonderzoek zijn ter behoud van rechten de volgende naheffingsaanslagen opgelegd:
tijdvak belasting rente boete
2010 € 5.500 € 873 € 0
2011 € 7.500 € 1.287 € 0
2012 € 7.000 € 1.320 € 700
5. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn neergelegd in een rapport met dagtekening 16 mei 2018, waarvan een kopie tot de gedingstukken behoort. Volgens de controlerend ambtenaar heeft eiser niet voldaan aan zijn administratie- en bewaarplicht, voor de jaren 2010 tot en met 2012 te hoge bedragen aan omzetbelasting afgetrokken en voor de jaren 2013 en 2014 onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij ondernemer is voor de omzetbelasting. De aftrekbare voorbelasting moet volgens het controlerapport als volgt worden vastgesteld:
2010 2011 2012 2013 2014
Accountantskosten € 585 € 95 € 105 € 105 € 0
Overige kosten € 342 € 57 € 273 € 0 € 0
Totaal € 927 € 152 € 378 € 105 € 0
Volgens het controlerapport moet de door eiser over deze jaren afgetrokken voorbelasting daarom worden gecorrigeerd met de volgende bedragen:
2010 € 8.590
2011 € 8.668
2012 € 7.548
2013 € 7.371
2014 € 9.287
6. Voor de verschillen tussen deze bedragen en de reeds ter behoud van rechten opgelegde naheffingsaanslagen voor de jaren 2010 tot en met 2012 zijn geen aanvullende naheffingsaanslagen opgelegd. Met dagtekening 28 augustus 2018 is de naheffingsaanslag over het tijdvak 2013-2014 opgelegd. Over deze naheffingsaanslag van € 15.946 is een vergrijpboete opgelegd van € 7.973.
7. Bij brief van 4 augustus 2019, door verweerder ontvangen op 7 augustus 2019, heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet doen van uitspraak op bezwaar. Verweerder heeft geen dwangsom toegekend.
8. Op 5 februari 2021 heeft eiser, onder meer, een “Reconstructie Omzetbelasting 2010” toegezonden. Eiser concludeert daarin dat hij in dat jaar ongeveer € 1.000 te veel aan voorbelasting zal hebben geclaimd.
Geschil9. In geschil is of de beroepen ontvankelijk zijn. Zo deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is in geschil of de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen terecht aan eiser zijn opgelegd. Ook is in geschil of verweerder alle op de zaken betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en of verweerder een dwangsom heeft verbeurd.
10. Eiser stelt dat de te late indiening van de motivering van het beroep geen reden is om de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren. Verder stelt eiser dat hij heeft voldaan aan de aangifteplicht en dat er dus geen reden is voor omkering van de bewijslast. Eiser stelt dat hij in alle onderhavige jaren ondernemer was voor de omzetbelasting. Verder stelt eiser dat hij weliswaar te hoge bedragen aan omzetbelasting op zijn aangiften heeft afgetrokken, maar niet zoveel als verweerder stelt. Volgens eiser heeft verweerder niet alle op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en ten onrechte het verzoek om een dwangsom afgewezen. Eiser verzoekt de rechtbank om het controlerapport nietig te verklaren, dan wel te vernietigen, de naheffingsaanslagen te vernietigen, een proceskostenvergoeding toe te kennen waarbij rekening moet worden gehouden met meerwerk voor de gemachtigde vanwege het boekenonderzoek en een schadevergoeding aan eiser toe te kennen.
