Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.3.4
4.3.4 Conclusies over klachtdelicten bezien vanuit rechtsbetrekkingen
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946214:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
M Achterberg 1982, p. 31. Dat zijn definitie algemeen is aanvaard, wordt onder meer bepleit door: Crijns 2010, p. 222 en 230. Zie ook Schalken 1987, p. 7, Cleiren & Van Male 1994, p. 50 en Gribnau 1998, p. 113.
Crijns 2010, p. 230.
Cleiren & Van Male 1994, p. 66.
Van de Griend, p. 214.
Deze driehoeksrelatie is bijzonder goed zichtbaar bij relatieve klachtdelicten. Bepaalde (familiare) relaties tussen verdachte en slachtoffer leiden tot een andere juridische relatie tussen het slachtoffer en het openbaar ministerie, doordat die familiaire relatie een klachtrecht met zich brengt. Het al dan niet indienen van een klacht vindt plaats in de rechtsbetrekking tussen de klachtgerechtigde en het openbaar ministerie, waarna dit doorslaggevend is voor de invulling die kan worden gegeven aan de rechtsbetrekking tussen het openbaar ministerie en de verdachte.
HR 4 december 2018, NJ 2019/297, m.nt. Rozemond.
In dit deel van het hoofdstuk is onderzocht op welke wijze het klachtvereiste van invloed is op rechtsbetrekkingen en wat dit zegt over vorm, inhoud en functie van het klachtvereiste. De standaarddefinitie van een rechtsbetrekking is een door het recht geregelde verhouding tussen rechtssubjecten.1 Het is een rechtstheoretische constructie die niet ziet op alle facetten van een relatie tussen partijen, maar die slechts inzichtelijk maakt waartoe de betrokkenen juridisch gezien over en weer zijn gehouden. Algemene, latente rechtsbetrekkingen kunnen zich – door tijdsverloop, handelingen en gebeurtenissen die rechtsgevolgen doen intreden – ontwikkelen tot concretere rechtsbetrekkingen met rechten en verplichtingen voor de betrokken subjecten.2 De rechtsbetrekking tussen rechtssubjecten is dan ook dynamisch van aard.
Vanwege het publiekrechtelijke karakter van het strafrecht speelt het openbaar ministerie bij de strafrechtelijke rechtsbetrekkingen een centrale rol. Het openbaar ministerie staat in rechtsbetrekking tot onder meer de verdachte en het slachtoffer. Deze rechtsbetrekkingen zijn te karakteriseren als verticale, asymmetrische en wederkerige rechtsbetrekkingen. De wederkerigheid (als imperatief ) komt met name tot uiting doordat de overheid zich bij het gebruiken van de toebedeelde strafvorderlijke bevoegdheden steeds rekenschap dient te geven van de belangen van de rechtssubjecten wier positie wordt beïnvloed door dat handelen.
In de literatuur lopen de visies uiteen waar het aankomt op de grondslag voor dit soort strafrechtelijke rechtsbetrekkingen. Aan de hand van een bespreking van de visies van onder meer Schalken en Crijns is hiervoor geconcludeerd dat de grondslag voor de strafrechtelijke rechtsbetrekkingen ligt in de materieelrechtelijke strafbepalingen. Deze normen leiden tot latente rechtsbetrekkingen tussen de rechtssubjecten. Zo zijn burgers onderling over en weer gehouden de strafwet niet te overtreden en dienen zij andermans rechten geen geweld aan te doen door de materiële strafnormen te schenden. Daarnaast bestaan latente rechtsbetrekkingen tussen burgers die aan de strafwet gehouden zijn en de overheid die – via het openbaar ministerie – verantwoordelijk is voor handhaving van de strafwetgeving. Het ontstaan van (een verdenking van) een strafbaar feit kan ertoe leiden dat een deel van die latente rechtsbetrekkingen wordt geconcretiseerd, omdat de rechtssubjecten een rol (kunnen) spelen bij (de opheldering van) dat strafbare feit. Daarbij vervult het verdenkingscriterium in art. 27 Sv een scharnierfunctie tussen het materiële en het formele strafrecht.3 De verdere ontwikkeling van die rechtsbetrekkingen – waarbij het strafprocesrecht de betrekkingen van nadere invulling voorziet – laat onverlet dat deze hun grondslag vinden in de overtreding van een materiele strafrechtelijke gedragsnorm. Dit past mijns inziens bij de idee van dynamische rechtsbetrekkingen.
Doordat het strafproces verloopt via de overheid staat het slachtoffer steeds in een driehoeksrelatie ten overstaan van de verdachte en het openbaar ministerie.4 Die driehoeksrelatie staat centraal bij klachtdelicten.5 De beschrijving en visualisatie van deze rechtsbetrekkingen biedt meer inzicht in de werking van het klachtvereiste en maakt het mogelijk een aantal conclusies te trekken over de functie en werking van het klachtvereiste.
