De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.2.2.2:21.2.2.2 Onvermogen tot het instellen van een vordering wegens een feitelijke verhindering
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.2.2.2
21.2.2.2 Onvermogen tot het instellen van een vordering wegens een feitelijke verhindering
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS365292:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
BR 13 juni 1952, NJ 1953, 558 nt. PhANH.
IR 11 oktober 2002, NJ 2002, 558.
R.o. 3.7.
BR 23 oktober 1998, NJ 2000, 15.
R.o. 3.3.1.
BR 25 juni 1999, NJ 2000, 16.
Publicaties waarop de Hoge Raad met de woorden 'naar aanleiding van deze arresten verschenen literatuur' het oog kan hebben zijn Tjittes, A&V 1999 (in het bijzonder p. 57); Brunner, Themis 2001 en Smeehuijzen, WPNR 2003 (1) en (2).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 3:310 lid 1 BW bepaalt kort gezegd dat de relatieve termijn begint te lopen bij bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon. De praktijk heeft inmiddels bewezen dat zich gevallen kunnen voordoen waarin de benadeelde weliswaar bekend is met schade en aansprakelijke persoon, maar hij desondanks wegens een feitelijke verhindering niet in staat is zijn vordering in te stellen.
Het bekendste voorbeeld vormen de seksueel misbruikzaken. Daar is het slachtoffer direct na het misbruik bekend met de schade en de aansprakelijke persoon, maar is zij ondanks die wetenschap niet in staat haar vordering te gelde te maken doordat zij daartoe psychisch niet in staat is. Voorts is te denken aan lichamelijk onvermogen (comateuze toestand) en het wettelijk verbod een vordering in te stellen.1
Na het Saelman-arrest is duidelijk hoe deze kwestie moet worden opgelost: de relatieve termijn vangt pas aan "op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen", dus pas nadat de verhindering die de benadeelde ervan weerhield tot juridische actie te komen, is opgehouden te bestaan.
Pas sinds het Saelman-arrest geldt onverkort dat de relatieve termijn eerst aanvangt als de benadeelde daadwerkelijk in staat is zijn vordering in te stellen. Daarvoor hanteerde de Hoge Raad de zogenaamde "toerekeningsconstructie". Daarover nader verderop in deze paragraaf, maar eerst nog een opmerking over het begrip "verhindering".
Het is aannemelijk dat, om de aanvang van de termijn te doen opschorten, de verhindering niet absoluut hoeft te zijn. Vanuit de gedachte dat het er ten gronde op aankomt op welke moment van de benadeelde redelijkerwijze verwacht mag worden dat hij zijn vordering instelt, moet worden aangenomen dat men onder "verhinderende omstandigheden" ook kan rekenen die omstandigheden die weliswaar geen absolute verhindering vormen, maar die voor het instellen van de vordering van de benadeelde wel een onevenredig groot offer vragen. Onevenredig in de betekenis van: onevenredig groot in verhouding tot het belang van de debiteur bij het tijdige instellen van de vordering.
Het volgende arrest2 kan dat demonstreren. Bij een in 1966 geboren vrouw worden door haar stiefoom gedurende een aantal jaren, eindigend in de eerste helft van 1981 (derhalve als de vrouw 14 of 15 is) meermalen ontuchtige handelingen verricht. Op 1 februari 1993 (dus als zij 26 of 27 is en 12 jaar na beëindiging van het misbruik) heeft de vrouw terzake aangifte gedaan. Bij brief van 2 september 1994 heeft de Officier van Justitie haar bericht dat de zaak in verband met verjaring van de mogelijk gepleegde strafbare feiten was geseponeerd. Toen de vrouw aangifte deed, volgde zij een (deeltijd-)therapie bij het RIAGG. Sinds de zomer van 1994 was zij opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. De vrouw heeft de stiefoom op 25 mei 1998 voor het eerst aansprakelijk gesteld voor de door haar ten gevolge van de handelingen geleden schade.