11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat de motivering van de beroepen te laat is ingediend. Indien de beroepen wel ontvankelijk worden geacht, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. Daarvoor voert verweerder het volgende aan. Eiser heeft voor de jaren 2010, 2011 en 2014 niet de vereiste aangiften gedaan. Voor die jaren geldt daarom de omkering en verzwaring van de bewijslast en eiser is niet in zijn bewijslast geslaagd. Verder heeft eiser voor de jaren 2013 en 2014 niet aannemelijk gemaakt dat hij ondernemer is voor de omzetbelasting. Voor de naheffingsaanslagen over de tijdvakken 2010, 2011 en 2012 beroept verweerder zich bovendien op interne compensatie. De verzuimboete over het tijdvak 2012 is terecht aan eiser opgelegd omdat te weinig omzetbelasting op aangiften is betaald en er geen sprake is van afwezigheid van alle schuld. Ook de vergrijpboete over het tijdvak 2013-2014 is terecht aan eiser opgelegd omdat eiser wist, althans moet hebben geweten dat hij te veel omzetbelasting op zijn aangiften in aftrek bracht. Subsidiair is volgens verweerder sprake van laakbare slordigheid en daarmee van grove schuld.
Beoordeling van het geschil
12. Aangezien hier uitsluitend de naheffingsaanslagen omzetbelasting voorliggen, zal de rechtbank voorbij gaan aan wat eiser in zijn beroepschrift, de nadere stukken en de pleitnota heeft aangevoerd met betrekking tot de eveneens uit het boekenonderzoek voortvloeiende correcties voor de inkomstenbelasting.
De ontvankelijkheid van de beroepen
13. Indien een beroepschrift te laat is ingediend, moet de rechtbank dit niet-ontvankelijk verklaren indien voor die te late indiening geen rechtvaardigingsgronden zijn. Dit volgt uit de artikelen 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Vaststaat dat het beroepschrift tijdig is ingediend. De rechtbank heeft eiser op 18 september 2019 verzocht binnen vier weken de gronden van beroep in te dienen. Eiser heeft dat niet gedaan maar de gronden pas ingediend op 13 januari 2020. De rechtbank kan in dat geval op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht de beroepen niet-ontvankelijk verklaren, maar anders dan bij het te laat indienen van een beroepschrift volgt die niet-ontvankelijkverklaring niet dwingend uit de wet. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren. Het enkele feit dat de door eiser ingediende beroepen inzake de inkomstenbelasting met toepassing van artikel 8:54 van de Awb niet-ontvankelijk zijn verklaard, is daarvoor onvoldoende. Niet gebleken is dat verweerder door de te late indiening van de gronden van het beroep in zijn belangen is geschaad. De beroepen zijn daarom ontvankelijk.
De op de zaken betrekking hebbende stukken
14. Eiser stelt dat verweerder niet alle op de zaken betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Zo zouden de volgende stukken ontbreken:
- -
de oorspronkelijke aangiften;
- -
het rapport van de besprekingen op 23 januari 2017 en op 30 januari 2017;
- -
de werkwijze en de resultaten van het derdenonderzoek in Suriname;
- -
de resultaten van ruggenspraak binnen de belastingdienst en de overwegingen die hebben geleid tot beslissingen;
- -
de (cijfermatige) opstelling die aanleiding was om een boekenonderzoek in te stellen;
- -
de stukken waar het compromisvoorstel van 1 maart 2017 deel uitmaakt;
- -
het verslag van de behandeling van het compromisvoorstel;
- -
de rapporten van eerdere boekenonderzoeken;
- -
eventuele informatie met betrekking tot fraudeverdenking.
15. De oorspronkelijke aangiften zijn niet door verweerder overgelegd. Eiser is hierdoor echter niet in zijn belangen geschaad, aangezien hij geacht moet worden zelf over deze, van hemzelf afkomstige, stukken te beschikken. Gesteld noch gebleken is dat verweerder van andere gegevens is uitgegaan dan op de aangiften is vermeld. De rapporten van eerdere boekenonderzoeken zijn niet ten grondslag gelegd aan onderhavige naheffingsaanslagen en zijn daarom geen op de onderhavige zaken betrekking hebbende stukken. Bovendien mag worden verondersteld dat die rapporten eerder al aan eiser ter beschikking zijn gesteld zodat hij, indien hij deze relevant acht, deze zelf had kunnen overleggen. Wat betreft de resultaten van het derdenonderzoek in Suriname merkt de rechtbank op dat deze zijn vermeld in het controlerapport. Voor zover er stukken zijn die betrekking hebben op een compromisvoorstel, zijn dit geen op deze zaken betrekking hebbende stukken omdat er geen compromis tot stand is gekomen. Van de overige door eiser gestelde stukken is niet vast komen staan dat ze bestaan. Verweerder heeft ter zitting ook verklaard dat er niet meer stukken zijn dan hij heeft overgelegd. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding die verklaring in twijfel te trekken. De stelling van eiser faalt daarom.
