HR, 11-08-2017, nr. 16/01603
ECLI:NL:HR:2017:1607
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-08-2017
- Zaaknummer
16/01603
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑08‑2017
ECLI:NL:HR:2017:1607, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑08‑2017; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2016:1466, Bekrachtiging/bevestiging
- Vindplaatsen
NLF 2017/1982 met annotatie van Hans Spaermon
BNB 2018/10 met annotatie van S. BOSMA
Douanerechtspraak 2017/256
NTFR 2017/2044 met annotatie van mr. B.S. Kats
FutD 2017-1999
Viditax (FutD) 2017081112
Beroepschrift 11‑08‑2017
Edelhoogachtbaar College,
1
Onder verwijzing naar uw brief van 29 maart 2016 vullen wij hierbij het namens de fiscale Eenheid [X1] Beheer B.V., [X2] B.V. C.S.(hierna belanghebbende), gevestigd [Z], het op 24 maart 2016 ingestelde beroep in cassatie aan betreffende de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 februari 2016 kenmerk BK/AR-ARN 13/00744 t/m 13/00746 inzake de naheffingsaanslagen Verpakkingenbelasting 2008, 2009 en 2010 met kenmerk […].
2
Alvorens op de motivering in te gaan merken wij het volgende op. Belanghebbende gesteund door haar branchevereniging, de Koninklijke KVGO (hierna: het KVGO), zou geen cassatieberoep hebben ingesteld indien in de zaak ECLI:NL:HR:2014:841 waarover uw college op 11 april 2014 uitspraak heeft gedaan alle door belanghebbende aangedragen middelen zouden zijn geoordeeld waarbij het o.a. maar niet uitsluitend gaat om de Europese en Nederlandse parlementaire geschiedenis en de brief van de staatssecretaris van buitenlandse zaken aan de Tweede kamer van 27 april 2012 TK 22 112 nr. 1410, fiche 9. Belanghebbende betreurt het dat het KVGO pas zeer laat van die zaak op de hoogte is geweest en daarbij niet bij betrokken is geraakt omdat het ging om een niet-lid waardoor veel informatie waarover het KVGO beschikte niet in die zaak reeds aan u kon worden voorgelegd en die mogelijk zouden hebben geleid tot een andere uitspraak. Bij belanghebbende, het KVGO en het bedrijfsleven leeft het gevoel dat zij in een kafkaiaanse situatie terecht zijn gekomen en te maken hebben met een schizofrene overheid gezien de gehele gang van zaken.
3
Voor belanghebbende en het bedrijfsleven is het ook van belang om duidelijkheid te hebben omdat uw uitspraak van 11 april 2014 ook gevolgen heeft voor de Raamovereenkomst verpakkingen 2013–2022 (het 5e Verpakkingsconvenant) dat afgesloten is door het ministerie van Infrastructuur en Milieu, de Vereniging Nederlandse Gemeenten en het verpakkend bedrijfsleven en stoelt op het Besluit beheer verpakkingen (hierna: Verpakkingenbesluit). Naar aanleiding van uw uitspraak heeft de stichting Afvalfonds — de uitvoeringsorganisatie van de raamovereenkomst — de drager nu ook aangemerkt als een verpakking dit in tegenstelling tot vroeger. Hierdoor is belanghebbende verplicht de afvalverwijderingsbijdrage verpakkingen te betalen, de heffing die de opvolger is van de verpakkingenbelasting maar die zijn grondslag vindt in het Verpakkingenbesluit.
4
VASTSTAANDE FEITEN ZOALS INGEBRACHT TIJDENS DE RECHTSGANG EN NIET BESTREDEN:
5
Zowel in het kader van de Papiervezelconvenanten (vanaf 1998 tot op heden) als in het kader van de Verpakkingsconvenanten (vanaf 2006 tot uitspraak Hoge raad van 11 april 2014) die onder auspiciën van het ministerie van I&M werden afgesloten met de Vereniging van Nederlandse gemeenten werd de drager van zelfklevende etiketten nooit als een verpakking beschouwd en werd daarom nooit gemonitord ingevolge de verplichtingen op grond van het Verpakkingenbesluit.
6
Tot aan februari 2011 was het de brancheverenigingen als vertegenwoordigers van de bedrijven en gesprekspartner van de Financiën/belastingdienst over de verpakkingenbelasting, niet bekend dat Financiën al ergens in 2009 zoals later is gebleken de drager aanmerkte als verpakkingsmateriaal.
7
Nooit heeft het ministerie van Financiën/de belastingdienst het door hun ingenomen standpunt dat de drager een verpakking zou zijn algemeen bekend gemaakt door het te plaatsen op haar voorlichtingswebsite over de verpakkingenbelasting (zie voor de inhoud daarvan bijlage 2 van de pleitnota van de belastingdienst van 4 januari 2016) en in de handleidingen over de verpakkingenbelasting (zie hiervoor de handreiking januari 2011 over de Verpakkingenadministratie bijlage 11 bij het hoger beroepschrift van belanghebbende van 5-1-2013 voor de belastingplichtigen noch door het in te brengen in de overleggen met vertegenwoordigers van de brancheverenigingen waardoor dit standpunt belanghebbende op 28 oktober 2010 en het KVGO op 1 februari 2011 bekend is geworden.
8
Zoals uit de parlementaire geschiedenis blijkt heeft de minister van Financiën herhaaldelijk gezegd dat goede communicatie/overleg met het bedrijfsleven over problemen met en over de uitvoering van de verpakkingenbelasting van groot belang te vinden en heeft daartoe o.a. de Klankbordgroep Aanpassing Verpakkingenbelasting (KAV) in het leven geroepen. Ook i.v.m. de voorlichting aan de belastingplichtigen heeft de belastingdienst een handleiding en voorlichtingingswebsite gemaakt (zie ook punt 3).
9
Bij de vaststelling van de richtlijn 2004/12/EEG van 11-2-2004 tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG wilde het Europees parlement ‘papier waarop zelfklevende etiketten zitten’ (synoniemen: drager/release liner/rugpapier/silconenpapier) op nemen in Bijlage I als voorbeeld van een niet-verpakking tegen het voorstel van de Europese Commissie in die het juist wilde opnemen als voorbeeld van een verpakking. Via de bemiddelingsprocedure is besloten hierover geen besluit te nemen en e.e.a. later op te lossen via de comitologieprocedure. Waarbij prioriteit zou worden gegeven aan de classificatie van CD-en videodoosjes, bloempotten, buizen en rollen die met buigzaam materiaal ontwikkeld zijn, papier waarop zelfklevende etiketten zitten en inktpapier.
10
Met betrekking tot de geschiedenis van de totstandkoming van de Richtlijn 2013/12/EU van de Commissie tot wijziging van Bijlage I het volgende:
- a)
Al in 2010 hebben de bevoegde beleidsambtenaren van het ministerie van VROM (I&M) die Nederland vertegenwoordigen in het artikel 21 Comité dat advies uitbrengt over de voorgestelde wijzigingen van deze Bijlage I, laten weten tegen de opname te zijn van de drager als een voorbeeld van een verpakking te zijn zoals de Commissie voorstelde omdat ze het geen verpakking vonden en hebben dit ook zo ook steeds herhaald (bijlage 1 t/m 3 hoger beroepschrift van belanghebbende van 5-11-2013 en bijlage 13 bij repliek van 17-5-2014 van belanghebbende).
- b)
Uit de vergelijking van de verschillende voorstellen van de Europese Commissie die vanaf 6-2-2011 besproken zijn tot en met de definitieve bijlage blijkt ook dat dit het enige voorstel is dat door de Commissie uit het voorstel is gehaald en er verder geen wijzigingen hebben plaatsgevonden in de versies vanaf 6-2-2011 zijn voorgelegd in het artikel 21 Comité (behalve een herstel van een foute in de versie van Com (2012)141 final van 28.3.2012 waar ‘Navulbare stalen flessen voor diverse soorten gas, met uitzondering van brandblussers’niet alleen vermeld stond bij‘Voorbeelden ter illustratie van criterium i)’ maar ook ten onrechte bij ‘Voorbeelden ter illustratie van criterium ii) hetgeen verbeterd is met Com (2012)141 final du 10-07-2012 final/2 (bijlage 13 bij repliek van 17-5-2014 van belanghebbende).
- c)
Nederland heeft ook daadwerkelijk evenals andere Europese landen gestemd tegen de opname van de drager als voorbeeld van een verpakking. Nederland heeft dit o.a. gedaan wegens inconsistenties en verhoging van administratieve lasten en kosten voor bedrijven/burgers (Brief staatssecretaris van Buitenlandse zaken van 27 april 2012 aan de Tweede Kamer TK 22 112 nr. 1410, Fiche 9 bijlage 12 bij repliek van 17-5-2014 van belanghebbende (hierna: de Brief)). Waarna het door de Europese Commissie uit het eindvoorstel is gehaald dat uiteindelijk stilzwijgend is aanvaard door de Raad en het Europees Parlement.
- d)
Het was ook niet te verwachten dat het voorstel uiteindelijk zou worden aangenomen gezien het eerdere standpunt van het Europees Parlement.
11a
De problematiek inzake de etiketten op rol besproken is op 1 mei 2012 door de vertegenwoordigers van VNO-NCW en KVGO met o.a. [B] van het Ministerie van Financiën, directeur directie Douane en Verbruiksbelastingen met als doel plaatsing van de drager van etiketten op rol op de lijst van logistieke middelen. Tijdens deze bespreking wordt dit door Financiën niet meer politiek haalbaar gevonden. Dit ondanks het feit [B] wel degelijk het verschil ziet in functie tussen de drager bij zelfklevende etiketten op rol en het siliconenpapier van de getoonde producten die staan in de uitgereikte en besproken lijst die als bijlage is toegevoegd bij het besprekingsverslag en de zelfklevende etiketten op rol (bijlage 8 hoger beroepschrift van 5-11-2013 van belanghebbende en punt 139 van het repliek van belanghebbende van 17-5-2014.)
Opmerking
11b
Verder wil belanghebbende erop wijzen dat overweging 2.1 van het Hof onjuist is en niet overeenkomt met hetgeen belanghebbende heeft beschreven o.a. in de punten 100 t/m 109 van haar repliek van 17-05 2014 en de bijbehorende Cd-rom met de filmpjes ter verheldering van de productieprocessen en hetgeen zij in haar pleitnota heeft gesteld en ter zitting heeft gezegd.
