Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/14.1:14.1 Inleiding
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/14.1
14.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940700:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het bewijsrecht is volgens het EHRM in eerste instantie een nationaalrechtelijke aangelegenheid.1 Ook voor de keuze, weging en waardering van de bewijsmiddelen moet daarom worden teruggegrepen op de algemene regels van fiscaal bewijsrecht.2 Daaruit volgt dat als uitgangspunt voor de boeteoplegging in fiscalibus ook op dit punt de vrije bewijsleer geldt.
Uit paragraaf 7.3.9 is naar voren gekomen wat die vrije bewijsleer betekent. Het oordeel over de geloofwaardigheid van de gepresenteerde bewijsmiddelen is exclusief overgelaten aan de feitenrechter. De feitenrechter bepaalt zelfstandig op welke bewijsmiddelen hij zijn oordeel baseert. Daarbij is hij allereerst vrij om een bepaald bewijsmiddel te aanvaarden of juist af te wijzen (de keuze of selectie van bewijsmiddelen). Daarnaast staat de beoordeling van de bewijskracht van elk van de geselecteerde bewijsmiddelen (de weging of waardering van bewijsmiddelen) volledig te zijner discretie.
In fiscale bestuurlijke boetezaken moet als buitengrens wel de norm van de fair hearing van art. 6 EVRM in acht worden genomen. In paragraaf 14.2 komt allereerst aan bod welke invloed die norm heeft op de vrije keuze, weging en waardering van de bewijsmiddelen. Vervolgens ga ik in paragraaf 14.3 nader in op de wijze waarop de vrije keuze, weging en waardering uitmondt in de rechterlijke overtuiging dat het beboetbare feit is begaan. In paragraaf 14.4 sta ik uitgebreid stil bij de volle rechterlijke toetsing van de strafmaat. Ten slotte sluit ik in paragraaf 14.5 af met conclusies.