Financiële controle in het gemeenterecht
Einde inhoudsopgave
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/4.2.2.0:4.2.2.0 Introductie
Financiële controle in het gemeenterecht (Dissertatieserie Vakgroep Staatsrecht Groningen) 2011/4.2.2.0
4.2.2.0 Introductie
Documentgegevens:
dr. W. van der Woude, datum 21-09-2011
- Datum
21-09-2011
- Auteur
dr. W. van der Woude
- Vakgebied(en)
Overheidsfinanciën (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 13 december 1950, Stb. 1950, 575.
In art. 255 Gemeentewet — dat handelde over de rekening van de 'inkomsten en uitgaven, niet behoorende tot een tak van dienst' — werd namelijk bepaald dat het college van burgemeester en wethouders 'een verslag van een onderzoek naar de deugdelijkheid der rekening ingesteld door de overeenkomstig art. 265bis aangewezen deskundige' bij de rekening diende te voegen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel de vóór de bezetting geldende Gemeentewet na de bevrijding in ere werd hersteld, werd bij een gemeentewetswijziging in 1950 gedeeltelijk teruggegrepen en voortgeborduurd op de door de bezetter ontworpen regeling. 1 Daarin werd het verband versterkt, dat tijdens de bezetting was gelegd tussen de boekhoudkundige en de deskundige. Vanaf 1950 bepaalde de Gemeentewet dat zij dezelfde persoon waren en voortaan schuil zouden gaan onder de noemer "deskundige". De wetgever zorgde eveneens — net als de bezetter — dat de Gemeentewet vanaf 1950 onomstotelijk vaststelde welk orgaan bevoegd was tot het aanwijzen van de deskundige. Het belangrijkste verschil met de regels van de bezetter was dat deze aanwijzing diende te geschieden door de raad, die eveneens door middel van nadere regelstelling in staat werd gesteld de deskundige aan te sturen (art. 265bis).
Ten aanzien van de controle van de administratie van de Ontvanger of de andere rekenplichtige ambtenaren (ook op dit punt is de regelgeving van de bezetter grotendeels overgenomen) kwam de verplichte betrokkenheid van de deskundige in versterkte mate terug in de wetswijziging van 1950. Het zwaartepunt van deze controle kwam te liggen bij de deskundige die de controle van de boekhouding van de comptabele ambtenaren vanaf die tijd eigenhandig (dus niet in de vorm van bijstand aan het college) voor zijn rekening nam. De deskundige oefende zijn taak uit met inachtneming van de artt. 265quater tot en met 265sexies, waarin enige procedurevoorschriften (265quater), verplichtingen tot inzage (265quinquies) en voorzieningen bij schorsing, ontslag of overlijden van een comptabele ambtenaar (265sexies) waren opgetekend.
Ten aanzien van de controle van de jaarrekeningen ging de wetgever in 1950 een stapje verder dan men in 1931 of in de bezettingsperiode was gegaan. De betrokkenheid van de deskundige werd niet langer beperkt tot de jaarrekeningen van de takken van dienst, maar werd uitgebreid met de gehele jaarrekening.2