In deze overweging schrijft het Hof: ‘het materiaal bestaat uit vierlagen. De bovenste laag bestaat uit de blanco etiketten (de face stock) de daaronder gelegen laag bestaat kleefemulsie,’. Dit is onjuist: Deze 2 lagen vormen juist het ‘zelfklevende etiket in engere zin’. De kleefemulsie hecht zich juist blijvend aan de bovenste laag (de facestock) en vormt het ‘blanco zelfklevende etiket dus in engere zin’.
Ook onjuist is het zinsdeel ‘de daaronder gelegen laag bestaat uit een siliconencoating en de onderste laag is een ‘release liner’ die de drager is van de drie andere lagen. De drager (ook genoemd: siliconenpapier, release liner, rugpapier, backing paper) bestaat uiterst dun laagje siliconen dat zicht gehecht heeft aan het papier en bestaat uit twee lagen en niet uit drie, waarbij zoals in punt 103 is aangegeven de drager ook uit kunststof kan bestaan (en dus uit één laag bestaat).
Ook de volgende zin is onjuist: ‘De release liner tezamen met de siliconencoating wordt hierna aangeduid als de liner’. ‘Liner’ is een synoniem voor ‘release liner’ of te wel de drager.
Ook de volgende zin is onjuist ‘De release liner voorkomt dat de siliconencoating zou uitdrogen’. In de uitleg van het Hof wordt hiermee de papierlaag mee bedoeld die deze functie echter niet heeft en ook niet door belanghebbende is gesteld dat het dient ter voorkoming dat de siliconencoating zou uitdrogen hetgeen ook onjuist is. Bij siliconenpapier zorgt de papierlaag voor de versterking van de drager.
Siliconenpapier kan als zodanig ook zelfstandig bestaan en is ook als zodanig te koop. Eén van de functies van de drager is te voorkomen dat de zelfklevende laag van ‘het etiket in engere zin’ zou uitdrogen. Maar dit is niet de hoofdfunctie zoals belanghebbende ook heeft aangegeven. De hoofdfunctie van de drager is juist het mogelijk te maken dat er met zeer hoge snelheden alle procestappen het machinaal maken, versnijden, bewerken, bedrukken, stansen, verwijderen van overbodig materiaal en het uiteindelijk kunnen aanbrengen op het eindproduct kunnen worden uitgevoerd en om te voorkomen dat tijdens deze processtappen de drager beschadigd raakt en scheurt zoals ook besproken is ter zitting en ook blijkt uit de eerder genoemde filmpjes.
Het‘product zelfklevende etiket’bestaat dus uit‘het zelfklevende etiket in engere zin’(ook wel label) genoemd en verder uit de drager. Het ‘zelfklevende etiket in engere zin (de label) bestaat uit een bovenlaag van kunststof of papier (in het Engels wel ‘facestock’ genoemd) en de zelfklevende laag. De drager bestaat uit siliconenpapier dat bestaat uit een uiterst dun laagje siliconen dat zicht gehecht heeft aan het papier (siliconenpapier is een synoniem voor o.a. drager, release liner, rugpapier, backing paper). De drager kan ook uit kunststof bestaan: dus zonder siliconen. (Waarbij nogmaals wordt opgemerkt dat de papierlaag niet dient ter voorkoming van uitdroging van het siliconenpapier, omdat die laag niet uitdroogt bij normaal gebruik).
12
Belanghebbende draagt de volgende twee cassatiemiddelen voor:
13
SCHENDING VAN HET RECHT.
Het oordeel van het Hof geeft blijkt van een onjuiste rechtsopvatting wat dient te worden verstaan onder ‘verpakkingen’ in de zin van de Wet belastingen op milieugrondslag, zoals die gold van 1 januari 2008 tot 1 januari 2013 (hierna: de Wbm).
14
VERZUIM VAN VORMEN.
Het oordeel van het Hof is mede gezien de voorgeschiedenis en in het bijzonder ten aanzien van de discussie op Nationaal en Europees niveau ten aanzien van de definitie van verpakkingen mede in het licht van het door Nederland in Brussel uitgedragen standpunt en hetgeen hierover aan de Tweede Kamer is meegedeeld, ondeugdelijk gemotiveerd.
15
Schending van het recht
16
Het Hof geeft in zijn uitspraak een onjuiste uitleg aan:
- a)
Artikel 80. Aanhef en onderdeel a, van de Wbm, op grond waarvan belanghebbende primair van mening is dat er geen sprake is van een ‘verpakking in de zin van de Wbm overweging 4.1 t/m 4.10.
- b)
Artikel 80, aanhef en onderdeel a, onder 1o, van de Wbm op grond waarvan belanghebbende subsidiair van mening is dat het onderhavige product is uitgezonderd ( rechtsoverweging 4.11 t/m 4.14).
- c)
Artikel 80, aanhef en onderdeel a onder 4o van de Wbm op grond waarvan belanghebbende meer subsidiair van mening is dat het onderhavige product is uitgezonderd (rechtsoverweging 4.11 t/m 4.14).
17
Definitie verpakking in Verpakkingenrichtlijn/verpakkingenbesluit en in de Wbm
18
Van belang voor deze zaak is vast te stellen of de definitie van verpakking en de strekking daarvan in de zin van de Wbm hetzelfde is als die in de zin van Verpakkingenrichtlijn (hierna: de Richtlijn) en het daarop stoelende Verpakkingenbesluit.
19a
Al tijdens de behandeling van het beroep van belanghebbende bij de rechtbank op 12 maart 2012 heeft rechter Van de Sande aangegeven dat het expliciet de bedoeling is geweest om aan te sluiten bij de definitie van de richtlijn (proces-verbaal zitting blz. 3, 6e alinea) zoals ook belanghebbende meent te hebben aangetoond dat de definities van verpakking in de zin van de Wbm en van de Richtlijn/verpakkingenbesluit inderdaad hetzelfde zijn op grond van de parlementaire geschiedenis en de jurisprudentie in de door haar aangevoerde punten met name 3 t/m 27 van haar repliek van 17-05-2014. Dit kan ook niet anders omdat via de verpakkingenbelasting ook de bijdragen van de bedrijven op grond van het Verpakkingenbesluit en het Impulsprogramma Zwerfafval (in totaal 115 miljoen per jaar voor het ministerie van VROM (thans I en M) door de belastingdienst werd geïnd over dezelfde — door deze bedrijven op de Nederlandse markt gezette — verpakkingen en i.v.m. de gegevensverzameling daarover die nodig is voor de monitoring van deze hoeveelheid op grond van het Verpakkingenbesluit voor VROM (thans I en M) ter uitvoering van de Nederlandse Verplichtingen op grond van de Richtlijn (o.a. het doorgeven van de eerder genoemde monitoringsgegevens aan de Europese Commissie).
19b
Ook is er voor de verpakkingenbelasting zo veel mogelijk aangesloten bij de heffingen die door collectieve uitvoeringsorganisatie (dus die van Nedvang) zijn ontwikkeld voor de uitvoering van het verpakkingenbesluit. Bij die heffingen is gebruik gemaakt van het begrippenkader uit de Richtlijn/verpakkingenbesluit. (Zie hiervoor hetgeen in punt 16 van haar repliek van 17-05-14 uit de parlementaire geschiedenis is aangehaald). In dit verband wijst belanghebbende er dan ook op dat in de tijd van de convenanten tot uw uitspraak van 11 april 2014, de drager nooit als verpakking werd beschouwd en dat er dus ook nooit door de uitvoeringsorganisaties van de verpakkingsconvenanten een heffing is geheven over de drager. Zie ook de punten 75 t/m 83 van haar repliek van 17-05-14.
20
In het licht van het voorgaande kan belanghebbende de redenatie van het Hof zoals verwoord is in de rechtsoverwegingen 4.1 t/m 4.10 niet volgen. Het is immers gezien deze bovengenoemde expliciete keuze van de wetgever wel degelijk van belang — zowel voorafgaand de Wbm als tijdens de periode dat de Wbm van kracht is geweest — hoe de Richtlijn tot stand is gekomen, al dan niet gewijzigd is en de standpunten die daar over de drager zijn ingenomen. Dit zowel op Europees niveau — o.a. door het Europese Parlement en de Lidstaten — als op Nederlands niveau mede i.v.m. het Verpakkingenbesluit (dat een omzetting is van de Richtlijn) en de ter uitvoering van het Verpakkingenbesluit gemaakte afspraken zoals die zijn vastgelegd in het Papiervezelconvenant en het Verpakkingsconvenant.
21
Zoals uit dit cassatieberoep blijkt deelt belanghebbende ook de mening niet van het Hof dat de onduidelijkheid over de duiding van de drager voor de Wbm beëindigd zou zijn door uw uitspraak van 11 april 2014, zoals gesteld in rechtsoverweging 4.8. Dit omdat naar mening van belanghebbende:
- 1)
veel van de door haar aangedragen gronden bij het Hof niet aan de orde zijn geweest in de rechtsprocedure van een andere belanghebbende waarover uw college uitspraak heeft gedaan op 11 april 2014, en
- 2)
dit pas het geval zou zijn indien het Hof van justitie van de Europese Unie hierover uitspraak zou hebben gedaan: juist gezien de expliciete keuze van de wetgever om voor de definitie van wat een verpakking is aan te sluiten bij de definitie van verpakking in de zin van de Richtlijn (zie de punten 94 t/m 97).
22
Gezien het voorgaande kan belanghebbende ook de redenatie van het Hof in rechtsoverweging 4.9 niet volgen dat er geen aanleiding zou zijn om in te gaan op het verzoek van belanghebbende om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van justitie van Europese Unie over de uitleg van de definitie van verpakking in de zin van de Richtlijn. Er mag immer geen verschil zijn ook gezien hetgeen ook in punt 19 is gezegd over de inning van de bijdragen van de bedrijven op grond van het Verpakkingenbesluit en het Impulsprogramma Zwerfafval en i.v.m. de monitoring voor Brussel. De vraag is immers aan de orde of de drager wel of niet een verpakking is. Als de drager in de zin van de Richtlijn/verpakkingenbesluit geen verpakking zou zijn dan betekent dit automatisch ook dat het geen verpakking is in de zin van de Wbm.
23
In dit verband is dan is de redenering van het Hof zoals verwoord is in 4.10 ook niet te volgen. Het gaat er immers om of de drager wel of niet als een verpakking werd beschouwd ook in de zin van de Richtlijn/het verpakkingenbesluit.