Lezing van het bovenstaande doet neigen tot de conclusie dat de vordering wel verjaard zal zijn. De vrouw was blijkens haar aangifte op 1 februari 1993 in staat te ageren, zodat die datum een voor de hand liggend aanvangsmoment is voor de relatieve verjaringstermijn; aansprakelijkstelling op 25 mei 1998, zijnde meer dan vijf jaar later, is dan te laat. Ook het hof had die gedachte, maar overwoog vervolgens: "5.2. [Verweerster] heeft echter een brief in het geding gebracht van de psychiater M. van Egmond-van Es d.d. 24 juni 1999 die uit dossieronderzoek heeft opgemaakt dat [verweerster] ten tijde van de aangifte erg angstig was, dissocieerde en automutileerde en dat het RIAGG haar na haar gesprek met de politie heeft afgeraden verdere stappen te ondernemen omdat zij psychotisch dreigde te worden. [Eiser] heeft de brief op de hiervoor vermelde punten niet bestreden en in dit verband slechts naar voren gebracht dat de inhoud van de door Van Egmond geraadpleegde rapporten en verslagen door hem niet kan worden getoetst. Dit laatste staat echter niet in de weg aan de juistheid van de bevindingen van Van Egmond en het hof gaat van die juistheid uit, te meer nu de brief wordt ondersteund door de in eerste aanleg overgelegde brief van H.J. de Heer, klinisch psycholoog, van 13 mei 1998. De Heer vermeldt daarin dat eerdere aanzetten tot het nemen van actie (dan, zo begrijpt het hof, de aansprakelijkheidstelling van 28 mei 1998) bij [de vrouw] leidden tot ernstige toename van de symptomatologie. [De man] heeft deze brief op dit punt evenmin bestreden.
5.3. Uit de overgelegde aangifte en uit vermelde brieven in samenhang met elkaar gelezen, leidt het hof af dat de gestelde aan [de man] toe te rekenen ziekte van [de vrouw] ten tijde van de aangifte weliswaar in een zodanige fase was gekomen dat zij over het seksuele misbruik kon verhalen en zich ervan bewust was dat zij daardoor ziek was geworden, maar dat redelijkerwijs niet van haar kon worden gevergd dat zij toen (ook) een rechtsvordering tegen [de man] zou instellen. Het doen van aangifte heeft haar kennelijk zeer opgebroken en het hof leidt uit meervermelde brieven ook af, dat haar ziekte [de vrouw] tot in 1998 verhinderde haar rechten op schadevergoeding tegen [de man] geldend te kunnen maken."
Aldus verwierp het hof het beroep op verjaring. De man kwam hiertegen op in cassatie, onder andere stellende dat niet sprake was van een absolute verhindering voor de vrouw om haar rechten vanaf het moment van de door haar gedane aangifte geldend te maken,
nu zij op zichzelf wel in staat was de vordering geldend te maken, maar zij heeft gemeend daaraan geen gevolg te kunnen of moeten geven, omdat dit zou leiden tot ernstige toename van de symptomatologie. De Hoge Raad overwoog:3
"Het onderdeel faalt, nu het Hof de hiervoor in 3.6 vermelde regel heeft toegepast. Het Hof is in rov. 5.3 van zijn arrest tot de slotsom gekomen dat haar ziekte [de vrouw] tot in 1998 verhinderde haar rechten op schadevergoeding tegen [de man] geldend te maken. Anders dan het onderdeel kennelijk veronderstelt, is het Hof derhalve niet ervan uitgegaan dat [de vrouw] haar vordering wel geldend had kunnen maken, maar dat zij in verband met de gevolgen voor haar geestelijke gezondheid ervan heeft afgezien daaraan gevolg te geven."
