Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.4.1
II.4.1 Inleiding
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460397:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. De Valk 2009, p. 557; De Hullu 2008, p. 170. Overigens lijkt het me ook mogelijk dat rechtspersonen bij bepaalde delicten ‘rechtstreeks’ – dus zonder functionele interpretatie of toerekeningsformule – een delict kunnen plegen. Hierbij denk ik aan omissiedelicten of bij delictsgedragingen die inherent niet (enkel) fysiek zijn, zoals de verplichting uit een vergunningsvoorschrift dat de inrichting moet ‘beschikken over brandwerende deuren’. Voor het schenden van deze verplichting heeft een rechtspersoon waar de inrichting is ondergebracht toch echt geen natuurlijke personen nodig.
Dit hoofdstuk gaat over de strafrechtelijke aansprakelijkheid van leidinggevenden. Toch verdient het daderschap van de rechtspersoon ook enige aandacht. Dit omdat een leidinggevende alleen kan worden aangesproken via de aansprakelijkheidsfiguur ‘feitelijk leidinggeven’, indien de rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan. Dus vanwege het accessoire karakter van de – voor dit proefschrift belangrijke – deelnemingsvorm feitelijk leidinggeven, is enige kennis van het daderschap van de rechtspersoon nodig. Bovendien is kennis hierover nuttig om een indruk te krijgen van de overeenkomsten en verschillen tussen de aansprakelijkheid van natuurlijke personen en rechtspersonen.
Hierna bespreek ik in vogelvlucht de kenmerken van en criteria voor het daderschap van de rechtspersoon. Ik begin in paragraaf II.4.2 met een schets van de achtergrond en historische ontwikkeling van de plaats van de rechtspersoon in het strafrecht, als kader voor de daarna te bespreken criteria voor het daderschap van de rechtspersoon. Er wordt wel gezegd dat het daderschap van de rechtspersoon per definitie verloopt via toerekening, omdat de rechtspersoon – een juridische constructie – niet zelf de handelingen kan verrichten die een strafbaar feit opleveren.1 Voor de toerekening is in het zogenaamde Drijfmest-arrest een aantal aanknopingspunten geformuleerd. In paragraaf II.4.3 bespreek ik dit standaardarrest voor het daderschap van een rechtspersoon, en vervolgens ga ik ook in op de afzonderlijke aanknopingspunten die in het arrest zijn geformuleerd. Een rechtspersoon kan door toerekening niet alleen een delict plegen, maar ook deelnemen aan een strafbaar feit. In paragraaf II.4.4 ga ik kort in op andere daderschapsvormen die op de rechtspersoon van toepassing kunnen zijn. Ik rond af met een conclusie in paragraaf II.4.5.
Omdat het daderschap van de rechtspersoon in het kader van dit hoofdstuk over de strafrechtelijke milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden slechts een bijrol speelt, zal ik in deze paragraaf niet te uitgebreid ingaan op de nadere invulling van de vereisten voor het daderschap van de rechtspersoon in het kader van het milieustrafrecht. Ik geef in deze paragraaf alleen een algemene schets van de vereisten voor daderschap van de rechtspersoon. Waar mogelijk zal ik bij het bespreken van de daderschapscriteria nog wel enkele voorbeelden geven uit het milieustrafrecht, en in de voetnoten verwijzen naar relevante milieustrafzaken.