Bewijslastverdeling
16. De naheffingsaanslagen hebben uitsluitend betrekking op correcties van de voorbelasting. De bewijslast voor het recht op aftrek van voorbelasting rust op de belastingplichtige. In beginsel kan hij daarvoor volstaan met het overleggen van facturen die voldoen aan de eisen van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). De bewijslast dat de voorbelasting geen betrekking heeft op belaste prestaties rust op verweerder. Dat geldt ook voor verweerders stelling dat eiser in 2013 en 2014 niet langer ondernemer is in de zin van de Wet OB. Indien verweerder ten aanzien van de facturen voldoende twijfels naar voren brengt, is de belastingplichtige echter de gerede persoon om die twijfels vervolgens weg te nemen.
17. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, verklaart de rechtbank ingevolge artikel 27e van de Awr een beroep ongegrond tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).
De vereiste aangiften
18. Verweerder stelt dat eiser voor de tijdvakken 2010, 2011 en 2014 niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Hij wijst hierbij op de door eiser in bezwaar overgelegde herberekening van de zijns inziens verschuldigde omzetbelasting. Eiser komt in zijn herberekening tot de volgende conclusies:
2010: € 1.341 teveel terug ontvangen
2011: € 2.832 teveel terug ontvangen
2012: € 555 teveel terug ontvangen
2013: € 468 teveel terug ontvangen
2014: € 7325 teveel terug ontvangen.
19. Gelet op deze herberekening van eiser zijn voor de tijdvakken 2011 en 2014 zowel absoluut als relatief aanzienlijk te hoge bedragen aan omzetbelasting in aftrek gebracht. Eiser moet zich daarvan redelijkerwijs ook bewust zijn geweest gelet op de omvang van de bedragen en het feit dat eiser in bezwaar zelf met deze berekening komt. Aldus is voor deze tijdvakken niet de vereiste aangifte gedaan.
20. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat uit de herberekening van eiser blijkt dat ook voor 2010 niet de vereiste aangifte is gedaan. Het bedrag is in absolute zin niet aanzienlijk.
Conclusie omkering en verzwaring van de bewijslast
21. Nu eiser voor de tijdvakken 2011 en 2014 niet de vereiste aangifte heeft gedaan, wordt op grond van artikel 27e van de Awr voor die tijdvakken de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Dat houdt in dat de uitspraken op bezwaar voor deze tijdvakken ongegrond worden verklaard, tenzij eiser overtuigend aantoont dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Voor het recht op aftrek van voorbelasting, waarvoor de bewijslast reeds op eiser rust, betekent dit dat eiser niet kan volstaan met aannemelijk maken dat en in hoeverre recht bestaat op aftrek van voorbelasting. Evenmin kan hij, nu verweerder bestrijdt dat de kosten betrekking hebben op eisers belaste prestaties, volstaan met het verwijzen naar eventueel voorhanden zijnde facturen.
22. Eiser stelt weliswaar dat hij recht heeft op een hoger bedrag aan aftrek van voorbelasting dan de aftrek die verweerder heeft toegestaan, maar hij heeft ter ondersteuning van die stelling geen bescheiden overgelegd. Eiser is daarom niet geslaagd in het bewijs dat de beslissingen op bezwaar voor de jaren 2011 en 2014 onjuist zijn voor wat betreft de nageheven belastingbedragen.
