Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.4.4.1
6.4.4.1 Valsheid, listigheid en samenspanning
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS468079:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem 3 juli 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BX4962. En voor een recenter voorbeeld: Fida20176183.
Hoge Raad 3 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2692 (BNB 1999/199).
Zie Hof Amsterdam 25 april 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ9392.
Eén van de vele voorbeelden: Hof Amsterdam 10 juni 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM8888.
Hof Amsterdam 4 november 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AF2626. Ook het misbruiken van btw-nummers van buitenlandse afnemers ter verhulling van het feit dat het werkelijk om binnenlandse leveringen ging, kan als listig worden bestempeld (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 mei 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:3047, r.o. 4.16.2).
Zie Hof Amsterdam 2 december 2014, r.o. 4.8, ECLI:NL:GHAMS:2014:9532.
Overigens hoeft dit zich niet te beperken tot vergrijpboeten. Zie voor een geval van strafverzwaring bij een verzuimboete in de sfeer van de motorrijtuigenbelasting: Hof Amsterdam 25 april 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ9389.
Haas 2015, p. 107-108.
Als valsheid gepaard gaat met oplichting dan moet het OM kiezen voor het ten laste leggen van het zwaardere valsheiddelict (zie Richtlijn voor strafvordering oplichting, 1 maart 2015. 2015R014, Stcrt. 2015, 4240).
Zie bijvoorbeeld de artikelen 96 Sr en 122 Sr.
En wel bij zakkenrollerij, tasjesroof of straatroof. Overigens wordt bij de listige wijze waarop de roof heeft plaatsgevonden gerefereerd aan een uitvoering in georganiseerd verband, wat er wederom op wijst dat listigheid en samenspanning elkaar overlappen (zie www.rechtspraak.nl voor de betreffende oriëntatiepunten).
Zie het Protocol AAFD van 1 juli 2015, onderdeel 2.2, letter f (BLKB/2015/572M, Stcrt. 2015, nr. 17271).
Zie Schuyt, p. 179-187.
Zie bijvoorbeeld de Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude van 1 maart 2015, 2015R032, Stcrt. 2015, 4401.
Zie voor de algemene lijn: Aanwijzing kader voor strafvordering en OM- afdoening van 1 maart 2015, 2015A001, Stcrt. 2015, 4952.
Richtlijn voor strafvordering wederspannigheid van 1 maart 2015, 2015R003, Stcrt. 2015, 4227.
Zie Schuyt, p. 200.
Omschrijving
Paragraaf 8 van het BBBB vermeldt de strafverzwarende omstandigheden, waaronder de categorie ‘valsheid, listigheid en samenspanning’ (lid 8). Deze omstandigheden vormen vanaf het VAB 1993 een afzonderlijke categorie. Vóór 1993 maakten ze in het beleid onderdeel uit van het containerbegrip ‘ernstige fraude’ (zie hoofdstuk 2, onderdeel 2.9.3.3, onder a).
Valsheid, listigheid en samenspanning – begrippen die overigens lastig van elkaar te onderscheiden zijn – zijn vormen van strafverzwarende handelingen die zien op de wijze waarop het beboetbare feit is begaan. Van valsheid is bijvoorbeeld sprake als een onjuiste aangifte het gevolg is van valse facturen1 of het voeren van een valse (kilometer)administratie. Bij listigheid kan gedacht worden aan BTW-carrouselfraudes2 of gebruikmaking van duplicaat-kentekenplaten van een andere, aan de belanghebbende toebehorende, auto.3 Listigheid wordt ook vaak verondersteld bij het stallen van vermogen in een land met een bankgeheim.4 Ook het verhullen van verzwegen omzet door het inschakelen van een familielid van de belastingplichtige werd als een vorm van listigheid gezien.5 In geval van samenspanning werkt de belastingplichtige samen met andere personen om de fraude te bewerkstelligen. Dit is bijvoorbeeld het geval als een afnemer en leverancier samen afspreken om de inkoop van goederen buiten de administraties te houden onder andere door contant af te rekenen.6
Strafdoelen
Valsheid, listigheid en samenspanning werken strafverzwarend bij vergrijpboeten en niet zozeer bij verzuimboeten.7 Dit blijkt onder meer uit het eerste lid van paragraaf 8 van het BBBB. Het feit dat de strafverzwaring exclusief ziet op vergrijpboeten zou dus kunnen wijzen op datgeen wat vergrijpboeten onderscheidt van verzuimboeten: de aanwezigheid van opzet of grove schuld. Daarbij merk ik op dat het moeilijk voor te stellen is dat de intentie die over het algemeen gepaard zal gaan met valsheid, listig handelen of samenspanning, zich zal voordoen binnen een grofschuldige context. Met andere woorden, valsheid, listigheid en samenspanning kunnen alleen een strafverzwarende werking hebben als opzet kan worden bewezen. Haas zegt hierover dat ‘sprake moet zijn van opzettelijk handelen en dat het niet zal gaan om ‘normale’ gevallen van belastingontduiking waarbij de Belastingdienst opzettelijk onjuiste gegeven wordt verstrekt of juiste gegevens wordt onthouden’.8
De strafverzwaring op grond van valsheid, listigheid of samenspanning hangt dus samen met de mate van verwijtbaarheid, hier een vorm van bovengemiddeld opzettelijk handelen. De bovengrens voor straftoemeting kan in deze gevallen uit het oogpunt van vergelding naar boven worden bijgesteld.
