Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/4.7.2
4.7.2 De dubbele rechtsbetrekking van de statutair bestuurder
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS301196:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie vrijwel letterlijk in deze zin: HR 15 april 2005, JOR 2005/145, NJ 2005, 484 m.nt. GHvV, JAR 2005/153, (Eggenhuizen/Unidek), r.o. 3.4.2.
Aldus ook Heerma van Vos in zijn noot onder Eggenhuizen/Unidek (NJ 2005, 484); meer uitgebreid over de wetsgeschiedenis: Bennaars, SR 2006/29, waarin zij grondig en kritisch ingaat op hetgeen A-G Timmerman in zijn conclusie in Eggenhuizen/Unidek schrijft. Zie ook over de ondeelbaarheid van ontslag van een statutair bestuurder: Bennaars 2015, p. 224 e.v.
HR 26 oktober 1984, NJ 1985, 375 m.nt. Maeijer (Sjartin/Sjartec).
Dit geldt ook voor beëindiging van de arbeidsverhouding van de bestuurder van een vennootschap naar vreemd recht, aldus allereerst HR 15 september 1995, NJ 1996, 234, hetgeen bij de invoering van de Wwz is gecodificeerd.
Van der Ham heeft wel betoogd dat het vroegere vrijstellingsbesluit voor statutaire bestuurders van vennootschappen ook op de stichtingsbestuurder van toepassing was: Van der Ham, ArbeidsRecht 2008/50.
Er wordt een nieuw artikel(lid) voorgesteld, te weten artikel 2:9b lid 6 BW dat herstel door de rechter van de arbeidsovereenkomst voor alle bestuurders van rechtspersonen uitsluit, zie Kamerstukken II 2015/16, 34491, nrs. 2 en 3.
HR 13 november 1992, NJ 1993, 265 (Levison/MAB) en HR 17 november 1995, NJ 1996, 142 (Atlantic Nominees/Van den Elshout).
HR 15 april 2005, JOR 2005/145, NJ 2005, 484 m.nt. GHvV, JAR 2005/177(Eggenhuizen/Unidek) en HR 15 april 2005, JOR 2005/144, NJ 2005, 483, JAR 2005/153, (Bartelink/Ciris).
Pel, Adv.bl. 2005/12; Bennaars, SR 2006/29; Witteveen, annotatie bij HR 15 april 2015, JOR 144 en 145; Visser, PP 2005, p. 124-126; Beltzer, JAR Verklaard 2005/6, p. 3-6; Ruizeveld, SR 2005/54; Kortmann, AA 2005, p. 729-732; Grapperhaus, Ondernemingsrecht 2005/115; Nekeman, Bb 2005/48; Ten Have, V&O 2005/9.
Indien een vennootschap het ontslagbesluit met onmiddellijke ingang neemt en daarbij geen onderscheid maakt voor de arbeidsrechtelijke opzegging, gaat die opzegging van de arbeidsovereenkomst overigens wel onmiddellijk in, zie bijvoorbeeld Rb. Utrecht (ktr.) 26 oktober 2012, LJN BY 1303.
Berendsen en Wiersma, TOP 2006/3.
Zie Beltzer, annotatie bij HR 15 april 2005, JAR 2005/153 en Kortmann in zijn noot onder hetzelfde arrest in Kortmann, AA 2005, p. 729-732.
Een natuurlijk persoon die tot bestuurder van een vennootschap is benoemd, verricht zijn werkzaamheden veelal krachtens een arbeidsovereenkomst.1 Reeds bij de totstandkoming van de Wet op de arbeidsovereenkomst in 1907 is er welbewust voor gekozen dat een directeur in de regel als werknemer kan worden aangemerkt.2 Hiermee is de basis gelegd voor de zgn. dubbele rechtsbetrekking: tussen de bestuurder en de vennootschap bestaat zowel een vennootschapsrechtelijke als een arbeidsrechtelijke band.3
De arbeidsrechtelijke positie van de bestuurder verschilt overigens wel van die van de gewone werknemer. De toestemming van UWV, zoals bedoeld in artikel 7:671/671a BW, is voor het ontslag niet nodig, zo vloeit voort uit met name artikel 7:671 lid 1 sub e BW, waar het een arbeidsovereenkomst betreft met een bestuurder van een rechtspersoon van wie herstel van de arbeidsovereenkomst niet mogelijk is.4 Herstel van de arbeidsovereenkomst ten aanzien van bestuurders van naamloze en besloten vennootschappen is uitgesloten, aldus artikel 2:134 en 244 lid 3 BW. Ten aanzien van de bestuurder van een vereniging zij verwezen naar artikel 2:37 lid 6 BW, waarin eveneens is geregeld dat herstel van de arbeidsovereenkomst tussen een vereniging en haar bestuurder niet kan worden uitgesproken, waardoor ook deze bestuurder gezien het gestelde in artikel 7:671 lid 1 sub e BW geen ontslagbescherming in de vorm van een preventieve toetsing geniet. Er werd aanvankelijk niet gekozen, ook niet bij de invoering van de Wwz, voor een wettelijke uitbreiding naar bestuurders van bijvoorbeeld de stichting.5 Niettemin lijkt daarin verandering te gaan komen, nu er een wetsvoorstel aanhangig is dat ook de positie van de stichtingsbestuurder (met een arbeidsovereenkomst) op gelijke wijze behandelt.6 Bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de bestuurder gelden verder wel de normale regels van het arbeidsrecht, waaronder de opzegverboden.7
Vervolgens is met de zgn. 15-april-arresten uit 2005 een volgende, belangrijke stap gezet in de ontwikkeling van de rechtsleer betreffende de dubbele rechtsbetrekking. Deze komt erop neer dat waar de Hoge Raad twee afzonderlijke rechtsbetrekkingen onderscheidt, dit nog niet betekent dat beide rechtsbetrekkingen telkens ook expliciet afzonderlijk moeten worden beëindigd.8 De Hoge Raad stelde in deze arresten vast dat door een besluit dat strekt tot beëindiging van de vennootschapsrechtelijke band tevens een einde wordt gemaakt aan de arbeidsrechtelijke verhouding. Een ontslagbesluit heeft in beginsel ook beëindiging van de dienstbetrekking van de bestuurder tot gevolg of dit nu een ontslagbesluit door de vennootschap (AvA of Raad van Commissarissen) of van de bestuurder zelf is. Een uitzondering op deze hoofdregel is er slechts als er een wettelijk opzegverbod van toepassing is of indien partijen anders zijn overeengekomen, aldus de Hoge Raad.
De 15-april-arresten hebben indertijd aanleiding gegeven tot een omvangrijk debat in de literatuur.9 Breed gedragen wordt thans de conclusie, dat:
vennootschapsrechtelijk ontslag automatisch ook beëindiging van de arbeidsovereenkomst met zich brengt;
het moment waarop de vennootschapsrechtelijke band en de arbeidsovereenkomst eindigen kan verschillen (in verband met inachtneming van de arbeidsrechtelijke opzegtermijn10);
de opzegging van de arbeidsovereenkomst in de regel niet door (het bestuur van) de vennootschap kan plaatsvinden zonder dat er een geldig ontslagbesluit van het bevoegde orgaan (AvA of RvC) aan ten grondslag ligt;11
omgekeerd, in de situatie waarin eerst (of alleen) de arbeidsovereenkomst door een van partijen wordt beëindigd, niet automatisch het gevolg van die rechtshandeling is, dat daarmee ook de vennootschapsrechtelijke relatie tot een einde komt.12