Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/I.2.5
I.2.5 De herroepelijkheid; geen element
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS581525:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Onder oud recht was dit anders. Heersende leer was dat het element herroepelijkheid (mede) het kenmerk van de uiterste wilsbeschikking vormde, Pitlo-Van der Burght, Erfrecht, nr. 37, Klaassen-Eggens-Luijten, Erfrecht, p. 42 en Van Mourik, Erfrecht, nr. 33. Anders Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht 6, nr. 75.
Afdeling 4.4.6 is geheel gewijd aan de herroeping van uiterste wilsbeschikkingen. Een herroeping is een uiterste wilsbeschikking in de zin van art. 4:42 lid 1 BW. Zie art. 4:42 lid 3 BW, TM, p. 340 en Memorie van Antwoord, 3771, nr. 6, p. 39. Zie voor de wijze van herroeping en de vormvoorschriften Handboek Nieuw Erfrecht (2002), F.W.J.M. Schols, p. 94 en Waaijer, p. 108.
Artikel 4:42 lid 2 BW leert dat, indien eenmaal vastgesteld is dat een rechtshandeling een uiterste wilsbeschikking is, de erflater de uiterste wilsbeschikking steeds eenzijdig kan herroepen. De herroepelijkheid is als dwingendrechtelijk rechtsgevolg gekoppeld aan de uiterste wilsbeschikking. De herroepelijkheid vormt geen element van het begrip uiterste wilsbeschikking.1,2 Over de herroepelijkheid handelt hoofdstuk II.