Lezing van 's hofs arrest doet met het middel meevoelen dat eigenlijk het hof het instellen van die vordering door de vrouw weliswaar mogelijk achtte, maar voor haar schadelijk en dus verschoonbaar nagelaten: het hof zet uitvoerig gemotiveerd uiteen waarom van de vrouw redelijkerwijze niet verwacht mocht worden dat zij een vordering instelde — het instellen van die vordering zou haar grote psychische schade berokkenen — maar tovert vervolgens in de laatste zin van r.o. 5.3 min of meer uit de hoge hoed het oordeel dat uit meervermelde brieven ook tot het oordeel leiden dat zij verhinderd was haar vordering in te stellen.
Als gevolg van die motiveringstournure van het hof hoefde de Hoge Raad niet de vraag te beantwoorden waar het werkelijk om ging, namelijk: neemt de relatieve verjaringstermijn een aanvang zodra iemand in de strikte zin van het woord in staat is zijn vordering in te stellen, of wordt het aanvangsmoment opgeschort zolang het instellen van de vordering bij de benadeelde psychische schade teweeg brengt? Het is aannemelijk dat inderdaad het ontstaan van ernstige psychische schade bij eiser een omstandigheid is die de verjaringstermijn van aanvang weerhoudt. Dit om de volgende redenen.
Dat verjaring gerechtvaardigd is als de schuldeiser in staat was zijn vordering in te stellen, vloeide voort uit de gedachte dat in dat geval het afwenden van de verjaring van de schuldeiser geen reëel offer vergt; hij heeft het verlies van zijn vordering aan zijn eigen nalatigheid te danken. Dat verwijt is de vrouw hier niet te maken: men kan niet van haar verwachten dat zij zichzelf ernstige psychische schade aandoet ter incassering van een geldvordering. Het nadelige gevolg van tijdsverloop kan dus niet krachtens een verwijt op haar worden afgewenteld. Dat nadeel op een andere grond, bijvoorbeeld "risico", voor haar rekening te brengen is niet juist omdat niet zij, maar de man de noodzaak tot het instellen van de vordering in het leven heeft geroepen. Men kan de redenering in deze seksueel misbruiksituatie nog verharden: de man behoort niet te profiteren van de (mede) door hem zelf veroorzaakte psychische instabiliteit van de vrouw.
Een rechtshistorisch getinte opmerking: vanuit de gedachte dat de relatieve termijn "de rechtszekerheid" dient, oordeelde de Hoge Raad vóór het Saelman-arrest dat in beginsel moet worden vastgehouden aan het in art. 3:310 lid 1 BW verwoorde aanvangsmoment en dat de aanvang slechts wordt opgeschort als de omstandigheden die de benadeelde verhinderen zijn vordering in te stellen, aan de debiteur moeten worden toegerekend.
Die toerekeningsconstructie werd geïntroduceerd in wat gedurende vijf jaar als het standaardarrest over de relatieve verjaringstermijn werd beschouwd, te weten het seksueel misbruik-arrest.4 De feiten waren de volgende:
Een op 2 november 1959 geboren vrouw werkte van 1977 tot november 1989 (dus van haar 18C tot haar 30') in het poeliersbedrijf van haar zwager. Zij werd door hem in de periode van 1 januari 1980 tot 1 januari 1989 (dus van haar 20C tot haar 29C) seksueel misbruikt. De zwager werd in een strafzaak voor dit misbruik veroordeeld. Op 27 januari 1994 — dus meer dan vijf jaar na beëindiging van het misbruik — dagvaardde zij hem tot vergoeding van inkomensschade en tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van NLG 70 000.