23. Ook indien sprake is van omkering van de bewijslast dienen de correcties te berusten op een redelijke schatting. Vaststaat dat eiser in 2014 geen omzet heeft gerealiseerd. Uit eisers herberekening volgt verder dat hij in ieder geval € 7.325 teveel heeft teruggekregen. Voor het jaar 2011 heeft eiser kennelijk ook kosten in aftrek gebracht die betrekking hadden op de PGB werkzaamheden. Eiser heeft ter zitting echter verklaard dat die werkzaamheden werden verricht vanuit een maatschap zodat de daarop betrekking hebbende voorbelasting niet bij eiser voor aftrek in aanmerking komt. Verweerder heeft voor de jaren 2011 en 2014 de aftrek van voorbelasting beperkt tot kosten die voor de inkomstensbelasting als zakelijke kosten zijn geaccepteerd. Naar het oordeel van de rechtbank berusten de correcties voor de jaren 2011 en 2014 gezien het voorgaande aldus op een redelijke schatting.
Correcties voor de tijdvakken 2010, 2012 en 2013
accountantskosten
24. Voor de jaren 2012 en 2013 heeft verweerder de voorbelasting die betrekking heeft op de accountantskosten slechts gedeeltelijk in aftrek toegelaten. Voor de inkomstenbelasting was voor de jaren 2012 en 2013 niet langer sprake van winst uit onderneming maar van resultaten uit overige werkzaamheden. Om die reden zijn de accountantskosten voor de inkomstenbelasting slechts voor € 500 geaccepteerd. Voor de omzetbelasting is hierbij aangesloten en is de aftrek van voorbelasting beperkt tot 21% van € 500. Dat voor de inkomstenbelasting niet langer sprake is van winst uit onderneming betekent echter niet dat er dan ook geen sprake meer is van ondernemerschap voor de omzetbelasting. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat eiser tot en met 2012 ondernemer was voor de omzetbelasting zodat eiser voor 2012 recht heeft op volledige aftrek van de voorbelasting op de accountantskosten. Gezien het feit dat eiser in de aan 2013 voorafgaande jaren ondernemer was voor de omzetbelasting, heeft verweerder met de enkele verwijzing naar de lage gerealiseerde omzet in 2013 niet aannemelijk gemaakt dat eiser in 2013 niet langer ondernemer was. Ook voor het jaar 2013 is de voorbelasting op de accountantskosten daarom ten onrechte gecorrigeerd.
Overige kosten
25. Voor 2010 en 2012 zijn voor de inkomstenbelasting diverse kosten gecorrigeerd omdat niet is aangetoond dat die kosten zijn gemaakt dan wel dat het hier om zakelijke kosten gaat en omdat de kosten niet in verhouding staan tot de opbrengsten. De inspecteur heeft voor de inkomstenbelasting het bedrag aan aftrekbare kosten daarom vastgesteld op 25% van de gerealiseerde omzet. Voor het jaar 2010 is dat een bedrag van € 1.800 en voor het jaar 2012 een bedrag van € 1.300. Materieel betekent dit dat voor de inkomstenbelasting alle kosten zijn geweigerd en er alleen een bedrag is geaccepteerd dat is gerelateerd aan de gerealiseerde omzet. Voor de omzetbelasting heeft verweerder de aftrek van voorbelasting voor de overige kosten beperkt tot de omzetbelasting die geacht moet worden te zijn begrepen in die voor de inkomstenbelasting geaccepteerde kosten. Hij heeft voor het jaar 2010 aldus een bedrag van € 342 (21% van € 1.800) in aftrek toegelaten en voor het jaar 2012 een bedrag van € 273 (21% van € 1.300). Voor 2013 heeft verweerder de aftrek van voorbelasting op de overige kosten geheel gecorrigeerd omdat geen sprake meer is van ondernemerschap.
