Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/III.2.2.b
III.2.2.b Het belang van de vennootschap
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS374909:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Steenbergen (1988), p. 171.
Aldus ook Losbl. Rp. (Roest), art. 336, aant. 4.
Zie Asser-Maeijer 2-111 (2000), nr. 293. Maeijer definieenle in zijn inaugurele rede (eveneens opgenomen in Serie VH1, deel 100, p. 141-162) het vennootschappelijk belang voor de eerste keer. Hij was fel gekant tegen de idee van Lfiwensteyn (1959), p. 136 en 184, dat het belang niets anders is dan het belang van alle aandeelhouders om winst te behalen, zie p. 143 van voornoemd boek. Maeijer pleitte veelvuldig voor de door hem gehanteerde definitie van vennootschappelijk belang, zie onder meer de Van Schilfgaarde-bundel (2000), p. 283; en ook RM Themis 1990, p. 465. De laatstgenoemde publicatie was een bespreking van de oratie van Mendel (1989), p. 3-5, die de benadering van Maeijer 'holistisch' vond, maar in Maeijers ogen was Mendel 'zonder meer een aanhanger van de 'holistische' opvatting'.
Het woord 'kamp' komt uit Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 394. De huidige bewerkers van dit Asser-deel (Rechtspersonenrecht, De naamloze en besloten vennootschap) hebben — anders dan Maeijer — een voorkeur voor de resultante-benadering. Volgens hen wordt de oordeelsvorming van de rechter bij die zienswijze juist vergoot omdat de af te wegen deelbelangen tegenover elkaar worden gezet, zie nr. 394-395.
Handboek (1992), nr. 231 en 274; Van Schilfgaarde/Winter (2009), nr. 4; en Timmerman (1990), p. 7-8. Van Timmerman (2005), p. 6-7, mag het vennootschappelijk belang een 'rommelpot van uiteenlopende belangen' blijven. Het terugbrengen tot een toverformule acht hij niet nodig. Zie ook Timmerman (2009), nr. 10-15, die als eerste beginsel van ondernemingsrecht formuleerde: 'binnen een vennootschap wordt een veelheid van belangen nagestreefd die tegen elkaar worden afgewogen.' Hij zag (nr. 13) dat in Nederland het aandeelhoudersbelang op de lange termijn aan een opmars bezig was. De Kluiver vroeg zich af waar bij Timmerman het vennootschappelijk belang was gebleven en had kritiek op de zienswijze dat bij de afweging van belangen het primaat ligt bij het aandeelhoudersbelang op de lange termijn, zie De Kluiver (2009), nr. 19-21. Tot slot meent Roest, in Losbl. Rp. (Roest), art. 336, aant. 4, dat een formele omschrijving het beste past. Zij sluit zich aan bij de resultante-benadering, waarbij onduidelijk is of het achterwege laten van 'de met haar verbonden onderneming' betekenis heeft.
Van Schilfgaarde/Winter (2009), nr. 4.
Zie Asser-Maeijer 2-111 (2000), nr. 293: 'Het vennootschappelijk belang heeft evenveel juridische realiteit als de rechtspersoon-vennootschap zelf.'
Van Schilfgaarde/Winter (2009), nr. 4.
Zie art. 2:140/250 lid 2 BW voor de taakomschrijving van de raad van commissarissen. Zie voorts HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434 (ABM Amro) en HR 9 juli 2010, JOR 2010/228 (ASMI). Zie het voorgestelde art. 129/239 lid 5 van het Wv Bestuur en toezicht voor de taakomschrijving van het bestuur: Kamerstukken 31 763, nr. A (Wv).
Zie HR 30 juni 1944, NJ 1944, 465 (Wennex); HR 13 november 1959, NJ 1960, 472 (Melchers); en HR 19 februari 1960, NJ 1960, 473 (Aurora).
Zie ook Maeijer (1964), p. 152-153.
Zie in dit verband ook Timmerman (2005), p. 6: `(...) voor mij geldt: the concrete situation is almost everything. Dat vennootschappelijke belang hoeft niet tot een toverfonnule (...) te worden teruggebracht. Zo'n formule verhult voor mij de echte afwegingspmblemen.'