De zwager verweerde zich primair met de stelling dat de vordering verjaard was. Tegen het verjaringsverweer voerde de vrouw aan dat de verjaringstermijn pas aanvangt op het moment waarop zij over het misbruik heeft durven praten. Dit was pas het geval op 8 november 1989 — zo blijkt uit het proces-verbaal van aangifte. De vrouw voert in dit verband aan dat reeds in het algemeen slachtoffers van seksueel misbruik grote problemen hebben met het naar buiten brengen van hun ervaringen vanwege de aard van die ervaringen, en dat die toch al bestaande hindernis in het onderhavige geval werd vergroot doordat zij deel uitmaakte van een kleinschalige, streng godsdienstige, traditionele dorpsgemeenschap waarin de zwager in hoog aanzien stond.
De Hoge Raad overweegt:5 "Een rechtsvordering als de onderhavige verjaart door verloop van vijf jaren nadat de benadeelde de voor het instellen van zijn vordering benodigde wetenschap heeft verkregen, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is ontstaan. Ook wat het beroep op de eerstbedoelde verjaringstermijn betreft, eist de rechtszekerheid — welke het instituut der verjaring mede beoogt te dienen (vgl. HR 3 november 1995, nr. 15801, NJ 1998, 380) — een vaste termijn; daarom kan in het algemeen niet worden afgeweken van het in artikel 3:310 lid 1 vermelde aanvangstijdstip van die termijn. Voor zover zulks ertoe leidt dat een vordering verjaart welke de schuldeiser niet geldend heeft kunnen maken — een geval dat artikel 3:310 lid 1 blijkens zijn bewoordingen juist beoogt te voorkomen — is dat uit een oogpunt van individuele gerechtigheid moeilijk te accepteren. Daarom is het, wanneer zulk een niet geldend kunnen maken voortvloeit uit omstandigheden die aan de debiteur moeten worden toegerekend, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat deze zich erop zou vermogen te beroepen dat de vijfjarige verjaring een aanvang heeft genomen op het in artikel 3:310 lid 1 omschreven aanvangstijdstip daarvan. In zodanig geval moet dan ook worden aangenomen dat de verjaringstermijn eerst een aanvang neemt wanneer die omstandigheden het kunnen geldend maken van de vordering niet langer verhinderen." Letterlijk dezelfde overweging hanteerde de Hoge Raad in het ¾ jaar later gewezen kindermishandelingarrest.6
De Hoge Raad wilde dus het aanvangsmoment van de relatieve termijn alleen opschorten, als de verhinderende omstandigheid aan de dader kan worden toegerekend.
De toerekeningsconstructie bleek vatbaar voor fundamentele kritiek, omdat er geen rechtvaardiging is voor de restrictie dat alleen verhinderende omstandigheden die aan de debiteur kunnen worden toegerekend de aanvang van de termijn opschorten.
De rechtvaardiging van verjaring krachtens de relatieve termijn is immers gelegen in het verwijtbaar stilzitten van de benadeelde. Zolang de benadeelde dat verwijt niet treft doordat er een omstandigheid is die hem verhindert zijn vordering in te stellen, is dus verjaring krachtens de relatieve termijn niet te verdedigen.
Met het Saelman-arrest heeft de Hoge Raad de toerekeningsconstructie verlaten. Bepalend is nog uitsluitend of de benadeelde 'daadwerkelijk in staat is' een rechtsvordering in te stellen; of de verhinderende omstandigheid aan de debiteur kan worden toegerekend is geen factor van belang meer.
Dat de Hoge Raad in het Saelman-arrest inderdaad beoogt een nieuw criterium te formuleren valt af te leiden uit de zin "Tegen de achtergrond van voormelde rechtspraak en in het licht van de mede naar aanleiding van deze arresten verschenen literatuur komt de Hoge Raad thans tot het oordeel dat ...". Weliswaar wordt in het eerste deel van dit citaat de nieuwe regel in zekere zin gepresenteerd als logisch slotakkoord van een recapitulatie van de tot dusverre over het aanvangsmoment van de relatieve termijn gewezen arresten, maar met het daaropvolgende "komt de Hoge Raad thans [cursivering toegevoegd] tot het oordeel dat" wordt duidelijk dat er iets gaat veranderen.7