26. Voor zover eiser beschikt over facturen die voldoen aan artikel 15 van de Wet OB dient verweerder, indien hij de voorbelasting op die facturen niet in aftrek wil toelaten, feiten te stellen en aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat dit kosten betreft die geen betrekking hebben op de belaste ondernemingsactiviteiten van eiser. Verweerder wijst daartoe slechts op het controlerapport en het ontbreken van ondernemerschap in 2013. In de bijlage bij het controlerapport, waarin diverse kostenposten worden genoemd, staat echter alleen expliciet iets vermeld over de hierna bij 27 vermelde posten. Voor de andere kostenposten kan op grond van het rapport daarom niet worden vastgesteld ter zake van welke concrete leveringen en diensten de voorbelasting in rekening is gebracht en is afgetrokken en in hoeverre die leveringen en diensten al dan niet betrekking hebben op de belaste prestaties van eiser.
27. Volgens de bijlage bij het controlerapport is in de jaren 2010, 2012 en 2013 voorbelasting in aftrek gebracht voor de volgende kosten:
a. in 2010 een bedrag van € 895 in verband met onderhoudskosten aan de woning van eiser;
b. in 2010 een bedrag van € 567 in verband met de huur van opslagruimte bij Citybox;
c. in 2013 een bedrag van € 1.760 in verband met externe inhuur waarvoor geen onderliggende bescheiden zijn overgelegd;
d. in 2013 een bedrag van € 19 waarvan niet duidelijk is op welke kosten dat betrekking heeft;
e. in 2013 een bedrag van € 81 waarvan niet duidelijk is op welke lasten dat betrekking heeft.
Voor de correctie inzake de huur van de opslagruimte bij Citybox staat in het controlerapport dat gezien de beperkte omvang van eisers onderneming het niet waarschijnlijk is dat die opslagruimte betrekking heeft op diens onderneming. Daarmee is voldoende twijfel gezaaid over de aftrekbaarheid van de daarmee gemoeide omzetbelasting. Het had op de weg van eiser gelegen om aanvullend bewijs te leveren voor de rechtmatigheid van deze aftrek. Dat heeft hij niet gedaan. Evenmin heeft hij stukken overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat de posten onder punten c., d. en e. zien op kosten die betrekking hebben op zijn belaste prestaties. Verder is gesteld noch gebleken is dat de woning van eiser voor de omzetbelasting tot zijn ondernemingsvermogen behoort. Verweerder heeft deze voorbelasting dan ook terecht niet in aftrek toegelaten.
28. Voor de rest van de nageheven voorbelasting heeft verweerder, met het zonder meer aansluiten bij de correcties voor de inkomstenbelasting, niet aannemelijk gemaakt dat eiser die ten onrechte heeft afgetrokken. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiser in 2013 geen ondernemer meer was voor de omzetbelasting. Ook die stelling kan dus niet ten grondslag worden gelegd aan het voor het overige naheffen van de voorbelasting.
29. Het voorgaande neemt echter niet weg dat eiser heeft erkend dat hij voor een deel van de kosten alleen beschikte over kassabonnen en dus niet over facturen als bedoeld in artikel 15 van de Wet OB. Dat betekent dat de voorbelasting die op die kosten betrekking heeft in ieder geval ten onrechte is afgetrokken. In het controlerapport is onvoldoende geconcretiseerd welk deel van de voorbelasting betrekking heeft op kosten waarvoor geen facturen voorhanden zijn. Eiser heeft echter verklaard dat hij voor de jaren 2010, 2012 en 2013 in ieder geval respectievelijk € 1.341, € 555 en € 468 te veel belasting heeft terugontvangen. De rechtbank zal daar dan ook van uitgaan. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van eiser in zijn nadere stuk van 5 februari dat dit voor het jaar 2010 een bedrag van € 1.000 zou zijn, nu dat stuk een reconstructie behelst en eiser daarin er ten onrechte vanuit gaat dat recht bestaat op aftrek van voorbelasting voor zijn in de maatschap ondergebrachte PGB werkzaamheden.