Dit legt ten eerste het probleem bloot dat ontstaat indien het klachtgerechtigde slachtoffer géén klacht heeft ingediend en een verdachte toch wordt vervolgd. In dat geval is het recht van de klachtgerechtigde – om niet met de opsporing en vervolging van een klachtdelict te worden geconfronteerd – geschonden, maar heeft de klachtgerechtigde geen juridische mogelijkheid die rechtsschending te herstellen. Het ontbreken van een klacht komt slechts aan de orde in de strafprocedure die het openbaar ministerie aanhangig maakt tegen de verdachte. Er is sprake van een discrepantie tussen het gedrags- en het geldingsaspect van de (strafvorderlijke) norm, omdat die aspecten zijn verdeeld over twee verschillende rechtsbetrekkingen. Dit past niet bij de idee dat een rechtssubject een beroep moet kunnen doen op rechten die aan hem zijn toebedeeld. Dat de strafvervolging tegen de verdachte strandt bij het ontbreken van een klacht dient het rechtsbelang van de klachtgerechtigde onvoldoende, omdat het belang van de klachtgerechtigde juist is gelegen in het voorkomen van opsporing en vervolging. Tegen die achtergrond is het aanbevelenswaardig om een rechtsingang te creëren voor de klachtgerechtigde, zodat hij kan verzoeken (verdere) opsporing en vervolging van een klachtdelict te staken vanwege het ontbreken van een klacht.
Het onderzoek naar rechtsbetrekkingen biedt tevens meer inzicht ten behoeve van de beantwoording van de vraag in hoeverre één klacht volstaat in het geval van pluraliteit van klachtgerechtigde slachtoffers. De visualisatie van betrokken rechtsbetrekkingen maakt duidelijk dat het aankomt op de vraag of de klachtgerechtigden het slachtoffer zijn van één klachtdelict of van verschillende klachtdelicten. Ingeval de verdenking ziet op één strafbaar feit dat meerdere personen is aangedaan, volstaat de klacht van één klachtgerechtigde ongeacht het standpunt van andere klachtgerechtigden. Indien de gedragingen van de verdachte evenwel leiden tot verdenkingen die zien op te onderscheiden feitencomplexen die verschillende slachtoffers zijn aangedaan, dan zijn – met het oog op de betrokken rechtsbetrekkingen – mijns inziens steeds afzonderlijke klachten nodig voor opsporing en vervolging van die feiten. De Hoge Raad oordeelde in 2018 dat de strekking van het klachtvereiste zich er niet tegen verzet dat op grond van de opsporingswens van één klachtgerechtigde naspeuringen worden gedaan naar mogelijke andere (klachtgerechtigde) slachtoffers. Dit arrest werkt vertroebelend met het oog op het hierboven beschreven onderscheid.6 De toevoeging van de Hoge Raad dat (verdere) opsporing moet worden gestaakt, zodra een klachtgerechtigde te kennen geeft opsporing en vervolging niet te wensen maakt dit niet anders. Het is voorstelbaar dat de Hoge Raad (anders dan voorheen) acceptabel oordeelt dat opsporing van klachtdelicten wordt verricht voorafgaand aan een klacht, tenzij de klachtgerechtigde te kennen heeft gegeven dat dergelijk onderzoek niet is gewenst. Er is echter geen aanleiding die proactieve opsporing van klachtdelicten afhankelijk te maken van de (triviale) omstandigheid dat een ander heeft geklaagd vanwege een ander klachtdelict dat de verdachte mogelijk (ook) heeft begaan. Als men oog heeft voor de betrokken rechtsbetrekkingen en aandacht heeft voor het perspectief van de niet klagende klachtgerechtigde, dan moet worden vastgesteld dat de klacht van een ander ter zake een ander strafbaar feit slechts een toevallige omstandigheid betreft.
Tot slot is aan de hand van rechtsbetrekkingen onderzoek verricht naar pluraliteit van verdachten. Dit legt een belangrijk onderscheid tussen relatieve en absolute klachtdelicten bloot. Bij absolute klachtdelicten is de ruchtbaarheid die (vervolging van) het strafbare feit met zich kan brengen redengevend voor het klachtvereiste, terwijl dit bij relatieve klachtdelicten is geënt op de (familie)band tussen betrokkenen. Dit leidt tot het belangrijke verschil dat de klacht bij de relatieve klachtdelicten kan worden beperkt tot bepaalde verdachten, terwijl die mogelijkheid niet bestaat bij absolute klachtdelicten. Meer in het algemeen kan worden geconcludeerd dat de klacht bij absolute klachtdelicten is gekoppeld aan het strafbare feit, terwijl deze bij relatieve klachtdelicten is gekoppeld aan het al dan niet bestaan van een familiaire relatie tussen de verdachte en het slachtoffer.