Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht
Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/1.4:1.4 Plan van behandeling
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/1.4
1.4 Plan van behandeling
Documentgegevens:
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955516:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het tweede en derde hoofdstuk van dit onderzoek zijn gereserveerd voor een bespreking van het rechterlijk verbod. Het tweede hoofdstuk besteedt aandacht aan het verbod naar Nederlands recht. Aan de orde komen de historische ontwikkeling van de remedie, haar belang voor de rechtspraktijk en haar verhouding met het materiële recht. Vervolgens wordt aandacht besteed aan de rechtsplicht die de grondslag vormt voor het verbod, het beginsel van toewijzing en de uitzonderingen die daarop bestaan. In het derde hoofdstuk komen achtereenvolgens de achtergrond en doelstellingen van de Handhavingsrichtlijn, de discretionaire bevoegdheid van de rechter en de toewijzing van het verbod aan de orde.
Het vierde en vijfde hoofdstuk behandelen de inhoud van het evenredigheidsbeginsel en zijn relevantie voor het intellectuele-eigendomsrecht. Het vierde hoofdstuk vangt aan met een bespreking van het beginsel en zijn afzonderlijke elementen. Vervolgens komen de rol die het beginsel speelt in het Unierecht en een aantal grondrechten aan bod. Het vijfde hoofdstuk is toegespitst op de betekenis van het evenredigheidsbeginsel voor de maatregelen, procedures en rechtsmiddelen die zijn geregeld in de Handhavingsrichtlijn. Daarbij wordt ingegaan op de betekenis van het beginsel in de TRIPs-overeenkomst en de Handhavingsrichtlijn en de toepassing ervan in de rechtspraak van het Hof van Justitie.
Het zesde en zevende hoofdstuk richten zich op de betekenis van het evenredigheidsbeginsel voor het rechterlijk verbod. In het zesde hoofdstuk staat de vraag centraal hoe het evenredigheidsbeginsel de toewijzing en vormgeving van een verbod beïnvloedt. In het hoofdstuk wordt een concrete toets gepresenteerd aan de hand waarvan de rechter een verbod op evenredigheid kan toetsen. Deze toets wordt vervolgens toegepast op verschillende gevalstypen. In het zevende hoofdstuk komt ten slotte aan de orde hoe de evenredigheidstoets kan worden ingepast in het nationale recht, op een wijze die daarmee valt te verenigen. In dat licht wordt ook aandacht besteed aan de vraag of een codificatie van de toets noodzakelijk is. Het boek sluit af met een samenvatting.