24
Zoals Belanghebbende heeft aangevoerd in haar hoger beroepschriften werd vanaf 1998 in het kader van de 2 uitvoeringsconvenanten ter uitvoering van de verplichtingen voor het bedrijfsleven op grond het Verpakkingenbesluit de drager niet als een verpakking aangemerkt in het kader van het Papiervezelconvenant werd de drager als onderdeel van het samengesteld product ‘zelfklevende etiketten op rol’ beschouwd. Voor haar standpunten met betrekking tot die convenanten verwijst belanghebbende o.a. naar de door haar aangevoerde rechtsgronden in hoger beroep 75 t/m 83 (met de daargenoemde doorverwijzingen) van haar repliek van 17-05-14. Noch in de handleiding van de uitvoeringsorganisatie Nedvang van het Verpakkingsconvenant noch op de daarop stoelende handleiding en de website van de belastingdienst t.b.v. de voorlichting over de verpakkingenbelasting is ooit vermeld dat de drager een verpakking zou zijn; zie ook punt 7 van dit cassatieberoepschrift
25
Ook uit de Europese parlementaire geschiedenis (zie o.a. de gronden 32 t/m 62 van de haar repliek van 17-05-14) betreffende de totstandkoming van de bijlage I bij de Richtlijn blijkt dat het Europees Parlement het nadrukkelijk geen verpakking vond en het zelfs heeft willen opnemen als een voorbeeld van een niet-verpakking ter illustratie van het criterium i van artikel 3 lid 1 waarmee op artikel 80 onder a, 1o in iets ander bewoordingen op aansluit.
26
Uit deze geschiedenis blijkt ook dat de bevoegde ambtenaren van I en M die Nederland in Brussel vertegenwoordigden over wijzigingen van de Richtlijn, al vanaf oktober 2010 nadrukkelijk hebben gezegd dat ze tegen de opname waren van de drager als voorbeeld van een verpakking omdat ze het geen verpakking vonden. Dat ze dit ook de Europese Commissie hebben laten weten n.a.v. de procedure tot wijziging van de Bijlage I in 2010 die uiteindelijk uitmondde in de Richtlijn 2013/EU van de Commissie van 7 februari 2013 tot wijziging van Bijlage I. Dat ook andere Lidstaten de drager niet als verpakking beschouwen en dat zij net als Nederland dit de Europese Commissie hebben laten weten in de vergadering van het artikel 21 Comité op 23 maart 2011. Dat het voorstel van de Commissie om de drager op te nemen als voorbeeld van een verpakking toen ook door de Lidstaten — waaronder Nederland- is weggestemd.
27
Dat uit deze geschiedenis ook blijkt dat van alle voorstellen die de Europese Commissie heeft ingediend alleen haar voorstel over de drager is verwijderd en dat dit voorstel om de drager op te nemen als voorbeeld van een verpakking is weggestemd door de Lidstaten waaronder door Nederland en dat dit ook het enige voorbeeld is waarover Nederland heeft tegengestemd. Dat nadat de Europese Commissie haar voorstel om de drager op te nemen als voorbeeld van een verpakking had verwijderd uit het eindvoorstel, het eindvoorstel stilzwijgend is aanvaard door het Europees Parlement en de Lidstaten.
28
In de brief van 27 april 2012 van de staatsecretaris van Buitenlandse zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer staat o.a. het volgende over de Nederlandse tegenstem inzake het voorstel tot wijziging van Bijlage I van de Richtlijn tijdens de zitting van het artikel 21 Comité op 23 maart 2011: ‘Blz. 4 punt 9 ‘Nederland onderschrijft de beoogde harmonisatie, maar is geen voorstander van de lijst, gegeven de inconsistenties in de toepassing van definitie van verpakking (wanneer is een artikel wel of niet een verpakking). Bovendien zou het voorstel in de huidige vorm aanpassing van regelgeving vergen die tot hogere administratieve lasten leidt. Als dit voorstel wordt aangenomen, betekent dit dat een wijziging van het Besluit Beheer Verpakkingen Papier en Karton nodig is. Onduidelijk is wat de verhouding is tussen de algemene definitie van ‘verpakking’ (en de daarbij behorende criteria opgenomen in art. 3, lid 1, van richtlijn 94/62) en de voorbeelden uit de lijst. Nederland vindt dat dit voorstel veel inconsistenties bevat in de definitie van verpakking. Om die reden heeft Nederland tot nu toe in het technisch Comité van de richtlijn dit voorstel steun onthouden, evenals de grote meerderheid van lidstaten. Nederland vindt daarnaast dat dit voorstel extra administratieve lasten alsmede kosten voor bedrijfsleven en burger met zich meebrengt.’.
29
Zoals blijkt uit de parlementaire geschiedenis (zie o.a. de punten 3 t/m 23 van dit cassatieberoepschrift) heeft er voortdurend overleg plaatsgevonden tussen het ministerie van Financiën en het ministerie van VROM (I en M) plaats over de Wbm en de Richtlijn/Verpakkingenbesluit en ook over het standpunt dat in het artikel 21 Comité is uitgedragen door Nederland (zie hiervoor: verweerschrift van de belastingdienst van 16 augustus 2012 bij de behandeling bij de rechtbank, blz. 5 onder punt 3 ‘Het ministerie van I en M voert de onderhandelingen in Brussel over aanpassingen van de Richtlijn. I en M krijgt hiervoor, input van het Ministerie van Financiën (hierna MinFIN). Navraag bij collega's van MinFin geeft weer, dat zij de release liner zien als verpakking en deze informatie ook op deze wijze als input hebben bij hun collega's van I en M.’ Gezien het uitgedragen standpunt in Brussel door Nederland en hetgeen de beleidsambtenaren van I en M die Nederland vertegenwoordigen in Brussel al vanaf oktober 2010 hebben uitgedragen, is het standpunt van Financiën dus niet overgenomen. Het is onaannemelijk gezien de overleggen tussen de hiervoor genoemde ministeries en de inbreng van Financiën daarvoor, dat Financiën en de belastingdienst dit niet voor de zitting op 23 maart 2011 al hebben geweten.
30
Uit het aangevoerde in punten 26 en 27 van haar cassatieberoep meent belanghebbende af te mogen leiden dat Nederland de drager van zelfklevende etiketten geen verpakking vindt in de zin het criterium i van artikel 3 lid 1 van de Richtlijn. Immers had Nederland de drager wel een verpakking gevonden dan zou Nederland niet tegen het Commissievoorstel hebben gestemd. Dit standpunt blijkt ook uit het punt 28 van haar cassatieberoep waar het standpunt, dat is uitgedragen in Brussel, diplomatiek is verwoord. Waarbij Nederland ook nog eens vindt dat het oorspronkelijk voorstel van de Commissie (waarbij de drager van zelfklevende etiketten nog was opgenomen als voorbeeld van een verpakking) extra administratieve lasten alsmede kosten voor het bedrijfsleven en burger met zich mee zou brengen hetgeen dus ook het geval is door dat de belastingdienst de drager aanmerkt als verpakking.
31
Gezien o.a. de punten19, 22 t/m 30 is belanghebbende dan ook van mening dat de drager van zelfklevende etiketten ten onrechte is aangemerkt als een verpakking want het kan immers niet zo zijn dat de drager in de zin van de Richtlijn/Verpakkingenbesluit niet een verpakking is maar dit wel is in de zin van de Wbm.
32
In het licht van het voorgaande kan belanghebbende ook Hofs redenering niet volgen dat: ‘Het is evenmin onzorgvuldig van de Inspecteur om bij toepassing van de Wbm een standpunt in te nemen over de duiding van de liner (= drager), dat (mogelijk) afwijkt van het standpunt van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, Nedvang of de VNG, nu hij niet aan het standpunt van deze instanties is gebonden’. Ten eerste omdat het gaat om een officieel standpunt van Nederland dat is uitgedragen in Brussel en niet dat van het ministerie van I en M (zie ook punt 68 van de repliek van belanghebbende in hoger beroep van 17-05-2014).
33
Ten tweede zou het hiervoor genoemde standpunt van het Hof volgend, immers betekenen dat belanghebbende voor het Verpakkingenbesluit en de daarop rustende convenanten wel aan de standpunten van het Ministerie van I en M en die van de uitvoeringsorganisaties daarover zou zijn gebonden (dus geen opgave zou hoeven te doen voor de monitoring en ook geen bijdragen behoefde te leveren op grond van het Verpakkingenbesluit en het Impulsprogramma Zwerfafval): tenzij belanghebbende het helemaal verkeerd ziet en het door Nederland in Brussel ingenomen standpunt ook geen betekenis heeft voor de uitleg van het begrip verpakking in de zin van het Verpakkingenbesluit en de daarop stoelende convenanten.
34
Zoals belanghebbend al in het hoger beroep heeft aangevoerd en blijkt uit de filmpjes op de Cd-romschijf (bijlage 19b bij haar repliek van 17-05-2014) heeft de drager een geheel andere functie dan een verpakking. De drager is speciaal ontworpen om de zelfklevende etiketten op rol in de verschillende productiestappen tot het eindproducten met zeer hoge snelheden machinaal te kunnen verwerken en bewerken en aan te brengen en zoals aangegeven vervult de drager eerder de rol van transportband waarbij de ook geen communicatiefunctie heeft zoals vaak bij een gewone verpakking het geval is omdat de drager blanco is.Belanghebbende is dan ook van mening dat in dit geval er een te ruime uitleg is gegeven aan het begrip verpakking. Deze andere functie is ook onderkent door het ministerie van Financiën waarvoor belanghebbende verwijst naar punt 7 van haar cassatieberoepschrift. Belanghebbende kent ook geen enkel product dat eerst wordt verpakt, dan met verpakking en al wordt versneden, vervolgens bewerkt door het te bedrukken, daarna verder wordt bewerkt (het stansen in de gewenste vorm waarbij de verpakking niet mag worden beschadig) waarbij vervolgens het overbodige gedeelte van het product wordt verwijderd van of gehaald wordt uit de verpakking en in de volgende stap verbruikt wordt doordat het een onderdeel gaat vormen van een ander product waarbij de verpakking dan vrijkomt aannemende dat de drager een verpakking zou zijn, hetgeen belanghebbende uitdrukkelijk ontkent.
35
Belanghebbende heeft ook gewezen in punt 13 van haar hoger beroepschrift van 5-11-2013 op de conclusie van het fusiebesluit van de Europese Commissie van 16 oktober 2002 Case NO COMP/M.2867 UPM-Kymmene Corporation/ Morgan Adhesives Company waarin het ‘product zelfklevend etiket’- dus de toplaag inclusief de drager — wordt beschouwd als een zelfstandig product en niet de toplaag als zodanig.
