De goede procesorde
Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.3.6.2:4.3.6.2 Verzuim appellant om van grieven te dienen in dagvaardingsprocedure
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.3.6.2
4.3.6.2 Verzuim appellant om van grieven te dienen in dagvaardingsprocedure
Documentgegevens:
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS381066:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 4 april 1997, NJ 1998, 220 (HJS), AA 1997, p. 864-869 (G.R. Rutgers).
HR 5 januari 1973, NJ 1973, 147 (DJV).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
171. Verzuimt appellant om de memorie van grieven binnen de daarvoor door de rechter gestelde termijn te nemen, dan vervalt in beginsel het recht daartoe ingevolge art. 133 lid 4 Rv, dat op grond van art. 353 Rv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is. Uit het arrest Van Schaik/Verboom-Hekman1 blijkt dat appellant in een dergelijk geval niet altijd erop kan rekenen dat art. 6 EVRM of de eisen van een behoorlijke rechtspleging hem zullen redden. In deze zaak was appellant in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, nadat de rolrechter - volgens appellant ten onrechte - had geconstateerd dat niet op tijd was geconcludeerd voor eis. In cassatie betoogde appellant dat de rechtbank, door hem het recht te ontnemen alsnog te concluderen en haar niet-ontvankelijk te verklaren, in strijd met de beginselen van een behoorlijke rechtspleging en de eisen van art. 6 EVRM had gehandeld. Daarop overwoog de Hoge Raad:
'Voor zover het middel erover klaagt dat art. 6 EVRM en de eisen van een behoorlijke rechtspleging meebrengen dat in een geval als het onderhavige de rolrechter wegens het ingrijpende karakter van de beslissing en de mogelijkheid van vergissingen een extra termijn aan de betrokken partij dient te geven om haar alsnog de gelegenheid te geven haar verzuim(en) te herstellen, faalt het. Immers, van een procureur mag als professionele procesvertegenwoordiger worden verwacht dat hij na verlening van een peremptoir uitstel, aan de niet inachtneming waarvan, behoudens een hier niet ter zake doende uitzondering, op grond van art. 3.7 van het rolreglement de sanctie is verbonden dat de toegestane proceshandeling niet alsnog kan worden verricht, ervoor zorg draagt dat die proceshandeling tijdig en met inachtneming van de voorgeschreven formaliteiten wordt verricht. De enkele mogelijkheid van een vergissing behoeft de rolrechter derhalve niet ervan te weerhouden om art. 3.7 toe te passen.'
172. Deze beslissing lijkt streng in vergelijking met de in het vorige hoofdstuk besproken mogelijkheden die de Hoge Raad heeft geschapen om verzuimen bij de inleiding van het geding, zoals het verzuim van tijdige inschrijving ter rolle en het verzuim van eiser/appellant om in rechte te verschijnen, te herstellen. De Hoge Raad spreekt echter niet uit dat een extra termijn, ingeval van een ongelukkige vergissing, nimmer mag worden verleend. In het algemeen, maar ook in dit concrete geval, kan appellant daar echter geen aanspraak op maken.
Dit uitgangspunt doet recht aan de zorgvuldigheid die in de procesvoering van appellant in hoger beroep mag worden verlangd met het oog op de belangen van de wederpartij. Het gaat dan in het bijzonder om het belang van de wederpartij om duidelijkheid te krijgen over de vraag of appellant het hoger beroep doorzet en, zo ja, op welke gronden en om het belang van de wederpartij om binnen een afzienbare termijn duidelijkheid te verkrijgen over de houdbaarheid van het bestreden vonnis. Ook doet de beslissing recht aan het algemeen belang dat bij de rechtspleging is betrokken, in het bijzonder het belang van een doelmatige procesvoering binnen een redelijke termijn. Men bedenke hierbij dat een partij die - na eerder verleend uitstel - een laatste, peremptoir uitstel heeft verkregen voor het verrichten van een proceshandeling, er van doordrongen dient te zijn dat termijnoverschrijding verval van de mogelijkheid om de betreffende proceshandeling te verrichten tot gevolg heeft. Een extra termijn komt in wezen neer op het - nogmaals - verlenen van uitstel en, zo betoogt A-G Asser in zijn conclusie voor het arrest: 'zo kan men doorgaan'.
