Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.5.3.2:4.5.3.2 Een vergelijking van de functie van art. 167a Sv en het klachtvereiste
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.5.3.2
4.5.3.2 Een vergelijking van de functie van art. 167a Sv en het klachtvereiste
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946242:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover meer uitgebreid: hoofdstuk 5, paragraaf 4.
HR 23 maart 1993, NJ 1993/722.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met het oog op de verhouding tussen het klachtvereiste en het in art. 167a Sv vervatte hoorrecht is een belangrijke vraag of en in hoeverre beide rechtsfiguren dezelfde functie vervullen. Daarop volgt de vraag of een verschil in functie verklarend is voor de hierboven beschreven uiteenlopende wijze waarop het klachtrecht en het hoorrecht invulling krijgen in de rechtspraktijk.
De regeling van klachtdelicten is gestoeld op de grondgedachte dat de vervolging van bepaalde strafbare feiten kan leiden tot grotere schade voor het persoonlijk belang van het slachtoffer dan dat het openbaar belang wordt geschaad door het achterwege blijven van vervolging van die feiten. Om die reden is het persoonlijk belang van de betrokkene bij klachtdelicten vooropgesteld door vervolging uitsluitend op zijn of haar klacht toe te staan. Na het indienen van die klacht beslist het openbaar ministerie over de opportuniteit van de vervolging. De klacht raakt daarmee niet aan de belangenafweging die het openbaar ministerie maakt in het kader van het opportuniteitsbeginsel.1 In paragraaf 2.4 is voorts beschreven dat het al dan niet indienen van een klacht normaliter niet van invloed is op de wederrechtelijkheid en materiële strafwaardigheid van de gedraging en dat dit slechts bij een aantal specifieke klachtdelicten in het verleden anders is geweest. Dit betrof onder meer de klachtdelicten in de zedenwetgeving. Zo beschreef de Hoge Raad dat uit de wetsgeschiedenis inzake art. 247 Sr volgt dat het klachtvereiste bij die bepaling ten doel had
“de in de vervolgingsmogelijkheid tot uiting komende strafwaardigheid ter beoordeling van de klachtgerechtigde te doen staan, zodat bij het ontbreken van een klacht in de zin van art. 164 Sv ook de strafwaardigheid van de desbetreffende handelingen komt te ontbreken”.2
Het klachtvereiste had in de zedenwetgeving het doel om evenwicht te bieden door kinderen tussen 12 en 16 jaar te beschermen tegen seksueel misbruik én die jeugdigen tegelijkertijd te beschermen tegen aantasting van hun groeiende seksuele vrijheid. Die tweeledige functie wordt sinds de vervanging van het klachtvereiste door art. 167a Sv in de zedenwetgeving vervuld door het hoorrecht. De wetsgeschiedenis aangaande art. 167a Sv maakt – zoals ook is beschreven in paragraaf 5.2.3.2 – duidelijk dat het standpunt van de betrokkene zeer wel van belang is voor de beoordeling van het materiële feitencomplex en specifiek de strafwaardigheid van de gedraging. Uit die wetsgeschiedenis volgt bijvoorbeeld dat – ook indien het handelen valt binnen hetgeen in de strafbepaling is beschreven – seksueel verkeer tussen adolescenten of tussen een jonge meerderjarige en een 15-jarige die daarvoor vrijelijk hebben gekozen geen ontucht is.3 Met het oog op de te nemen vervolgingsbeslissing dient het bij de minderjarige ingewonnen standpunt dus mede inzichtelijk te maken of en in hoeverre de gedraging strafwaardig moet worden geacht en of vervolging in dit licht is aangewezen.
De in de vorige paragraaf beschreven verschillen tussen het klachtvereiste en het hoorrecht laten zich goed verklaren in het licht van de hierboven beschreven uiteenlopende functies van beide rechtsfiguren. Dat opsporing en vervolging bij gebreke aan een klacht achterwege dienen te blijven, sluit aan op de grondgedachte dat de wetgever bij de betreffende klachtdelicten voorrang wil geven aan het belang van de betrokkene die niet wil worden geconfronteerd met een rechtsgang die ongewenste ruchtbaarheid voor de feiten met zich kan brengen. Het is de klachtgerechtigde daarmee gegeven om te beslissen of opsporing en vervolging al dan niet mogelijk zijn. Bij zedendelicten heeft men daarentegen niet één belang voorop willen stellen. Het doel is immers het vinden van evenwicht tussen effectief overheidsoptreden tegen seksueel misbruik en de bescherming van de seksuele vrijheid van jeugdigen. Met het oog op het bewaken van die balans is het niet geraden de mogelijkheid van opsporing en vervolging uit te sluiten tot een bepaald moment en dit afhankelijk te maken van de opvatting van de minderjarige betrokkene.
Het voorgaande maakt duidelijk dat de functie die (eerst het klachtvereiste en nadien) het hoorrecht in de zedenwetgeving dient te vervullen wezenlijk verschilt van hetgeen in beginsel wordt beoogd met het klachtvereiste. Mijns inziens is de vervanging van het klachtvereiste in de zedenwetgeving door een hoorrecht dan ook een gelukkige zet van de wetgever. Die wetswijziging leidt ertoe dat ten aanzien van de resterende klachtdelicten sprake is van een uniforme toepassing van het klachtvereiste die aansluit op het grondbeginsel dat de hoeksteen vormt voor de regeling van klachtdelicten. De klachtdelicten in de zedenwetgeving betroffen de laatste klachtdelicten waarbij het al dan niet indienen van de klacht direct van invloed was op de beoordeling van de strafwaardigheid van de onderliggende gedraging. Bij de resterende klachtdelicten raakt het al dan niet indienen van een klacht niet aan de beoordeling van het strafwaardige karakter van de gedraging, maar ziet dit op een oordeel van de klachtgerechtigde over de wenselijkheid van de vervolging. Ook met het oog op de in de zedenwetgeving beoogde doelstelling is de vervanging van het klachtvereiste door een hoorrecht een vooruitgang. Het zoeken naar evenwicht tussen de verschillende te beschermen belangen kan immers beter geschieden door de betrokkene te horen dan door met een klachtvereiste in beginsel voorrang te geven aan één van de betrokken belangen. Effectief overheidsoptreden tegen misbruik kan immers in het gedrang komen indien dit optreden pas mag volgen na een klacht. Daarnaast kan de betrokkene een vervolging onwenselijk achten, terwijl de gedraging ook als ongewenst (en daarmee strafwaardig) is ervaren. Met het hoorrecht kan beter tegemoet worden gekomen aan dit soort nuances dan met een klachtvereiste.