36
Met dit besluit beslist de Europese Commissie dat de markt voor zelfklevende etiketten een afzonderlijk van belang zijnde productmarkt vormt t.o.v. de andere (niet-zelfklevende) etikettenmarkt. In alinea 13 van dit besluit concludeert de Commissie: ‘Alternatives to self-adhesive labels are labels which are fixed on basis of gum, labels fixed by glue activated by heat; wet-glue labels, sleeves, in- mould labels and direct printing. The Commission's Market investigation indicated that whilst some of the alternatives may to some limited extent be substitutable on the demand-side, they are not to be regarded as forming part of the same relevant product market’.
37
Belanghebbende ziet niet in waarom het voorgaande niet van belang is bij de afweging van het Hof zoals uit de overweging 4.25 van het Hof blijkt.
38
Het aanmerken van de drager als verpakking is in strijd met het gelijkheidsbeginsel (artikel 14 EVRM en artikel 26 BUPO)
39
In o.a. haar punten 141 t/m 143 van haar repliek van 17-05-2014 en in punt 22 van haar aanvullend beroepschrift van 5-11-2013 heeft belanghebbende betoogd dat als de drager al een verpakking zou zijn in de zin van de Wbm — hetgeen belanghebbende ten stelligste ontkent — dat zij van mening is dat dit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel (14 EVRM en 28 BUPO). Het Hof motiveert niet waarom hiervan geen sprake is (en volstaat met haar rechtsoverweging 4.25). Dit kan belanghebbende niet volgen:
- 1)
mede gezien het aangevoerde in de hiervoor aangehaalde punten van haar repliek en aanvullend beroepschrift en
- 2)
ook niet gezien de Brief (Bijlage 12 van haar repliek van 17-05-14) over de voorgestelde wijziging van Bijlage I van de Richtlijn waarin o.a. staat dat Nederland heeft tegen gestemd: omdat ‘Onduidelijk is wat de verhouding is tussen de algemene definitie van ‘verpakking’ (en de daarbij behorende criteria opgenomen in art. 3, lid 1, van richtlijn 94/62) en de voorbeelden uit de lijst. Nederland vindt dat dit voorstel veel inconsistenties bevat in de definitie van verpakking.’.
40
Zoals eerder is aangegeven heeft de wetgever expliciet in de Wbm aangesloten bij de definities van verpakking van de Richtlijn. Artikel 80 onder a t/m d Wbm in sluit vrijwel dezelfde bewoordingen aan bij artikel 3 van de Richtlijn. Ook de voorbeelden die genoemd als voorbeelden ter verduidelijking van artikel 80 onder a onder 1o t/m 3o in de memories van toelichting TK 2007/2008 nr. 31 205 blz. 64/65 sluiten aan bij de voorbeelden van verpakking in Bijlage I ter illustratie van (niet-)verpakkingen in de zin van artikel 3 lid 1 de Richtlijn.
41
Gezien de hier voorgenoemde punten 39 en 40 is deze zelfde onduidelijkheid die Nederland heeft geconstateerd met betrekking tot de Richtlijn ook aanwezig in de Wbm en de daarbij aangehaalde voorbeelden in de memorie van toelichting en bevat dus de Wbm ook dezelfde inconsistenties.
42
Als voorbeeld van deze ongelijke behandeling heeft de belanghebbende o.a. gewezen op de discriminatie van de drager t.o.v. worstvellen en de waslagen van kaas. Deze worden in de bijlage van de Richtlijn genoemd als voorbeeld van een niet-verpakking ter illustratie van de criteria met betrekking tot artikel 3 punt 1 onder I en ook in de memorie van toelichting als voorbeeld van een niet verpakking ter illustratie van artikel 80 Wbm onder a onder 1o.
43
Voor zo ver belanghebbend heeft kunnen nagaan blijkt noch uit de Wbm, de parlementaire geschiedenis, de handleiding van de belastingdienst over de verpakkingenbelasting (bijlage 2 bij de pleitnota van de belastingdienst van 4 januari 2016) noch uit de Richtlijn dat het bij de uitzondering van vellen rond worst en de waslagen om kaas, het een voorwaarde is dat het eetbare vellen en waslagen moeten zijn zoals de belastingdienst heeft beweerd. Belanghebbende heeft ook erop gewezen dat er om kaas en worst ook vaak een niet eetbare kunststof waslaag onderscheidenlijk een kunststof vel zit, zie bijvoorbeeld bijlage 9 bij haar aanvullend beroepschrift van 5-11-2013 en dat die niet eetbaar (hoeven te) zijn.
44
Ook heeft belangstellende erop gewezen dat in zijn algemeenheid de worstvellen en de waslaag van kaas niet samen, gebruikt, verbruikt of verwijderd worden. Bijvoorbeeld kaas en worst in diepvriesmaaltijden, smeltkaas en voorverpakte gesneden kaas hebben een langere levensduur dan de (kunststof) waslaag onderscheidenlijk de (kunststof) worstvel die vaak voorafgaand het invriezen verwijderd worden, onderscheidenlijk bij het bereiden van smeltkaas onderscheidenlijk voor het in plakken snijden van de kaas voordat die verpakt wordt als voorverpakte gesneden kaas (waarbij de verpakking om de diepvriesmaaltijden en smeltkaas wel belast worden).
45
Gezien de hiervoor genoemde punten 43 en 44 zijn er dan ook geen objectieve redenen aanwezig om de drager anderste behandelen dan de hiervoor de worstvellen en waslagen om kaas en is er dus sprake van een ongelijke behandeling die niet te rechtvaardigen is.
46
Logistiek hulpmiddel of exoot (artikel 80, aanhef onderdeel a, onder 4o, van de Wbm
47
Gezien hetgeen belanghebbende hiervoor heeft aangedragen (o.a. in de punten 11a en 11b van dit cassatieberoepschrift) en verder in de punten 114 t/m 136 van haar repliek van 17-05-2014 mede gezien de parlementaire geschiedenis en de Brief en om onderstaande punten kan belanghebbende de redenering van het Hof in zijn overwegingen 4.11 t/m 4.14 niet volgen waarom de drager niet zou kunnen worden aangemerkt als exoot dan wel al logistiek hulpmiddel (ervan uitgaande dat de drager een verpakking zou zijn hetgeen belanghebbende ten stelligste ontkent) nu het Hof vaststelt dat de drager een verpakking zou zijn vanwege de beschermende functie. Belanghebbende is van mening dat het Hof het begrip logistiek-hulpmiddel en exoot te in de zin van de Wbm onjuist dan wel te beperkt heeft uitgelegd. Zeker gezien het feit dat deze uitzonderingen voor de belastingheffing op verpakkingen juist is ingevoerd vanwege het feit dat het begrip verpakkingen te breed was neergezet zoals uit de parlementaire geschiedenis blijkt.
48
Wat betreft 4.1.4 ‘Hof stelt vast dat het materiaal niet als verkoopbaar product bestaanbaar is zonder de liner, omdat zonder de liner de kleefemulsie op de aanwezige sillconen coating zou uitdrogen.’geeft het Hof een misvatting weer omdat zoals in punt 11 b staat beschreven de kleefemulsie juist vast zit aan de toplaag zodat het van de drager kan worden verwijderd zonder dat de kleeflaag achterblijft op de drager (die ingeval van siliconenpapier bestaat uit een uiterst dunne siliconendeklaag op papier, het papier van de drager dient niet ter bescherming van de siliconen tegen uitdroging; het siliconenpapier kan als zodanig ook zelfstandig bestaan).
49
Verder blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat het ‘bestaanbaar zijn zonder de verpakking’ ook niet een vereiste is om voor een logistiek hulpmiddel of exoot in aanmerking te komen. Veel producten kunnen niet bestaan zonder hun verpakking zoals (vluchtige) vloeistoffen en zijn ook zonder hun verpakking niet handelbaar zoals ook bijvoorbeeld isopropylalcohol (IPA) dat in de grafische sector ook in blikken/vaten van meer dan 20 liter wordt gebruikt. Zonder de verpakking is het niet te transporteren, niet handelbaar, verdampt het en gaat het te niet. Dit is ook het geval bij vloeibare lijmen in verpakkingen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een secondelijm. Zonder de verpakking kan de lijm niet bestaan en droogt het uit. Zonder de verpakking is het ook niet verder handelbaar en te vervoeren. Deze verpakkingen hebben dus ook een vergelijkbare beschermende functie.
50
Het Hof stelt vast in zijn overweging 4.14 dat de drager vanwege de beschermende functie een verpakking is. Dit standpunt van het Hof volgend houdt in dat de toplaag — het ‘zelfklevende etiket in engere zin’ — het product zou zijn en verder dat de drager een primaire verpakking is (hetgeen echter niet wil zeggen dat belanghebbende dit standpunt deelt dat het een verpakking zou zijn).
51
Logistiekhulpmiddel
Belanghebbende gaat hierbij ter vergelijking uit de in toelichting van de regeling van 17 12-2008, nr. DB 2008/705 vaten en jerrycan (zie de punten 53, 55 en onderscheidenlijk 56 van bijlage 18 van haar repliek van 17-45-2014) die hier als voorbeeld als primaire verpakking worden gebruikt voor het in punt 49 genoemde isopropylalcohol (IPA). Het zijn alle verpakkingen die alleen op basis van hun inhoud/afmetingen zijn aangemerkt als logistiek hulpmiddel. Deze verpakkingen hebben in het algemeen ook een nadrukkelijk een beschermende functie. Het hebben van een beschermende functie is dus niet bepalend of iets wel of niet een logistiek hulpmiddel is.
52
In 2008-10-23 TK 31 704 nr. 8 Belastingplan 2009 blz. 73 staat:
‘Kenmerkend voor logistieke hulpmiddelen is dat ze een hulpmiddel zijn in het logistieke proces dat het transport van goederen eenvoudiger maakt; het beheersingsproces van goederenbewegingen moet erdoor worden bevorderd.’
53
Dit is bij de drager als transportmiddel van het ‘etiket’ het geval vanaf het ontstaan van het product ‘zelfklevende etiketten op rol’ bij de producent van basismateriaal tot en met de eindgebruiker die het ‘zelfklevende etiket’ machinaal op haar producten aanbrengt zoals beschreven in de punten 108 t/m 109 van haar repliek van 17-05-2014.
