Verbondenheid in het belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.1:6.1 Inleiding
Verbondenheid in het belastingrecht (FM nr. 128) 2008/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
Dr. R.N.F. Zuidgeest, datum 20-11-2008
- Datum
20-11-2008
- Auteur
Dr. R.N.F. Zuidgeest
- JCDI
JCDI:ADS610258:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Inkomen uit werk en woning (box 1) - niet-winst
Onbekend (V)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De inkomstenbelasting wordt geheven van natuurlijke personen. Het inkomensbegrip van de belasting gaat uit van het bronnenstelsel. Kort gezegd is sprake van een bron van inkomen indien in verband met het verdienen van dat inkomen wordt deelgenomen aan het maatschappelijke verkeer, waarbij een geldelijk voordeel wordt beoogd, terwijl dat voordeel in redelijkheid ook kan worden verwacht.
In economische zin is de inkomstenbelasting een directe belasting. Het uitgangspunt van de heffing is namelijk dat deze wordt gedragen door de persoon van wie de belasting wordt geheven. De inkomstenbelasting wordt voorts getypeerd als een draagkrachtbelasting: als gevolg van de gedeeltelijk progressieve tariefstructuur leidt de belasting in zekere zin tot inkomensherverdeling. Stevens (2001) beschrijft dat behalve het draagkrachtmotief, ook de instrumentele functie een belangrijke rol is gaan spelen in de inkomstenbelasting. Overigens heeft het draagkrachtbeginsel sinds de invoering van de boxenstructuur vanaf 1 januari 2001 aan belang moeten inboeten. Heithuis, Kavelaars en Schuver (2007) merken in dit verband op dat het draagkrachtbeginsel inmiddels vooral een symbolische plaats inneemt en dat de instrumentele functie leidend is geworden.
In dit hoofdstuk onderzoek ik waarom ‘verbondenheid’ relevant is voor de heffing van inkomstenbelasting, en op welke plaats en welke wijze hiermee rekening wordt gehouden in de Wet IB 2001. Zoals is beschreven in hoofdstuk 1, analyseer ik hoe de verschillende fiscale begrippen zich verhouden tot de wijze waarop verbondenheid tot uitdrukking komt in de bedrijfseconomie, het ondernemingsrecht, het jaarrekeningenrecht en het personen- en familierecht. Voorts worden de begrippen beoordeeld op enkele rechtstheoretische aspecten, namelijk neutraliteit, het gebruik van een open norm dan wel een scherpe norm en de uniformiteit van definities. Na de beoordeling van elk verbondenheidsbegrip worden waar nodig aanbevelingen gedaan tot optimalisatie van de omschrijving. Bij deze analyse wordt steeds rekening gehouden met de aard en functie van de begrippen.
In de voorgaande hoofdstukken is onderscheid gemaakt tussen begrippen waarin de verbondenheid met een lichaam wordt omschreven en definities voor de relatie tussen natuurlijke personen. Ten aanzien van de verbondenheidsbegrippen in de inkomstenbelasting kan in beginsel een zelfde onderscheid worden gehanteerd. Echter, in sommige regelingen in de Wet IB 2001 komen begrippen uit beide categorieën voor. Voor een goed overzicht en ter voorkoming van doublures is ervoor gekozen om de begrippen uit deze twee categorieën niet in afzonderlijke paragrafen te behandelen. Voordat ik deze verbondenheidsbegrippen onderzoek, ga ik in op enkele thema’s en regelingen waarin ‘verbondenheid’ wel een rol speelt, maar geen wettelijke vorm heeft gekregen in de Wet IB 2001.