Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/8.7.1
8.7.1 Heffing van successierecht/erfbelasting
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232411:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 5 § 3 Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten van 16 januari 1986.
Ann Rasschaert, Marijke De Raedt en Wim Putzeys (eindredactie), Tiberghien - Handboek voor fiscaal recht 2016-2017, vijfendertigste druk, Mechelen: Wolters Kluwer 2016, nr. 2107.
Vgl. Philippe Vanbellen & Laurence D’huyvetter, De fiscale krachtlijnen van de regeerakkoorden 2015, Mechelen: Wolters Kluwer 2015, p. 219.
Ayfer Aydogan, ‘De private stichting in vogelvlucht’, Nieuwsbrief Notariaat, nr. 1 weken 1 en 2, 2016. Een voorbeeld was de afwijkende interpretatie van artikel 9 Wetboek der successierechten met het materieel gelijkluidende artikel 2.7.1.07 VCF door Vlabel (Standpunt 15.004), zoals vernietigd door de Belgische Raad van State, Afdeling Bestuursrechtspraak 12 juni 2018, arrest 241.761 in de zaak A. 219.405/XIV-37.059.
Rik Deblauwe, Inleiding tot de Successierechten, Herentals: Knops Publishing 2013, nr. 488.
Arbitragehof 22 juni 2005, nr. 107/2005, B.S. 4 juli 2005, heeft artikel 1 van het decreet van het Waalse Gewest van 22 oktober 2003 houdende wijziging van de artikelen 48 en 54 van het Wetboek der successierechten vernietigd in zoverre dat het heffingspercentage hoger dan 80% vaststelt op de schijf hoger dan € 175.000, wegens onverenigbaarheid met de Grondwet.
Na het beperkte onderzoek naar de Nederlandse en de Duitse bij dode opgerichte stichting in de erfbelasting, is het nu de beurt aan de heffing van belastingen van de Belgische bij dode opgerichte stichting. Hierbij valt direct op dat de wens algemeen nut beogende instellingen fiscaal minder zwaar te belasten dan andere instellingen ook in België bestaat. Het voordeel dat de Belgische fiscale wetgever heeft en de Nederlandse en Duitse niet, is dat in België voor elke private stichting de eis van belangeloos doel geldt en dat ook aan het doel van de stichting van openbaar nut moet zijn gericht op werkzaamheden van filantropische, levensbeschouwelijke, religieuze, wetenschappelijke, artistieke, pedagogische of culturele aard (zie 4.3.2.3). Alleen al om deze reden hoeft de Belgische regelgeving geen voorzieningen te bevatten ten aanzien van ANBI’s of APV’s die op stichtingen van toepassing zijn.
Voordat ik inga op de heffing van belasting over (erfrechtelijke) verkrijgingen, geef ik eerst een korte toelichting op de bevoegdheid tot heffing in België. In het federale België is de bevoegdheid tot het heffen van successierechten toebedeeld aan de gewesten.1 Tot 2015 gebruikten de drie gewesten, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het federale Wetboek der successierechten waarop de drie gewesten ieder hun eigen aanpassingen hadden. Zo ontstonden drie ‘versies’ van het Wetboek der successierechten. Deze wetboeken werden aangeduid met de toevoeging van het betreffende gewest. Zo werd dus de Vlaamse uitvoering aangeduid als Wetboek der successierechten Vlaams Gewest. Sinds 1 januari 2015 is dat echter veranderd ten aanzien van het Vlaams Gewest. Per 1 januari 2015 heeft dit gewest een ‘eigen’ wetgeving successiewetgeving. Deze wetgeving is opgenomen in hoofdstuk 7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (VCF).2 De inhoud van hoofdstuk 7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit is voor een groot deel overgenomen uit het Wetboek der successierechten, met gelijktijdige afschaffing voor het Vlaams Gewest van een groot deel van dit Wetboek der successierechten (artikel 5.0.0.0.1. onder 4° VCF).3 Met de eigen successiewetgeving, heeft Vlaanderen ook de inning, de invordering en de afhandeling van administratieve beroepen naar zich toegetrokken zodat deze niet langer bij de federale belastingdienst berusten maar bij de eigen Vlaamse belastingdienst, de Vlabel. Dit heeft tot gevolg dat de interpretatie van de successiewetgeving, ook al is deze in heel België materieel gelijk, in Vlaanderen toch kan afwijken van die in de rest van België, waar de federale belastingdienst nog verantwoordelijk is voor de inning, de invordering en de afhandeling van administratieve beroepen.4 Een van de nieuwigheden in Vlaanderen is dat ook daar, net als in Nederland, afscheid is genomen van de term ‘successierecht’ en thans wordt gesproken van erfbelasting. In de overige gewesten is de benaming successierecht niet gewijzigd.
Nu dan aandacht voor de heffing van erfbelasting/successierecht bij de stichting. Een stichting is in België onderworpen aan de heffing van erfbelasting. Het tarief is echter gematigd ten opzichte van het algemene tarief.5 Het tarief voor het Vlaams Gewest bedraagt voor zowel de private stichting als de stichting van openbaar nut 8,5% (artikel 2.7.4.2.1. onder 10° VCF), 7% in het Waals Gewest voor zowel de private stichting als de stichting van openbaar nut (artikel 59 onder 2 Wetboek der successierechten Waals Gewest) en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 6,6% voor de stichting van openbaar nut en 25% voor de private stichting (artikel 59 onder 1, respectievelijk onder 2 Wetboek der successierechten Brussels Hoofdstedelijk Gewest).
Deze tarieven liggen beduidend lager dan het algemene tarief voor niet-verwanten in België. Het algemene vreemdentarief is voor het Vlaams Gewest 45%-55%, voor het Waalse Gewest 30%-90%6 en voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 40%-80%.
Naast het successierecht/de erfbelasting, ken België nog de taks tot vergoeding van successierechten. Deze heffing is niet toegewezen aan de gewesten en geldt dus voor geheel België. Het tarief van de taks tot vergoeding van successierechten bedraag 0,17%. Dit klinkt bescheiden, maar toch kan deze heffing een stichting zwaar op de maag komen te liggen vanwege de heffingsgrondslag.