Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/6.5.3
6.5.3 Opvatting van sommigen in de literatuur: interpretatie maakt uitzonderingen overbodig
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS353543:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. Peters 1971, p. 25; annotatie F.H. Van der Burg bij HR 6 juni 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4573, AB 1979/404; Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2014, p. 349, 359, 361. Contra-legemwerking komt ter sprake in par. 6.3.1; in hoofdstuk 3, par. 3.5.2 wordt ook melding gemaakt van de opvatting dat interpretatie een volwaardig alternatief is voor billijkheidsuitzonderingen.
Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2014, p. 348.
Annotatie E.M.H. Hirsch Ballin bij HR 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725, AA 1989/578 (Harmonisatiewet), p. 587; Derksen 1993, par. ‘De derogerende werking’; Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2014, p. 359.
Par. 6.5.3.
Sommigen beschouwen interpretatie als een volwaardig alternatief voor billijkheidsuitzonderingen op grond van abbb.1 De toepasser zou dan een tekstueel toepasselijk wettelijk voorschrift steeds interpreteren in het licht van een (eventueel ongeschreven) abbb, zodanig (en eventueel in afwijking van de normale betekenis van de wet) dat toepassing van het voorschrift geen spanning oplevert met het beginsel. Bestaat er toch spanning, dan is het voorschrift volgens deze opvatting verkeerd uitgelegd. Dit wordt beginselconforme uitleg2 of interpretatieve werking van abbb genoemd.3 Deze opvatting beschouw ik niet als volwaardig alternatief voor uitzonderingen vanwege de genoemde contra-indicaties voor interpretatie, waardoor soms een uitzondering de voorkeur heeft.4