Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/1.4
1.4 Methode
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS507325:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Wat betreft de literatuur over het onderwerp verdient op voorhand opmerking dat deze dun gezaaid is, zoals in paragraaf 1.2 reeds is opgemerkt.
Voor de Hoge Raad kan dat anders liggen, bijvoorbeeld bij het formuleren van rechtsregels die zich lenen voor algemene toepassing.
Vgl. Jansen 2012a, p. 7. In de rechtseconomie wordt er bijvoorbeeld van uitgegaan dat informatie een bepaalde economische waarde heeft, en dat tot het verstrekken van informatie alleen die partij verplicht is, die de desbetreffende informatie tegen de laagste kosten kan verzamelen.
Zie hierover Barendrecht e.a. 2002, hoofdstuk V.
Het onderzoek is juridisch-dogmatisch van aard. Het object van het onderzoek wordt gevormd door het positieve recht, zoals dat is neergelegd in geschreven en ongeschreven regels en jurisprudentie en van commentaar is voorzien in de literatuur.1 Het zwaartepunt van het onderzoek is dan ook gelegen in de beschrijving, uitleg en analyse van het recht, dat voor het overheidsaansprakelijkheidsrecht voornamelijk wordt gevormd door rechterlijke uitspraken.2 Het onderzoek beperkt zich niet tot arresten van de Hoge Raad. De arresten van de Hoge Raad op het onderhavige rechtsgebied zijn weliswaar richtinggevend maar ook weinig talrijk. Het onderzoek is dan ook mede gebaseerd op de uitspraken van feitenrechters, niet alleen omdat veel meer van deze uitspraken beschikbaar zijn, maar vooral ook omdat de uitspraken van feitenrechters inzicht geven in de toepassing van de richtinggevende arresten van de Hoge Raad in de praktijk. Juist de lagere rechtspraak geeft inzicht in de methode van rechtsvinding die de rechter in het concrete geval toepast en in de relevante omstandigheden van het geval. Het perspectief van de rechter staat dus centraal. Dit leidt ertoe dat een multidisciplinaire benadering achterwege kan blijven, mede omdat de feitenrechter3 zich bij de berechting van een concreet geschil niet zal (mogen) laten leiden door bijvoorbeeld abstracte rechtseconomische of algemene rechtspsychologische inzichten.4
Van het doen van extern rechtsvergelijkend onderzoek is afgezien. Enerzijds bestaat nog onvoldoende overzicht over en inzicht in het positieve Nederlandse recht om een objectieve vergelijking mogelijk te maken. Anderzijds verschillen de uitgangspunten die aan het (algemene) overheidsaansprakelijkheidsrecht in buitenlandse rechtstelsels ten grondslag liggen, aanzienlijk van de basis van dat recht in Nederland.5 Wel wordt in de voornoemde positiefrechtelijke oriëntatie op drie manieren gebruikgemaakt van interne rechtsvergelijking. Er wordt over de grenzen van het overheidsaansprakelijkheidsrecht voor onjuiste en onvolledige informatieverstrekking heen gekeken, onder meer naar (i) het overheidsaansprakelijkheidsrecht in brede zin (bijvoorbeeld naar de aansprakelijkheid voor onrechtmatige besluiten), (ii) naar onjuiste en onvolledige informatieverstrekking in het verbintenissenrecht in brede zin (bijvoorbeeld naar het leerstuk van dwaling en naar de aansprakelijkheid van dienstverleners) en (iii) naar de beoordeling van vertrouwen op overheidsuitlatingen door de bestuursrechter (in het kader van het vertrouwensbeginsel). De resultaten van deze interne rechtsvergelijking vormen een hulpmiddel bij de vaststelling van het geldende aansprakelijkheidsrecht voor overheidsinformatieverstrekking aan de hand van de (schaarse) rechtsgebiedspecifieke regelgeving, rechtspraak en literatuur.
De resultaten van de interne rechtsvergelijking maken daarnaast deel uit van het toetsingskader waaraan het geldende recht wordt getoetst. Het onderzoek zal namelijk, zoals tot uitdrukking komt in de tweede deelvraag (paragraaf1.2), resulteren in enige punten van kritiek op (de toepassing van) het geldende recht en in de formulering van concrete voorstellen tot wijziging van dit recht. Aan deze benadering is inherent dat het onderzoek zich ook richt op de grondslagen van (het recht op juiste en volledige) informatieverstrekking en de grondslagen van het aansprakelijkheidsrecht voor onrechtmatige informatieverstrekking, en aldus op onderliggende waarden, vooronderstellingen en beginselen, zoals Vranken het treffend heeft verwoord.6 Voor het overheidsaansprakelijkheidsrecht wordt deze achtergrond mede gevormd door de beginselen van de rechtsstaat, waaronder vooral het beginsel van rechtszekerheid, en door de positie en publieke taak inclusief bijbehorende bevoegdheden die aan de overheid toevallen in het rechtsstaatdenken. Het juridisch-rechtsstatelijk kader dat informatieverstrekking door de overheid normeert, zal daarom in kaart worden gebracht en een belangrijk onderdeel zijn van het toetsingskader. Aan de hand van dit kader zal worden bezien of, en zo ja in hoeverre, een uitbreiding of beperking van het geldende aansprakelijkheidsrecht voor het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie wenselijk is.