Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/18.3.1.6
18.3.1.6 Voortzetting (reëel) toezichtsonderzoek na verdenking; doorgifte verklaringen aan OM
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498255:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 14.5.2.2 hiervoor.
Zie nader Luchtman 2007, onderdeel 4. Schrijver wijst erop dat er in Nederland geen hiërarchisch onderscheid bestaat tussen wetsuitvoering, toezicht en opsporing. Als er een opsporingsonderzoek is gestart, hoeven toezichts- of uitvoeringsactiviteiten niet te worden gestaakt. Deze kunnen nog doorlopen, bijvoorbeeld omdat de definitieve belastingschuld nog niet vaststaat.
Omdat de strafkamer van de HR (nog) niet is geroepen om daarover iets te zeggen, is niet duidelijk of de door de belastingkamer van de HR (als boeterechter) geformuleerde bewijsuitsluitingsregel voor verklaringen ex art. 47, lid 1, onder a AWR, een evenknie in de (fiscale) strafrechtspraak kent.
Zie § 8.4.2.2 hiervoor.
Vgl. HR 30 juni 2009, NJ 2009, 349.
Zie § 7.5 hiervoor.
Doorgifte verklaringen is geen reden voor beroep op art. 29 Sv
Bij een vermoeden van fraude dat voldoet aan de in het Protocol AAFDopgenomen (aanmeldings)criteria voor strafrechtelijke vervolging1, zal de inspecteur zijn toezichtsonderzoek gewoonlijk onderbreken. Omdat een hiërarchische verhouding tussen controle en opsporing ontbreekt, kan de inspecteur zijn onderzoek echter voortzetten nadat een strafrechtelijke verdenking is gerezen.2art. 29 Sv belet niet dat de inspecteur de van de verdachte voor heffingsdoeleinden verkregen inlichtingen ex art. 47, lid 1, onder a AWR doorgeeft aan het OM. Deze mogelijkheid is geen reden om de medewerking aan een toezichtsonderzoek te weigeren.3
Dit laat onverlet dat informatieverstrekking eraan bijdraagt dat de gelding van het nemo tenetur-beginsel in de fiscaal-strafvorderlijke sfeer wordt teruggedrongen. Althans, wanneer het gaat om inlichtingen die in de fiscale opsporingssfeer niet van de verdachte zelf kunnen worden verkregen (vanwege het zwijgrecht of anderszins) of wel van de verdachte (kunnen) worden verkregen, maar niet voor het punitief bewijs worden uitgesloten (op grond van art. 6 EVRM of anderszins)4. Overigens komt uit de strafrechtspraak het beeld naar voren dat verklaringen ex art. 47, lid 1, onder a AWR niet of nauwelijks voor het bewijs in fiscale strafzaken worden gebruikt (of de verdediging daartegen geen verweer voert).
Ik merk volledigheidshalve op dathet EVRM-zwijgrecht niet in het geding lijkt als verklaringen ex art. 47, lid 1, onder a AWR die de inspecteur doorgeeft aan het OM, worden gebruikt als startinformatie voor (strafvorderlijk) onderzoek.5 Als het aan de strafrechter gepresenteerde bewijs(materiaal) voor een fiscaal delict rechtstreeks op genoemde verklaringen steunt, dan zal de verdachte die deze ‘bewijsvruchten’ van het strafproces wil (doen) uitsluiten, deze causaliteit moeten bewijzen.6 Hierbij teken ik aan dat de uitsluiting van bewijsvruchten in Straatsburg geen automatisme is.7