30. Nu verweerder slechts gedeeltelijk in zijn bewijslast is geslaagd, ziet de rechtbank geen aanleiding het beroep op interne compensatie te honoreren en dienen de naheffingsaanslagen voor de jaren 2010, 2012 en 2013 te worden verminderd tot respectievelijk € 2.803 (€ 895 +€ 567 + € 1.341), € 555 en € 2.328 (€ 1.760 + € 19 + € 81 + € 468).
Boetebeschikkingen
Verzuimboete over het tijdvak 2012
31. Aan eiser is op de voet van artikel 67c, eerste lid, van de Awr een verzuimboete opgelegd van tien percent. Een dergelijke boete kan worden opgelegd wanneer de verschuldigde belasting niet is voldaan. Het enkele feit dat de naheffingsaanslag gedeeltelijk in stand blijft, betekent dat is voldaan aan de eisen van dat artikel. Uit paragraaf 4 van het Besluit Bestuurlijke Boete Belastingdienst (BBBB) volgt dat géén verzuimboete wordt opgelegd ingeval sprake is van een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld. Gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is. Verweerder heeft bij het opleggen van de boete het bepaalde in artikel 67c van de AWR en § 24, tweede lid, van het BBBB in acht genomen. Ook overigens acht de rechtbank de boete, gelet op de aard van de overtreding en de omstandigheden van het geval, passend en geboden.
Vergrijpboete over het tijdvak 2013-2014
32. Ingevolge artikel 67f, eerste lid, van de Awr kan, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat omzetbelasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald, aan de belastingplichtige een vergrijpboete worden opgelegd. Verweerder stelt primair dat sprake is van opzet, de bewijslast dienaangaande ligt bij hem. Verweerder wijst daartoe op de verklaring van eiser tijdens de controle in reactie op een vraag over de omvang van de zakelijke kosten. Eiser zou hebben verklaard “dat hij het moeilijk vindt om rond te komen van zijn inkomen en ander hoge heren ook maar raak declareren” Verder wijst verweerder op de verklaring van de adviseur van eiser dat hij van meet af aan het vermoeden had dat eiser teveel omzetbelasting aftrok. Dit zijn echter onvoldoende concrete gegevens voor de conclusie dat ten tijde van het doen van de aangiften sprake was van opzet. Vaststaat dat eiser teveel omzetbelasting heeft teruggevraagd, dat blijkt ook uit zijn eigen herberekening vermeld bij 18. Voor het jaar 2013 heeft hij op aangiften een bedrag aan voorbelasting teruggevraagd van € 7.476. Het ten onrechte afgetrokken bedrag van € 2.328 bedraagt dus 30% van het daadwerkelijk afgetrokken bedrag. Voor het jaar 2014 is op aangiften een bedrag van € 8.679 terugontvangen terwijl dit volgens eisers opgave € 1.354 had moeten zijn. Gezien die bedragen had eiser redelijkerwijs moeten begrijpen dat hij te veel belasting op aangiften terug ontving. Verweerder is daarom wel geslaagd in het bewijs dat sprake is van grove schuld waarbij volgens § 25, tweede lid, van het BBBB een boete van 25% wordt opgelegd. Dat voor het jaar 2014 de bewijslast is omgekeerd, is geen reden de boete te matigen.
33. Aangezien de naheffingsaanslagen waarover de boeten zijn opgelegd worden verminderd, dienen de boetebeschikkingen dienovereenkomstig te worden verminderd tot € 55 (verzuimboete van 10%) en € 2.751 (vergrijpboete van 25%). De rechtbank ziet verder aanleiding de boetes ambtshalve te verminderen wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De verzuimboete is opgelegd op
27 december 2017. Gezien het feit dat tijdens de controle op 23 januari 2017 de cautie is gesteld, was vanaf dat moment voor eiser duidelijk dat hem een vergrijpboete zou kunnen worden opgelegd. Op het moment van deze uitspraak van de rechtbank zijn er dus sedertdien meer dan twee jaar verstreken. De overschrijding bedraagt voor de verzuimboete 1 jaar en vijf maanden en voor de vergrijpboete twee jaar en vier maanden. De verzuimboete wordt om die reden ambtshalve verminderd met 10% tot € 49 en de vergrijpboete met 15% tot € 2.338.