Uiteindelijk schoot de Hoge Raad appellant in deze zaak overigens toch nog met een beroep op de eisen van een behoorlijke rechtspleging te hulp, zij het via een heel andere weg. Gelet op het ingrijpende gevolg van het niet concluderen voor eis, brachten deze eisen volgens de Hoge Raad immers mee dat de rolrechter op grond van een verzoek om een naar het oordeel van de indiener tijdig bij de rechtbank ingediende memorie van grieven alsnog aan te merken als tijdig te zijn genomen, dan wel voor het nemen daarvan een rolzitting aan te wijzen, moet nagaan 'of zich de situatie voordoet dat hij in weerwil van het feit dat hij bij incidenteel vonnis een eindbeslissing heeft gegeven, inhoudende dat het recht van appellant om te concluderen vervallen wordt verklaard, daarop moet terugkomen'. Voor de aanvaarding van een dergelijke uitzondering is volgens de Hoge Raad plaats als 'bijzondere, door de rechter in zijn desbetreffende beslissing nauwkeurig aan te geven omstandigheden het onaanvaardbaar zouden maken dat hij aan een dergelijke eindbeslissing zou zijn gebonden (...)'. Daarbij zal de wederpartij in ieder geval in de gelegenheid moeten worden gesteld om te reageren op het verzoek, aldus de Hoge Raad, en ook een afwijzing van het verzoek zal de rolrechter moeten motiveren.
In par. 53.5 zal uitgebreider worden ingegaan op de eisen van een goede of behoorlijke procesorde of rechtspleging in verband met de mogelijkheid van de rechter om op een eerder gegeven beslissing terug te komen.
173. Vóór de herziening van het procesrecht per 1 januari 2002 kon het gebeuren dat appellant bij vergissing in de memorie van grieven enkel verwees naar de gronden en middelen opgenomen in de dagvaarding. Een dergelijke verwijzing was immers gebruikelijk in de conclusie van eis in eerste aanleg, die met de herziening van het procesrecht kwam te vervallen. In het arrest Artois/Dullens2 besliste de Hoge Raad echter dat een dergelijke 'evidente vergissing' niet fataal behoefde te zijn. Niet viel aan te nemen, aldus de Hoge Raad, dat de wetgever met art. 347 Rv, dat slechts één conclusiewisseling toestaat, in dit soort gevallen, waarin ieder debat over het geschil zelf achterwege is gebleven, iedere mogelijkheid tot herstel van de begane vergissing heeft willen afsnijden. Veeleer viel aan te nemen dat
'het antwoord op de vraag of zodanig herstel mogelijk is, niet wordt beheerst door art. 347, eerste lid, maar door de eisen van een goede procesorde, in dier voege dat de rechter zich behoort af te vragen of in het gegeven geval de eisen van een goede procesorde zich al dan niet tegen inwilliging van het verzoek verzetten'.
Evenals uit het hierboven besproken arrest Van Schaik/Verboom, volgt ook uit dit arrest niet dat appellant aanspraak kan maken op de mogelijkheid zijn verzuim bij het nemen van de memorie van grieven te herstellen. De eisen van een goede procesorde, en daarmee de omstandigheden van het geval, zijn bepalend voor de vraag of de rechter een herstel zal toestaan of niet. Veel zal afhangen van de vraag of het voor geïntimeerde duidelijk was dat appellant zich had vergist en van de vraag of geïntimeerde onredelijk in haar gerechtvaardigde belangen, in het bijzonder haar verdediging en haar belang bij het spoedig verkrijgen van duidelijkheid over de gronden waarop de bestreden beslissing wordt aangevallen, zou worden geschaad indien appellant de mogelijkheid wordt gegeven zijn vergissing te herstellen. Duidelijk moge zijn dat appellant de schade kan beperken door met bekwame spoed nadat hij de vergissing heeft bemerkt, te trachten deze te herstellen.