Waardering en weging
De aanwezigheid van valsheid, listigheid of samenspanning werkt niet altijd strafverzwarend. In de rechtspraak zijn namelijk gevallen terug te vinden waarin deze factoren slechts gebruikt worden voor het bewijs van het delictsbestanddeel (voorwaardelijk) opzet. Strafverhoging op grond van die factoren is dan vaak niet (meer) aan de orde. Wordt valsheid, listigheid of samenspanning wel als specifiek redengevend voor het verhogen van een vergrijpboete opgevoerd, dan gaat de inspecteur over het algemeen over tot een verdubbeling van de opzetboete van 50% naar 100%, conform het achtste lid van paragraaf 8 van het BBBB.
De vraag die dan opkomt, is of de verhoging met 50% – die aandoet als een standaardverhoging – in alle gevallen van valsheid, listigheid of samenspanning gerechtvaardigd is. Opzet kent immers verschillende gradaties, variërend van voorwaardelijke opzet, noodzakelijkheids- en zekerheidsbewustzijn tot en met het oogmerkvereiste. Aangezien voor het opleggen van een opzet-vergrijpboete het bewijs van de lichtste opzetvorm volstaat, namelijk het voorwaardelijke opzet, dan zou mijns inziens het standaardboetepercentage van 50% gekoppeld moeten zijn aan het aanwezig zijn van voorwaardelijk opzet. Een hogere boete uit hoofde van een hogere mate van verwijtbaarheid zou dan geënt moeten zijn op de andere, zwaardere opzetgradaties. Met andere woorden, niet elke valsheid, listigheid of samenspanning leidt automatisch tot de veronderstelling dat de belastingplichtige het oogmerk had het beboetbare feit te begaan.
Een ander vraagpunt betreft de causaliteit tussen enerzijds de valsheid, listigheid en samenspanning en anderzijds het begaan het fiscaal beboetbare feit. Ik zie namelijk een verschil tussen een valse factuur die daadwerkelijk bedoeld is om een onjuiste aangifte te doen en een valse factuur die weliswaar onderdeel uitmaakt van de vergrijpboetegrondslag maar waar de belastingplichtige in aanvang andere bedoelingen mee had. In het laatste geval zou ook gesproken kunnen worden over een zekere vorm van samenloop (zie onderdeel 6.4.7.2).
Strafrecht
Ook in het Wetboek van Strafrecht zijn strafbepalingen te vinden die refereren aan valsheid, listigheid en samenspanning, zij het niet in de vorm van bijkomende, strafverzwarende omstandigheden maar als zelfstandig strafbaar feit of als delictsbestanddeel. Zo is valsheid in geschrifte op grond van artikel 225 Sr zelfstandig strafbaar en zijn het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid en gebruikmaking van listige kunstgrepen vormen van oplichting (artikel 326 Sr).9 Daarnaast kent het Wetboek van Strafrecht verschillende, zelfstandige samenspanningsdelicten, met name op het terrein van de staatsveiligheid en terrorismebestrijding.10 Voor deze delicten definieert artikel 80 Sr samenspanning als volgt: ‘Samenspanning bestaat zodra twee of meer personen overeengekomen zijn om het misdrijf te plegen’.