54
In 2008-10-23 TK 31 704 nr. 8 Belastingplan 2009 blz. 73 staat verder:
‘Karakteriserend voor de logistieke hulpmiddelen die op grond van dit wetsvoorstel niet langer als een verpakking zullen worden aangemerkt, is dat ze een grote fysieke omvang hebben, de transportfunctie duidelijk op de voorgrond staat, ze in het spraakgebruik vaak als een zelfstandig product worden aangemerkt en ze vaak meermalig te gebruiken zijn’
- 1)
Uit punt 110 van haar repliek van 17-05-2014 blijkt ook dat de drager een grote fysieke afmeting heeft tot wel 4000 meter.
- 2)
Dat de transportfunctie even sterk aanwezig is als bij het gebruik van allerlei ander producten (bijvoorbeeld isopropylalcohol of een lijm) in de punt 51 genoemde verpakkingen die tevens ook een vergelijkbare beschermende werking kunnen hebben zoals aldaar genoemd. Zonder de drager kan het product dus niet vervoerd worden.
- 3)
Het niet noodzakelijk is dat het als zelfstandig product behoeft te worden aangemerkt in het spraakgebruik. Maar uit de naam ‘drager’ en zijn de synoniemen (release liner, rugpapier; backing paper) blijkt dat de drager in het spraakgebruik niet als een verpakking wordt aangeduid en ook niet wordt gevonden zoals uit eigen onderzoek blijkt (Zie hiervoor ook punt 136 van haar repliek van 17-05-2014) hetgeen niet door de belastingdienst is bestreden. (Hierbij zij opgemerkt dat ook heeft het Hof het niet nodig heeft gevonden om het onderzoek te laten herhalen door een onafhankelijk onderzoeksbureau hetgeen belanghebbende heeft aangeboden, zie hiervoor het proces-verbaal van het verhandelde van de zitting van het Hof van 7 januari 2016, blz. 4, 3e alinea.)
- 4)
Dat het niet noodzakelijk is dat de verpakkingen meermalig worden gebruikt (hierbij heeft belanghebbende in punt 120 van haar repliek er ook op gewezen dat veel van de in punt 51 genoemde verpakkingen niet meermalig worden gebruikt vanwege het feit dat er gevaarlijke stoffen in hebben gezeten).
- 5)
De drager werd mede gezien hetgeen staat in punt 19b van dit cassatieberoepschrift en het hetgeen hiervoor over het spraakgebruik is gezegd ook nooit in verband is gebracht met het feit dat het mogelijk een verpakking zou zijn.
55
Gezien het voorgaande en hetgeen eerder is aangedragen tijdens de procesgangen is belanghebbende van mening dat de drager wel degelijk kan worden aangemerkt als een logistiekhulpmiddel indien het dient te worden aangemerkt als een verpakking (hetgeen belanghebbende nadrukkelijk ontkent) en dat de drager dus ongelijk behandeld wordt t.o.v. logistieke middelen en dat deze ongelijke behandeling niet door objectieve feiten gerechtvaardigd is.
56
Exoot
56
Belanghebbende wijst er nogmaals op dat Het Hof in zijn overweging 4.1.4 gebruikt het begrip liner gebruikt en dat dit onjuist is zie punt 11b van dit cassatieberoepschrift. Dit moet indien er al sprake zou zijn van een verpakking de drager zijn.
57
Gezien alle voorgaande punten is belanghebbende het ook niet eens met de stelling van het Hof dat de drager zich niet zou kwalificeren als exoot en meent dat de Hof een te beperkte uitleg geeft aan het begrip exoot en dat Hofs motivering ook niet te volgen is nu het Hof de drager aanmerkt als verpakking. Dit mede gezien hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd o.a. in haar punten 127 t/m 135 van haar repliek van 17-05-2014 en hetgeen zij tijdens de gehele rechtsgang vanaf bezwaarfase heeft gesteld. Met name is het Hof niet te volgen in zijn overweging 4.1.4 ‘De omstandigheid dat de beschermingsfunctie van de liner (Opmerking belanghebbende: ‘liner’ in de zin zoals het Hof dit begrip gebruikt, is onjuist en moet zijn de ‘drager’ in de betekenis zoals belanghebbende gebruikt ) ook tot uitdrukking komt bij transport van de zelfklevende etiketten op zeer hoge snelheid door het productie- bewerking- en verwerkingsproces,doetanders dan belanghebbende meent, aan debeschermingsfunctie niet af. Derhalve kan, gezien artikel 80, aanhef en letter a, onder 4o van de Wbm, niet worden gezegd dat de liner hoofdzakelijk een andere functie dan een verpakkingsfunctie heeft.’.
58
Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet de beschermingsfunctie of de transportfunctie van de verpakking centraal staat. Deze functies zijn ook bij vrijwel alle exoten aanwezig en vormen geen onderscheiding om vast te stellen of iets wel of niet een exoot is. (De verpakking van de markeerstift beschermt de markeerinkt en is zonder de verpakking niet te gebruiken omdat anders het oplosmiddel opdroogt en is ook niet te vervoeren zonder het omhulsel. Bij het gebruik van de markeerstift blijft de kleurstof van de inkt achter op het gemarkeerde vlak en heeft dus ook een langer leven dan de verpakking en het oplosmiddel.)
59
Uit de parlementaire geschiedenis blijkt juist: de niet-verpakkingsfunctie waar het bij de aan te wijzen producten omgaat, zal vaak een gebruiksfunctie zijn zonder de verpakking is het product niet te gebruiken. Vast staat dat de ‘zelfklevende etiketten in engere zin’ (dat is de toplaag van het product zelfklevende etiketten op rol: bestaande uit de bovenlaag en de zelfklevende laag) in de verschillende productiestappen niet machinaal kan worden gemaakt, verwerkt, bewerkt (o.a. bedrukken en stansen) en op het eindproduct kan worden aangebracht zonder de drager. Uitgaande van de redenering waarbij het ‘zelfklevende etiket in engere zin (de toplaag) het product en de drager de verpakking is, betekent dit dus dat eerstgenoemde niet te gebruiken is zonder de drager (net zoals dit het geval is bijvoorbeeld bij een injectiespuit waarbij de entstof niet kan worden geïnjecteerd zonder de injectiespuit).
60
Belanghebbende meent dat ook vast staat dat in het spraakgebruik de drager niet als een verpakking wordt beschouwd (zie hiervoor punt 54 onder 3 van haar cassatieberoepschrift) hetgeen ook een aanwijzing is dat het een exoot zou kunnen zijn.
61
Ook heeft belanghebbende gemotiveerd in o.a. haar punten 98, 105 en 106 van haar repliek van17-05-2014 dat de drager vooral een productiefunctie heeft en dat het hierdoor dus wel degelijk rechtens relevant afwijkt van een verpakking.
62
Gezien het voorgaande meent dus belanghebbende dat de drager ten onrechte niet is aangemerkt als een exoot en er dus een ongelijke benadeling heeft plaats gevonden.
63
Communicatie
64
Gezien hetgeen over de communicatie is gezegd in de punten 5 en 84 t/m 90 van haar repliek van 17-05-2014 en hetgeen al hiervoor is gezegd over de communicatie mede gezien de punten 1 t/m 11a kan belanghebbende hetgeen staat in 4.17 en de conclusie die het Hof daaraan verbindt in rechtsoverweging 4.18 niet volgen.
65
In rechtsoverweging 4.17 staat: ‘Door een misverstand heeft de Inspecteur het door hem ingenomen standpunt inzake de liner aan een onderneming kenbaar gemaakt, die — anders dan waarvan de Inspecteur uit ging niet lid was van een brancheorganisatie KVGO. Dientengevolge is de KVGO eerst later met zijn standpunt bekend geraakt.’. Belanghebbende kan deze redenering van het Hof niet volgen.
66
Ten eerste is het geen misverstand geweest dat dit andere bedrijf door de Inspecteur is ingelicht omdat het de zaak van het andere bedrijf rechtstreeks aanging. Belanghebbende veronderstelt dat het Hof mogelijk bedoeld dat het misverstand erin gelegen is in feit dat de Inspecteur er door een vergissing ervan uitging dat haar branchevereniging voor 1 februari 2011 al op de hoogte was van het feit dat de belastingdienst de drager aanmerkte als verpakking omdat zij ervan uitging dat het andere bedrijf lid was van haar brancheorganisatie het KVGO daarbij dus ervan uitgaande dat dit bedrijf het KVGO dus wel op de hoogte zou stellen indien het lid zou zijn geweest en dat het KVGO dan belanghebbende wel zou hebben ingelicht. Mocht dit zo dienen te worden uitgelegd dan kan belanghebbende niet inzien waarom een vergissing van de Inspecteur haar mag worden tegengeworpen zeker gezien het feit dat deze vergissing op geen enkele wijze aan belanghebbende verwijtbaar is.
67
Met betrekking tot deze zogenaamde ‘vergissing’ merkt belanghebbende nog aanvullend op hetgeen zij daarover al heeft aangevoerd op:
- a)
Belanghebbende vindt het wel zeer onaannemelijk indien het KVGO al op de hoogte zou zijn geweest dat het KVGO haar daarop niet zou hebben gewezen op 1 februari 2011, dit ook gezien alle vervolgstappen die er zijn gedaan. Ook is vreemd dat de belastingdienst niet erop wijst dat volgens de belastingdienst het KVGO al op de hoogte zou zijn geweest in de e-mailwisseling van de belastingdienst met het KVGO en met belanghebbende (zie bijlage 22 van haar repliek van 17-05-2014) noch tijdens de hoorzitting op 19 maart 2012 noch tijdens het overleg op 1 mei 2012 (zie bijlage 8 van haar hoge beroepschrift van 5 november 2013).
- b)
Verder wijst belanghebbende erop dat het uitermate onzorgvuldig is van Inspecteur om iets te beweren zonder te controleren of dit klopt te meer daar belanghebbende die bewering niet zou hebben kunnen weerleggen indien zij geen medewerking van het KVGO zou hebben gekregen.
- c)
Belanghebbende blijft bij haar mening dat mede gezien de andere onjuiste beweringen/citaten van de Inspecteur tijdens de rechtsgang dat de Inspecteur daarmee een misleidend beeld tracht op te roepen die de rechtsgang schaadt en onbetamelijk is voor een overheidsinstantie.