Rentebeschikkingen
34. Tegen de rentebeschikkingen heeft eiser geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Niet is gebleken dat de rente in strijd met de daartoe strekkende wettelijke bepalingen of enige andere regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht. Wel dienen de rentebeschikkingen te worden verminderd overeenkomstig de verminderingen van de naheffingsaanslagen.
Schadevergoeding
35. De rechtbank vat het verzoek om schadevergoeding op als een verzoek om vergoeding van de immateriële schade die is veroorzaakt doordat de redelijke termijn van behandeling in bezwaar en beroep is overschreden. Die redelijke termijn bedraagt in beginsel twee jaar tussen de datum van ontvangst van een bezwaar en de uitspraak van de rechtbank daarover, waarbij aan de bezwaarfase een half jaar en aan de beroepsfase anderhalf jaar toekomt. Het oudste bezwaarschrift (gericht tegen de naheffingsaanslag voor het jaar 2010) is door verweerder ontvangen op 6 januari 2016. Nu de rechtbank uitspraak doet op 14 mei 2021, heeft de behandeling van bezwaar en beroep in totaal vijf jaar en vier maanden geduurd. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die de redelijke termijn van twee jaar kunnen verlengen. De redelijke termijn is dus overschreden met drie jaar en vier maanden. Eiser heeft daarom recht op een vergoeding van immateriële schade van in totaal € 3.500.Tussen de ontvangst van het beroepschrift op 13 september 2019 en de uitspraak van de rechtbank is een periode van 1 jaar en acht maanden verstreken zodat de termijnoverschrijding voor drie maanden voor rekening van de rechtbank komt en voor het overige voor rekening van verweerder.
Dwangsombeschikking
36. Eiser heeft verweerder bij brief van 4 augustus 2019, door verweerder ontvangen op 7 augustus 2019, in gebreke gesteld wegens het niet doen van uitspraak op bezwaar. Verweerder heeft vervolgens op 20 augustus 2019 uitspraak gedaan op de bezwaren. Dat is binnen de termijn van artikel 4:17, derde lid, van de Awb. Verweerder heeft dan ook terecht geen dwangsom toegekend.
Slotsom
37. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep met zaaknummer
SGR 19/5946 (tijdvak 2011) ongegrond te worden verklaard en dienen de overige beroepen gegrond te worden verklaard.
Proceskosten
38. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.602 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1,5 wegens vier samenhangende zaken). De rechtbank ziet geen aanleiding om een hogere vergoeding toe te kennen. Dat de gemachtigde meer werk heeft gehad als gevolg van het boekenonderzoek is geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb. Voor een kostenvergoeding voor bezwaar is geen aanleiding omdat hierom in bezwaar niet is verzocht.
Beslissing
De rechtbank:
- -
verklaart het beroep met zaaknummer SGR 19/5946 ongegrond;
- -
verklaart de beroepen met de zaaknummers SGR 19/5944, SGR 19/5948 en
SGR 19/5949 gegrond;
- -
vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover betrekking hebbend op de tijdvakken 2010, 2012 en 2013-2014;
- -
vermindert de naheffingsaanslag over het tijdvak 2010 tot € 2.803, de naheffingsaanslag over het tijdvak 2012 tot € 555 en de naheffingsaanslag over het tijdvak 2013-2014 tot € 11.007 en draagt verweerder op de rentebeschikkingen dienovereenkomstig te verminderen;
- -
vermindert de verzuimboete voor het tijdvak 2012 tot € 49 en de vergrijpboete voor het tijdvak 2013-2014 tot € 2.338;
- -
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.602;
- -
veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 3.125 en veroordeelt de Staat tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 375;
- -
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
14 mei 2021.
de griffier is verhinderd deze
uitspraak te tekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.