De uit te stoten aandeelhouder moet het belang van de vennootschap schaden. Het vennootschappelijk belang is in gevaar doordat de besluitvorming wordt gefrustreerd of 'anders uitvalt dan gewenst'.1 Niet iedere schade geeft tot uitstoting aanleiding, het belang moet 'zodanig' aangetast zijn dat het handhaven van de aandeelhouder in redelijkheid uitgesloten is. Het lastige is dat in de literatuur discussie bestaat over de inhoud van het begrip 'vennootschappelijk belang'. Dit strookt niet geheel met het uitgangspunt dat de uitstoting een ingrijpende gebeurtenis is die met waarborgen omgeven dient te zijn. Zo heeft de wetgever bewust voor de dagvaardingsprocedure gekozen, en was ook voorzien in een verplichte deskundigenbenoeming voor een zorgvuldige prijsbepaling. Over de inhoud van de norm waaraan de rechter toetst, is echter geen overeenstemming.2
Veel gezag heeft de definitie van Maeijer, die het vennootschappelijk belang als een zelfstandig belang ziet. Het gaat om het belang dat de vennootschap heeft bij haar eigen gezonde bestaan, uitgroei en voortbestaan met het oog op het door haar te bereiken doel. De 'gezondheid' van de aan de vennootschap verbonden onderneming valt binnen deze omschrijving. Maeijer tekent aan dat het belang van het vennootschappelijk voortbestaan niet een absolute grootheid is. Het belang verbleekt indien het geïnvesteerde kapitaal onvoldoende oplevert.3
Het andere 'kamp' staat een resultante-benadering voor ogen.4 Volgens het Handboek (en ook Van Schilfgaarde/Winter) geldt de resultante van de belangen van hen die bij de vennootschappelijke werkzaamheden zijn betrokken. Na de afweging van de in die concrete situatie betrokken belangen, is dat het vennootschappelijk belang. De volgende factoren leggen gewicht in de schaal: de grootte van de vennootschap, de aard van haar activiteiten en de scheiding van management en aandeelhouderschap. Indien er veel werknemers zijn en de activiteiten meer omvattend, wegen andere belangen dan de aandeelhoudersbelangen zwaarder. Maar het belang van de aandeelhouder blijft altijd één van de factoren.5
In beide visies is het vennootschapsbelang dus niet een in absolute zin bepaalbare grootheid.6 Het bezwaar — van voornamelijk Maeijer — tegen de resultante-benadering is dat alles in één smeltkroes wordt gegooid. Het zou zuiverder zijn het vennootschappelijk belang als grootheid te onderscheiden. Dit brengt een inzichtelijker rechtsvinding en enigszins systematische analyse van de aan de redelijkheid en billijkheid inherente belangenafweging mee. Het vennootschappelijk belang is als zelfstandig belang meer dan een geheel van de deelbelangen van bijvoorbeeld dat van de werknemers of de (gezamenlijke) aandeelhouders.7 De resultante-aanhangers brengen daartegen in dat Maeijer het belang teveel lijkt te verzelfstandigen. Ook is zijn definitie teveel gericht op de uitgroei en het voortbestaan van de vennootschap. Onder omstandigheden kan het in het belang van de vennootschap zijn dat zij zich ontbindt.8
De in academische kring gevoerde discussie speelt in de praktijk wellicht minder. Een ter discussie staande toetsingsnorm is echter niet ideaal. Daar staat tegenover dat over de functie van het begrip 'vennootschappelijk belang' minder verschil van inzicht bestaat. De omstandigheden van een specifieke uitstotingscasus zullen voor de rechter meewegen in zijn oordeel of de norm geschonden is. Het resultaat van de toets aan de open norm zal veelal resulteren in een uitkomst waarin de juiste belangenafweging tot uidrukking komt.9
Toch ben ik ongelukkig met de keuze voor het vennootschappelijk belang als te schaden belang bij uitstoting. Dit belang is namelijk in de eerste plaats een richtsnoer voor het handelen van de raad van commissarissen en het bestuur.10 De aandeelhouders hoeven zich niet primair te laten leiden door dit belang. Zij mogen hun eigen belang nastreven. In zijn jurisprudentie overwoog de Hoge Raad meermalen dat de aandeelhouder met het stemrecht een eigen recht is gegeven. De aandeelhouder is niet een recht in het belang van anderen toevertrouwd. Het staat de aandeelhouder in beginsel vrij om zijn eigen recht op zodanige wijze uit te oefenen als hij dienstig oordeelt.11 De grens aan het nastreven van het eigen belang ligt in de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW. Dit is een gedragsnorm die voor de bij de vennootschap betrokkenen geldt, en dus ook voor de aandeelhouder.12 Dit sinds jaar en dag heersende uitgangspunt strookt niet met de gedachte dat de aandeelhouder kan worden uitgestoten indien hij het vennootschappelijk belang schaadt. Het is namelijk niet een belang dat hij direct in acht behoort te nemen. Het lijkt alsof de aandeelhouder via de achterdeur van art. 2:336 BW opeens toch niet alleen zijn eigen belang mag dienen. Dit is contrair aan de door de Hoge Raad in 1944 uitgezette lijn.
Volgens mij is het dus zuiverder een andere norm voor uitstoting te vinden, die beter in het systeem van het vennootschapsrecht past.13 Ik verwijs hiervoor naar § 111.4.