De strafvorderingsrichtlijnen van het OM maken geen melding van valsheid of listigheid als strafverzwarende factor. In de oriëntatiepunten voor straftoemeting die de strafrechter hanteert, wordt slechts een enkele keer verwezen naar de ‘buitengewoon listige manier’ waarop het delict heeft plaatsgevonden.11
Nader over samenspanning in het strafrecht
In het fiscale strafrecht is vooral samenspanning een strafverzwarende factor van belang. Zo is de medewerking van een adviseur, een deskundige derde of een douane-expediteur in de fiscaliteit een verzwarende omstandigheid die wordt meegewogen bij de keuze voor een bestuursrechtelijke of strafrechtelijke afhandeling.12
Het tiende lid van paragraaf 8 van het BBBB geeft aan dat er naast de strafverzwarende omstandigheden die in de voorgaande leden zijn benoemd (zoals samenspanning), ook andere factoren kunnen spelen bij strafverzwaring. Volgens lid 11 kan daarbij onder meer gedacht worden aan de aanvullende wegingscriteria van het protocol AAFD, waaronder de ‘medewerking van adviseur, deskundige derde of douane-expediteur’. Dit laatste criterium lijkt naar mijn mening echter verschillende verschijningsvormen van samenspanning te behelzen, waardoor in het BBBB een soort dubbeltelling ontstaat. Het lijkt me raadzaam om dit bij een volgende versie van het BBBB te herstellen of te verduidelijken.
Daarnaast kennen verschillende commune delicten strafverzwarende delictsbestanddelen die betrekking hebben op samenwerking met anderen. Opmerkelijk is dat de bewoordingen van die bestanddelen – die qua bewijsvoering overigens overeenkomsten vertonen met het medeplegen van artikel 47 Sr – nogal uiteenlopen, evenals de mate van strafverhoging.13
In de strafvorderingsrichtlijnen van het OM wordt medeplegen vaak als strafverzwarende omstandigheid genoemd, ook als het delict geen specifieke, wettelijke strafverzwaringsgrond kent.14 In dat geval geven de richtlijnen geen indicatie van de waarde van het medeplegen, maar wordt volstaan met het vermelden ervan. Als de strafvordering daarentegen betrekking heeft op een delict waarbij de wet expliciet een strafverzwarende vorm van medeplegen heeft geformuleerd, dan geeft de betreffende richtlijn over het algemeen een waarde aan voor de mate van strafverhoging.15
Overigens hoeft dit niet te betekenen dat de mate van strafverzwaring bij strafvordering in relatieve zin gelijk is aan het hogere, wettelijke strafmaximum. Zo bedraagt de strafeis voor een first offender voor reguliere wederspannigheid (artikel 180 Sr; maximaal 1 jaar, geldboete derde categorie) € 350 en voor wederspannigheid ‘door twee of meer personen met verenigde krachten gepleegd’ (artikel 182, lid 1 Sr; maximaal 6 jaren, geldboete vierde categorie) het dubbele: € 700.16
‘Met voorbedachten rade’
Zoals gezegd zijn valsheid, listigheid en samenspanning gedragingen die voorafgaand aan het fiscale beboetbare feit hebben plaatsgevonden. De verklaring voor hun strafverhogende werking volgt uit de causaliteit tussen deze voorbereidende gedragingen en het uiteindelijke, strafwaardige gevolg. De intentie die samengaat met de voorafgaande handelingen, gevolgd door het opzettelijk begane delict, maakt het geheel bovengemiddeld verwijtbaar. In die zin zijn deze strafbare voorbereidingshandelingen wellicht te vergelijken met gedragingen die invulling geven aan het strafrechtelijke begrip ‘met voorbedachten rade’. ‘Voorbedachten rade’ is een strafverzwarende factor die in het Wetboek van Strafrecht is opgenomen bij enkele zware commune delicten (zoals bij moord: artikel 289 Sr) en die in de regel leidt tot een substantiële verhoging van de maximale, wettelijke vrijheidsbenemende straf.17