68
Ten tweede kan belanghebbende het Hof ook niet volgen juist gezien hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd in o.a. haar punten 84 t/m 90 van haar repliek van 17-05-2014 en o.a. in de punten 10, 11 en 16 van bijbehorende bijlage 18 van haar repliek.
69
Indien de drager al een verpakking zou zijn dan wordt de opvatting van belanghebbende dat het in overwegende mate een ander karakter heeft dan een verpakking ook gesteund door het uitgedragen standpunt hierover door Nederland en de Lidstaten; zie hiervoor hetgeen daarover al eerder is aangevoerd door belanghebbende.
70
Doordat de belastingdienst het toegezegde overleg heeft nagelaten noch haar standpunt dat de drager een verpakking zou zijn algemeen bekend heeft gemaakt, heeft zij in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld waardoor de drager — indien de drager al een verpakking zou zijn gezien hetgeen hiervoor is aangedragen — niet meer op de lijst van uitzonderingen kon worden geplaatst omdat dit politiek niet meer opportuun was in het licht van de afschaffing van de verpakkingenbelasting.
71
Belanghebbende is van mening gezien het voorgaande dat de drager indien het al een verpakking zou zijn (hetgeen belanghebbende ten stelligste ontkent) dan ten onrechte niet is geplaatst op de lijst van uitzonderingen. Zij verzoekt daarom u om zelf te voorzien in het rechtstekort gezien uw uitspraken van HR 8 juli 2005, nr. LJN AQ7212,BNB2005/310 en HR 12 mei 1999,BNB1999/271 en hetgeen belanghebbende hierover al eerder heeft opgemerkt (zie o.a. de nadere motivering van het beroep van belanghebbende van 14 juni 2012) waarbij belanghebbende het aan uw oordeel overlaat of het gezien de eigenschappen/functies van de drager dient te worden aangemerkt als logistiekhulpmiddel dan wel exoot.
72
SCHENDING VAN HET ZORGVULDIGHEIDSBEGINSEL
73
Gezien hetgeen belanghebbende o.a. heeft aangevoerd in de punten 63 t/m 70 en indien de drager aangemerkt zou moeten worden als een verpakking en niet in aanmerking zou komen voor plaatsing op de lijst van uitzonderingen ingevolge artikel 32 UR, dan kan belanghebbende het Hof niet volgen in hetgeen het Hof heeft overwogen in de rechtsoverwegingen 4.14 t/m 4.18 en is van mening dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake zou zijn van schending van dit beginsel dan wel de andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
74
SCHENDING VAN HET ZORGVULDIGHEIDSBEGINSEL En GELIJKHEIDSBEGINSEL
75
Belanghebbende kan zich niet vinden in de rechtsoverwegingen 4.19 t/m 4.22 dat hier geen sprak eis van schending van het algemene beginsel van behoorlijk bestuur.
76
Een belastingplichtige kan in het belastingrecht niet strijden met dezelfde wapens als de belastingdienst omdat zij niet kan beschikken over de informatie die de belastingdienst wel heeft. Zij is derhalve afhankelijk van de belastingdienst voor die informatie om haar stelling te bewijzen indien andere belastingplichtigen deze informatie niet willen geven omdat deze andere belastingplichtigen zich dan daarmee kenbaar maken dat zij niet aan hun wettelijke verplichtingen hebben voldaan.
77
Indien deze andere belastingplichtige niet mee willen werken zoals in het onderhavige geval, is een belastingplichtige afhankelijk van de belastingdienst om de informatie boven water te krijgen. Dit laatste is voor een belastingplichtige vrijwel onmogelijk omdat de belastingdienst zich dan verschuilt achter zijn geheimhoudingsplicht.
78
Belastingplichtige heeft getracht deze informatie via een WOB-verzoek te verkrijgen maar de belastingdienst heeft daar niet aan meegewerkt. Belastingplichtige heeft om algemene gegevens gevraagd en nadrukkelijk niet gevraagd om vertrouwelijke gegevens van andere te openbaren (zie bijlage 14 van haar repliek van 17-05-2014). Uit de gang van zaken en hetgeen ter zitting in hoger beroep is verklaard, blijkt dat de belastingdienst zich niet bepaald heeft ingespannen om de gevraagde gegevens te verstrekken. Belanghebbende verwijst hiervoor ook naar hetgeen in de eerste 4 alinea's staat op blz. 5 van het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep.
79
Belanghebbende bevreemdt het ook dat de belastingdienst een dergelijke producent niet kan vinden terwijl elke leverancier van bijvoorbeeld pleisters zijn adresgegevens vermeldt op de verpakking: hetgeen een wettelijke verplichting is.
80
Ook haar vraag over de olie op metaal had de belastingdienst zeer eenvoudig kunnen achterhalen gezien het beperkte aantal grote producenten in Nederland.
81
Belanghebbende is van mening dat de belastingdienst door haar vragen niet te beantwoorden in strijd heeft gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
82
Belanghebbende kan ook de redenering van het Hof zoals verwoord in zijn overweging 4.22 niet volgen en is van mening dat er wel degelijke sprake is van ongelijke behandeling tussen belanghebbende en fiscale eenheden zoals geschetst in figuur 1 in haar repliek van 17-05-2014 (zie de punten 101 t/m l12 van dit repliek in het geval van een dergelijke fiscale eenheid hoeft deze geen verpakkingenbelasting te betalen over de drager zoals ook de belastingdienst ter zitting zelf heeft gezegd. Hierdoor heeft een dergelijke fiscale een financieel voordeel dat belanghebbende niet heeft waardoor belanghebbende in een ongelijke positie op de markt wordt geplaatst t.o.v. dergelijke fiscale eenheden.
83
Strijd met het vrij verkeer van goederen
84
Gezien hetgeen belanghebbende in haar punt 27 van haar hogerberoepschrift van 5-11-2013 heeft aangevoerd en in bovenstaande punt 82 kan zij de redenering van het Hof in de rechtsgronden 4.23 en 4.24 niet volgen waarom dit geen schending oplevert van de genoemde verdragsbepalingen.
85
Immers hierdoor heeft een fiscale eenheid in Nederland een voordeel ten opzichte van een buitenlandse bedrijf die bijvoorbeeld stap I laat doen in een haar vestiging in het buitenland en de stappen II en III bij dochterbedrijven in Nederland (zie het geschetste productieproces in punt 108 van haar repliek van17-05-2014).
86
PREJUDICIËLE VRAGEN EUROPESE HOF
87
Verpakkingen
88
Mocht u van mening zijn dat ondanks hetgeen belanghebbende hiervoor heeft aangevoerd dat de drager toch een verpakking is in de zin van de Richtlijn en dus ook in de zin van de Wbm dan verzoeken wij u de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
89
- I)
Is de drager waarop zelfklevende etiketten op rol zitten een verpakking in de zin van art. 3 lid 1 van de Richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval op grond van criterium i eerste gedeelte of is de drager daarvan uitgezonderd omdat zij voldoet aan de uitzonderingsbepaling van deze bepaling waarbij de drager dient te worden opgevat als integraal deel uit te maken van een product en het nodig is om dat product tijdens zijn levensduur te bevatten, te ondersteunen of te bewaren en alle elementen bedoeld zijn om samen gebruikt, verbruikt of verwijderd te worden.
90
Hierbij rekening houdend met het feit dat het Europees Parlement de drager al had willen opnemen in Bijlage I als voorbeeld van een niet-verpakking ter illustratie van dit criterium i bij de vaststelling van Bijlage I in 2004 hetgeen de Europese Commissie niet wilde omdat zij vond dat het juist moest worden opgenomen als voorbeeld van een verpakking ter illustratie dit criterium. Dat gezien deze tegenstelling na de bemindelingsprocedure besloten is dat de Europese Commissie bestudeerd indien passend, in overeenstemming met de procedure van artikel 21, de voorbeelden ter illustratie van de definitie van verpakking in bijlage I en herziet deze waar nodig. Waarbij de drager o.a. prioritair zal worden behandeld. Dat de Commissie in 2011 komt met voorstellen om Bijlage I te herzien, waarbij het voorstel van de Commissie om de drager als illustratief voorbeeld van een verpakking ter illustratie van criterium i van dit artikel op te nemen in Bijlage I van Richtlijn 2013/2/EU van de Commissie van 7 februari 2013 tot wijziging van bijlage I bij Richtlijn 94/62/EG, is weggestemd in het art 21 Comité. En omdat er voor dit voorstel geen kwalitatieve meerderheid was te vinden, de Europese Commissie genoodzaakt was haar voorstel in te trekken waardoor haar voorstel uiteindelijk dus niet is opgenomen in Bijlage I van Richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval.
91
- II)
Indien de drager dient te worden aangemerkt als een verpakking in de zin van art. 3 lid 1 van de Richtlijn 94/62/EG is er dan sprake van ongelijke behandeling van de drager ten opzichte van voorbeelden van niet-verpakkingen die genoemd worden ter van voorbeelden ter illustratie van criterium i in Bijlage I bij deze Richtlijn met name ‘waslagen om kaas’ en ‘velletjes rond worst’ dit mede gezien in verband met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd in de punten 38 t/m 45 van haar cassatieberoepschrift.
92. Toelichting vraag I
Hiervoor verwijst belanghebbende naar hetgeen zij o.a. heeft aangevoerd in de punten 17 t/m 23 van haar cassatieberoepschrift. Is het geen verpakking in de zin van de Richtlijn dan is het dus ook geen verpakking in de zin van de Wbm.
93. Toelichting vraag II
In de Brief staat: ‘Onduidelijk is wat de verhouding is tussen de algemene definitie van ‘verpakking’ (en de daarbij behorende criteria opgenomen in art. 3, lid 1, van richtlijn 94/62) en de voorbeelden uit de lijst. Nederland vindt dat dit voorstel veel inconsistenties bevat in de definitie van verpakking.’. De Wbm maakt dezelfde uitzonderingen als die in Bijlage I staan van de Richtlijn. Ingeval het Europees Hof oordeelt dat er sprake zou zijn van ongelijk behandeling van de drager t.o.v. de vellen om worst en de waslagen van kaas dan is dat ook het geval bij de Wbm.
94
Strijd met het vrij verkeer van goederen
95
- III)
Belanghebbende verzoekt u het Hof van Justitie van de Europese Unie te vragen of de Nederlandse Verpakkingenbelasting niet in strijd is met het vrij verkeer van goederen gezien hetgeen zij heeft aangevoerd in punt 84 en 85 van dit cassatieberoepschrift.
