Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.4.2
II.4.2 Achtergrond
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460398:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht van de historische ontwikkeling onder meer Gritter 2007b, par. 2.2.1; De Valk 2009, par. 5.3.1.
Roef & De Roos 1998, p. 58.
Smidt/Smidt 1891, p. 450-451.
Gritter 2007b, p. 33 met verdere verwijzingen.
Gritter 2007b, par. 2.2.1; Wolswijk 2007a, par. 3.2.
De Hullu 2018, p. 121; Gritter 2007b, p. 35-36.
Zie Gritter 2007b, p. 35-38, en Gritters verwijzingen naar wat Torringa schrijft over de fiscale strafbepalingen. Torringa 1984, p. 8.
Kamerstukken II, 1947/48, 603, nr. 3, p. 19. De Valk 2009, p. 294. De Hullu 2018, p. 121-122; Gritter 2007b, par. 2.4.2. Zie ook HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, NJ 2006/328, m.nt. Mevis; M&R 2004/53, m.nt. Hendriks (Drijfmest), r.o. 3.2.2, 3.2.3 en 3.3.
De Valk 2009, p. 295, Kamerstukken II 1975/76, 13655, nr. 3, p. 18.
Kamerstukken II 1975/76, 13655, nr. 3, p. 7, 14-16. De Valk 2009, p. 279.
De Hullu 2018, p. 171. Eerder bestond de opvatting dat een rechtspersoon sommige delicten uit het commune strafrecht niet kón plegen omdat deze delicten te fysiek van aard zouden zijn, zoals bigamie, verkrachting of luchtpiraterij; zie o.a. Torringa 1988, p. 29. Met De Hullu meen ik dat deze opvatting niet (langer) houdbaar is. Hoe dan ook, het belang van de discussie of een rechtspersoon elk delict kan plegen kan worden gerelativeerd, nu niet omstreden is dat een rechtspersoon kan deelnemen aan ieder feit. Daardoor kan de rechtspersoon ook (als deelnemer) kwaliteitsdelicten begaan waarvan deze geen normadressaat is. De Hullu 2018, p. 166-168, 170-171, 175.
Over de (beperkte) aansprakelijkheid van publiekrechtelijke rechtspersonen, zie De Valk 2009, par. 5.6.
Een eenmanszaak wordt echter niet gelijkgesteld aan een rechtspersoon. De eenmanszaak kan dus niet strafrechtelijk worden vervolgd, en de leidinggevende van een eenmanszaak is gelet op het accessoriteitsvereiste geen feitelijk leidinggever. Functioneel daderschap blijven voor hen nog wel een optie. Hornman 2016a, p. 43.
Oorspronkelijk kon naar Nederlands strafrecht alleen een natuurlijk persoon een strafbaar feit plegen.1 De opvatting bestond dat een rechtspersoon – als juridische constructie – niet eigenhandig de (fysieke) gedragingen kan verrichten die een strafbaar feit opleveren.2 In de toelichting op het Wetboek van Strafrecht schreef Modderman over rechtspersonen: “Een strafbaar feit kan alléén worden gepleegd door den natuurlijken persoon. De fictie der regtspersoonlijkheid geldt niet op het gebied van het strafregt”.3 Bovendien werd het onrechtvaardig geacht dat een hele gemeenschap moest boeten voor het handelen van de vertegenwoordigers van de rechtspersoon.4 Als in het kader van een rechtspersoon een strafbaar feit plaatsvond, werden daarom slechts de betrokken natuurlijke personen vervolgd.5
In de eerste helft van de twintigste eeuw was er wel meer aandacht voor strafbare feiten begaan in het kader van rechtspersonen, vooral in de economische sfeer. Dit vertaalde zich in bijzondere delicten die bestuurders en commissarissen strafrechtelijk aansprakelijk stelden voor delicten die zijn begaan binnen een rechtspersoon.6 Halverwege de twintigste eeuw kwam in het strafrecht ook de rechtspersoon zelf in beeld. Aanvankelijk kon de rechtspersoon slechts aansprakelijk worden gesteld voor een aantal specifieke strafbare feiten, en dan met name fiscale delicten.7
De invoering van de Wet Economische Delicten in 1951 zorgde voor veel nieuwe aansprakelijkheidsmogelijkheden van de rechtspersoon; het toenmalige artikel 15 lid 1 WED bevatte de algemene regel dat ook rechtspersonen economische delicten konden begaan. Lid 2 van het artikel bevatte een richtsnoer voor de toerekening, die erop neerkomt dat de rechtspersoon dader is wanneer (natuurlijke) personen “die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde handelen in de sfeer van de rechtspersoon (..)” het economische delict hebben begaan. Los van deze handreiking liet de wetgever de rechter veel ruimte om het leerstuk van daderschap van rechtspersonen verder te ontwikkelen, waarbij de mogelijkheid van toerekening buiten het sfeercriterium om bewust open werd gelaten.8
Met het loslaten van het fysieke handelingsbegrip en het objectiveren van opzet en schuld is er ruimte ontstaan om ook in het commune strafrecht rechtspersonen aansprakelijk te stellen. In lijn met deze ontwikkeling werd in 1976 in het Wetboek van Strafrecht uitdrukkelijk erkend dat een strafbaar feit behalve door een natuurlijk persoon ook kan worden begaan door een rechtspersoon (art. 51 lid 1 Sr).9Artikel 51 Sr bevat geen nieuwe regeling voor de strafbaarheid van rechtspersonen; de regeling van artikel 15 WED (oud) werd – ontdaan van het sfeercriterium10 – slechts veralgemeniseerd.11 Zodoende was het daderschap van rechtspersonen dus niet langer beperkt tot economische delicten of andere bepalingen uit het bijzondere strafrecht. Door artikel 51 lid 1 Sr kan een rechtspersoon in beginsel ieder delict (dus ook milieudelicten) begaan.12
Dan is het nog goed om te verduidelijken welke entiteiten precies bedoeld worden met ‘rechtspersoon’ in de zin van artikel 51 Sr lid 1. Onder het bereik van dit artikel vallen in ieder geval de rechtspersonen die worden erkend in het civiele recht, zoals de besloten vennootschap, de naamloze vennootschap, de stichting, en de vereniging (artikel 2:3 BW); kerkgenootschappen (artikel 2:2 BW); en diverse overheidslichamen (artikel 2:1 BW).13 In aanvulling op de civielrechtelijk erkende rechtspersonen wordt in het derde lid van artikel 51 Sr enkele entiteiten zonder rechtspersoonlijkheid, zoals een maatschap en een rederij, gelijkgesteld aan rechtspersonen.14