96
STRIJD RECHTSZEKERHEID- EN/OF ZORGVULDIGHEIDSBEGINSEL Mocht blijken dat gezien het voorgaande dat de drager toch als een verpakking dient te worden aangemerkt en dat er geen sprake is van strijd met het Europese recht en dat u het geen exoot of logistiekhulpmiddel vindt, dan is belanghebbende van mening dat de naheffingen toch moeten worden vernietigd omdat de Inspecteur onzorgvuldig en in strijd met de rechtszekerheid heeft gehandeld door eerst in de twee helft van 2010 aan belanghebbende kenbaar te maken dat hij de drager als verpakking aanmerkt. Belanghebbende kan zich daarom niet vinden in de redenering van het Hof zoals weergegeven in zijn rechtsoverwegingen 4.15 t/m 4.19; gezien hetgeen zij heeft aangevoerd in de punten 63 t/m 67 onder a van dit cassatieberoepschrift en al hetgeen zij eerder daarover heeft aangevoerd.
Conclusie
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het cassatieberoep, tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en tot vernietiging van de naheffingsaanslagen verpakkingenbelasting voor de jaren 2008, 2009 en 2010 en tot terug betaling van op aangifte reeds voldane verpakkingenbelasting.
Belanghebbende verzoekt u de wederpartij te veroordelen tot volledige vergoeding van alle kosten die belanghebbende in en buiten rechten heeft gemaakt.
Uitspraak 11‑08‑2017
Inhoudsindicatie
Verpakkingenbelasting; art. 80, letter a, onder 1o en 4o, Wbm (oud); ; artt. 34, 36 en 110 VWEU; art. 32, leden 1 en 3, Uitvoeringsregeling Wbm (oud); release liner vormt een verpakking; uitzondering vermeld in art. 80, letter a, onder 1o, Wbm is niet van toepassing op release liner, omdat deze niet door de eindgebruiker samen met het etiket wordt gebruikt, verbruikt of verwijderd; geen strijd met algemene beginselen.
Partij(en)
11 augustus 2017
nr. 16/01603
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van fiscale eenheid [X1] Beheer B.V., [X2] B.V. c.s. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 februari 2016, nrs. 13/00744, 13/00745 en 13/00746, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 12/2210, AWB 12/2211 en AWB 12/2212) betreffende aan belanghebbende over 2008 tot en met 2010 opgelegde naheffingsaanslagen in de verpakkingenbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is een concern in de zin van artikel 80, aanhef en letter g, van de Wet belastingen op milieugrondslag (tekst van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012; hierna: de Wet) waarvan op grond van artikel 83, lid 2, van de Wet verpakkingenbelasting wordt geheven. Een van belanghebbende deel uitmakende vennootschap (hierna: de vennootschap) is gespecialiseerd in onder meer het bedrukken van zelfklevende etiketten. De vennootschap gebruikt daarvoor rollen materiaal die vanuit het buitenland zijn aangeleverd. Dat materiaal bestaat uit een blanco zelfklevende toplaag op een drager (een zogenoemde 'release liner').
2.1.2.
De vennootschap snijdt de rollen materiaal op maat en lengte, en stanst en bedrukt deze, zodat rollen met zelfklevende etiketten ontstaan. Zij levert deze rollen etiketten aan afnemers in Nederland (hierna: de eindgebruikers) die de etiketten vervolgens gebruiken voor het (machinaal) labelen van hun producten. Onmiddellijk voorafgaand aan het moment waarop het etiket (machinaal) wordt aangebracht op het object waarvoor het is bestemd, wordt de release liner verwijderd. De release liner blijft daarna over als afval.
2.1.3.
Belanghebbende heeft voor de jaren 2008, 2009 en de eerste maanden van 2010 geen verpakkingenbelasting op aangifte voldaan ter zake van de terbeschikkingstelling van de etiketten door de vennootschap aan een ander. Na een bedrijfsbezoek door de belastingdienst in juni 2010 heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de release liner een verpakking is in de zin van artikel 80, aanhef en letter a, van de Wet, waarvoor belanghebbende verpakkingenbelasting is verschuldigd op de voet van artikel 82, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet. Op die grond zijn op 17 oktober 2011 de onderwerpelijke naheffingsaanslagen aan belanghebbende opgelegd.
2.2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat de release liner voldoet aan de in artikel 80, aanhef en letter a, onder 1°, van de Wet gegeven omschrijving van verpakkingen, waarbij naar het oordeel van het Hof niet wordt voldaan aan de in onderdeel 1° omschreven voorwaarden voor producten waarvan de verpakking ook andere functies dan die van verpakking vervult, om van de groep ‘verpakkingen’ te worden uitgezonderd. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2014, nr. 13/03284, ECLI:NL:HR:2014:841, BNB 2014/129 (hierna: het arrest BNB 2014/129), en in aanmerking nemende dat de release liner wordt verwijderd onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop het (bewerkte) materiaal wordt aangebracht op het object waarvoor het is bestemd, heeft het Hof geoordeeld dat de omstandigheid dat de release liner integraal deel uitmaakt van nog door de vennootschap te bedrukken rollen materiaal, niet eraan in de weg staat dat de release liner voldoet aan de in de aanhef van artikel 80, letter a, van de Wet gegeven omschrijving van het begrip verpakkingen.
In dit kader heeft het Hof over de uitlegging van het begrip verpakkingen geoordeeld dat uit de discussie die in het kader van de vaststelling van Bijlage I bij Richtlijn 94/62/EG van 20 december 1994 (hierna: de Verpakkingenrichtlijn) tussen het Europees Parlement en de Commissie bij de vaststelling van Richtlijn 2004/12/EEG van 11 februari 2004 is gevoerd over het al dan niet opnemen van release liner in die bijlage I (hierna: Bijlage I), alsmede de discussie die later in het kader van de comitologieprocedure tussen de Commissie en vertegenwoordigers van de lidstaten is gevoerd bij de vaststelling van Richtlijn 2013/2/EU van 7 februari 2013 tot wijziging van Bijlage I, niet kan worden afgeleid dat release liner niet als verpakking in de hiervoor bedoelde zin kan worden aangemerkt. Voorts heeft het Hof belanghebbendes betoog verworpen dat de Inspecteur bij de toepassing van de Wet de Verpakkingenrichtlijn moet volgen. Naar het oordeel van het Hof kan dit betoog belanghebbende niet baten omdat de Verpakkingenrichtlijn geen uitsluitsel geeft over de vraag of de release liner al dan niet als een verpakking is aan te merken, en omdat de Verpakkingenrichtlijn volgens het Hof ook niet is gericht op harmonisatie van belastingwetgeving van de lidstaten.
Het Hof heeft in dit kader - tot slot - verworpen belanghebbendes stelling dat de Inspecteur wat betreft de uitleg van het begrip verpakkingen zou zijn gebonden aan de duiding van de release liner door ambtenaren van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, door de collectieve uitvoeringsorganisatie Nedvang die op grond van afspraken die zijn gemaakt tussen overheid en de papierbranche heffingen op verpakkingen heft en int, of aan hetgeen is neergelegd in diverse convenanten die de papierbranche heeft gesloten met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het ministerie van Infrastructuur en Milieu.
2.2.2.
Voor zover de middelen met een beroep op de Verpakkingenrichtlijn betogen dat de hiervoor in 2.2.1 weergegeven overwegingen op grond waarvan het Hof de release liner als een verpakking in de zin van artikel 80, aanhef en letter a, van de Wet heeft aangemerkt, getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, wordt als volgt geoordeeld.
2.2.3.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de Verpakkingenbelasting ertoe strekt – naast het genereren van opbrengst voor de schatkist en de mate van milieuvervuiling tot uitdrukking te laten komen in de marktprijzen – waar mogelijk de hoeveelheid verpakkingen terug te dringen alsmede een verschuiving te realiseren naar verpakkingsmaterialen met een minder schadelijke invloed op het milieu (zie Kamerstukken II 2007/08, 31 205, nr. 3, blz. 18-19). Hoewel de wetgever - vanwege de omstandigheid dat een verpakkingenbelasting een nationale belasting is die een zuiver interne situatie bestrijkt - niet was gehouden voor dat doel het begrippenkader en de uitwerking van de Verpakkingenrichtlijn in de Wet over te nemen, heeft de wetgever, naar blijkt uit de memorie van toelichting bij het Belastingplan 2008, voor de omschrijving van het begrip verpakkingen die aansluiting wel gezocht. Ondanks de enigszins andere opzet dan die van de Verpakkingenrichtlijn en hier en daar het gebruik van een andere terminologie met betrekking tot de woorden product, goed en artikel, heeft de wetgever met het begrippenkader in artikel 80, aanhef en letter a, onder 1° tot en met 3° (voorheen: artikel 36s, aanhef en letter a, onder 1° tot en met 3°), van de Wet geen inhoudelijke afwijking beoogd ten opzichte van de definitie van verpakkingen in de Verpakkingenrichtlijn (zie Kamerstukken II 2007/08, 31 205, nr. 3, blz. 64-65). Die omstandigheid brengt mee dat de met ingang van 1 januari 2008 ingevoerde wettelijke regeling inzake de verpakkingenbelasting in zoverre overeenkomstig de Verpakkingenrichtlijn moet worden uitgelegd. Wanneer immers een nationale wettelijke regeling ter bepaling van de voorschriften die in een zuiver interne situatie van die staat van toepassing zijn, verwijst naar bepalingen van Unierecht, heeft de Unie belang erbij dat de overgenomen bepalingen of begrippen van het recht van de Unie op eenvormige wijze worden uitgelegd, ongeacht de omstandigheden waaronder zij toepassing moeten vinden (vgl. onder meer HvJ 20 maart 2014, Caixa d’Estalvis i Pensions de Barcelona, C‑139/12, ECLI:EU:C:2014:174, punt 44, en HvJ 18 oktober 1990, M. Dzodzi, C‑297/88 en C‑197/89, ECLI:EU:C:1990:360, punten 37 en 41).
Hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de richtlijnconforme interpretatie van artikel 80, aanhef en letter a, onder 1° tot en met 3°, van de Wet geldt niet voor het bepaalde in artikel 80, letter a, onder 4°, van de Wet, dat bij het Belastingplan 2009 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 aan de Wet is toegevoegd. Met de toevoeging van dit onderdeel heeft de wetgever beoogd twee categorieën producten van de heffing van verpakkingenbelasting uit te sluiten, te weten bij ministeriële regeling aan te wijzen logistieke hulpmiddelen alsmede verpakkingen die hoofdzakelijk een andere functie hebben dan een verpakkingsfunctie. Aanleiding voor deze aanpassing vormden administratieve problemen die zich bij bepaalde verpakkingen kunnen voordoen voor bedrijven, alsmede “het gevoel bij bepaalde verpakkingen dat deze ten onrechte met verpakkingenbelasting werden belast omdat zij in het spraakgebruik niet echt als verpakkingen worden aangemerkt. Door de wijziging van de definitie van verpakkingen komt deze definitie niet meer in zijn geheel overeen met de definitie van verpakkingen voor het Besluit verpakkingen. Hierdoor ontstaat een groep verpakkingen die niet meer met verpakkingenbelasting wordt belast maar waarvoor nog wel de verplichtingen uit het Besluit verpakkingen gelden" (zie Kamerstukken II 2008/09, 31 704, nr. 3, blz. 32).
2.2.4.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.2.3 is overwogen, worden de middelen - voor zover zij betogen dat de omschrijving van het begrip verpakkingen, opgenomen in artikel 80, aanhef en letter a, tot en met onderdeel 3°, van de Wet, in overeenstemming met de definitie van het begrip verpakkingen in de zin van artikel 3 van de Verpakkingenrichtlijn moet worden uitgelegd - terecht voorgesteld. Het oordeel van het Hof dat de Verpakkingenrichtlijn geen uitsluitsel kan geven over de vraag of de release liner al dan niet als een verpakking in de zin van artikel 80, aanhef en letter a, onder 1°, is aan te merken en de inspecteur niet is gehouden voor dit begrip de Verpakkingenrichtlijn in acht te nemen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
2.2.5.
De middelen kunnen echter in zoverre niet tot cassatie leiden. Het begrip verpakking in de Verpakkingenrichtlijn moet ruim worden uitgelegd (zie HvJ 29 april 2004, Plato Plastik Robert Frank, C‑341/01, ECLI:EU:C:2004:254, punten 56 en 57, en HvJ 10 november 2016, Eco-Emballages SA, C‑313/15 en C‑530/15, ECLI:EU:C:2016:859, hierna: het arrest Eco-Emballages, punt 24). Uit het arrest Eco-Emballages moet – naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is – worden afgeleid dat een artikel als de release liner, ongeacht andere functies die de release liner ook kan vervullen, in beginsel voldoet aan de positieve definitie van artikel 3, lid 1, eerste en tweede alinea, van de Verpakkingenrichtlijn, maar dat het niet voldoet aan het in artikel 3, lid 1, derde alinea, onder i, van de Verpakkingenrichtlijn, omschreven negatieve criterium.
Om een artikel van het begrip verpakking uit te zonderen volgens dit negatieve criterium is niet alleen vereist dat het artikel integraal deel uitmaakt van een product, maar ook dat het nodig is om dat product tijdens zijn levensduur te bevatten, te ondersteunen of te bewaren en alle elementen zijn bedoeld om samen gebruikt, verbruikt of verwijderd te worden. Aan dit criterium wordt in dit geval niet voldaan. Ook indien de release liner en het zelfklevende etiket een integraal product vormen in de zin van dit artikelonderdeel, geldt dat voor de eindgebruikers de release liner niet nodig is om het etiket tijdens zijn levensduur te bevatten, te ondersteunen of te bewaren, en zijn bovendien de beide elementen niet bestemd om door de eindgebruikers samen te worden verbruikt of verwijderd (vgl. het arrest Eco-Emballages, punt 35). De eindgebruikers verwijderen immers eerst (machinaal) de release liner alvorens het etiket te gebruiken. Zodra het etiket is losgemaakt van de release liner om te worden gebruikt, heeft de release liner geen functie meer ten opzichte van het verwijderde etiket.
Anders dan de middelen verdedigen, zijn in Bijlage I niet wat objectieve kenmerken en eigenschappen betreft een of meer gelijksoortige en om die reden rechtens vergelijkbare artikelen als de rollen materiaal opgenomen als voorbeeld van een product dat niet onder het begrip verpakking van de Verpakkingenrichtlijn kan worden begrepen. Ook aan de hiervoor in 2.2.1, tweede alinea, bedoelde discussies kan geen steun worden ontleend voor de stelling dat het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk hebben beoogd producten als de rollen materiaal en release liner niet aan te merken als een verpakking.
Uit het voorgaande vloeit daarom voort dat de release liner een verpakking is in de zin van artikel 3 van de Verpakkingenrichtlijn, en dat de release liner daarmee ook voldoet aan de in artikel 80, aanhef en letter a, onder 1°, van de Wet opgenomen – en met de Verpakkingenrichtlijn overeenkomende - omschrijving van het begrip verpakkingen.
2.2.6.
Voor zover de middelen de hiervoor in 2.2.1 weergegeven oordelen van het Hof op andere gronden bestrijden, kunnen zij evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (zie ook het arrest BNB 2014/129).
2.3.1.
Het Hof heeft verworpen belanghebbendes standpunt dat de Minister van Financiën (hierna: de Minister) het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door de release liner niet toe te voegen aan een van de in artikel 32, leden 1 en 3, van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag (tekst van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012; hierna: de Uitvoeringsregeling) opgenomen opsommingen van producten die voor de heffing van verpakkingenbelasting zijn uitgezonderd van het begrip verpakkingen. Naar het oordeel van het Hof kan van de release liner niet worden gezegd dat die naar zijn aard hoofdzakelijk een andere functie dan een verpakkingsfunctie heeft en wijkt het daarom in rechtens relevante zin af van de producten die zijn vermeld in artikel 32, leden 1 en 3, van de Uitvoeringsregeling. Het Hof heeft aan dit oordeel ten grondslag gelegd dat de release liner dient ter bescherming van het materiaal tegen voortijdige uitdroging en voortijdige hechting en derhalve een beschermende functie heeft in de zin van artikel 80, aanhef en letter a, onder 1°, van de Wet. De omstandigheid dat de beschermingsfunctie van de release liner ook tot uitdrukking komt bij het transport van de zelfklevende etiketten op zeer hoge snelheid door de druk- en snijmachines tijdens het productie-, bewerkings- en verwerkingsproces en dat de release liner voorts het machinaal aanbrengen van de etiketten op een object vereenvoudigt, doet naar het oordeel van het Hof aan die beschermingsfunctie niet af.
2.3.2.
Voor zover de middelen zijn gericht tegen het hiervoor in 2.3.1 vermelde oordeel van het Hof dat de Minister het gelijkheidsbeginsel niet heeft geschonden, wordt als volgt overwogen.
2.3.3.
Vooropgesteld wordt dat artikel 1 van de Grondwet niet ieder verschil in behandeling van gelijke gevallen verbiedt, maar slechts die verschillen waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat (vgl. HR 4 november 2016, nr. 15/03647, ECLI:NL:HR:2016:2495, BNB 2017/26).
2.3.4.
Ingevolge artikel 80, letter a, onder 4o, van de Wet worden niet als (belaste) verpakkingen aangemerkt de bij ministeriële regeling aan te wijzen logistieke hulpmiddelen en producten die wel voldoen aan de omschrijving van verpakkingen, maar die naar hun aard hoofdzakelijk een andere functie dan een verpakkingsfunctie hebben, en mitsdien niet als verpakkingen worden beschouwd. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling is hiermee beoogd tegemoet te komen aan administratieve problemen die zich bij bepaalde verpakkingen kunnen voordoen voor bedrijven, alsmede het gevoel bij bepaalde verpakkingen dat deze ten onrechte met verpakkingenbelasting werden belast omdat zij in het spraakgebruik niet echt als verpakkingen worden aangemerkt (zie Kamerstukken II 2008/09, 31 704, nr. 3, blz. 32). Daartoe heeft de wetgever onder meer voorzien in een regeling waarbij hij het aan de Minister overlaat te bepalen welke individuele producten of groepen van producten voldoen aan de in artikel 80, letter a, onder 4o, van de Wet bedoelde criteria. Daarbij is de wetgever ervan uitgegaan dat alleen de producten die vermeld staan op de door de Minister opgestelde lijst, buiten de verpakkingendefinitie vallen en daarom niet in de heffing worden betrokken, en andere producten wel, ook als een belastingplichtige meent dat zo een ander product ook hoofdzakelijk een andere functie dan een verpakkingsfunctie heeft. Voorts heeft de wetgever bepaald dat bij het aanwijzen van die producten de Minister eisen kan stellen aan afmetingen dan wel inhoud van de producten. Voor de hiervoor bedoelde delegatiegrondslag is gekozen, omdat zo in lagere regelgeving een lijst ontstaat waarmee aan het bedrijfsleven de gewenste duidelijkheid wordt verschaft (zie voor dit een ander Kamerstukken II 2008/09, 31 704, nr. 3, blz. 31-32 en 56-58). De aldus tot stand gekomen regelgeving die hier in geding is, komt niet in strijd met enig beginsel dat is neergelegd in Nederland bindende verdragen.
De Minister heeft in artikel 32, leden 1 en 3, van de Uitvoeringsregeling de producten aangewezen die – ondanks een verpakkingsfunctie - niet in de heffing van verpakkingenbelasting worden betrokken.
2.3.5.
In het licht van de hiervoor in 2.3.4 weergegeven totstandkomingsgeschiedenis kan niet worden gezegd dat de keuze van de wetgever in formele zin voor de hiervoor bedoelde regeling, inhoudende dat voor de heffing van verpakkingenbelasting alleen de in artikel 80, letter a, onder 4o, van de Wet omschreven categorieën van producten in aanmerking kunnen komen om niet als een verpakking te worden aangemerkt en een heffing van verpakkingenbelasting daarop achterwege kan blijven, evident van redelijke grond is ontbloot.
Evenmin kan worden gezegd dat, gelet op de aard van de producten die in artikel 32, leden 1 en 3, van de Uitvoeringsregeling zijn vermeld, de Minister (in strijd met de Grondwet of een internationaal verdrag) het discriminatieverbod heeft geschonden door de release liner niet in een van die artikelleden op te nemen. Het oordeel van het Hof dat de release liner geen logistiek hulpmiddel in de zin van artikel 80, letter a, onder 4o, van de Wet is, ook niet vanwege de functie die het (mede) vervult tijdens het productie-, bewerkings- en verwerkingsproces dan wel tijdens het machinaal labelen van producten, getuigt - gelet op de toelichting die de wetgever op dat begrip heeft gegeven (zie hiervoor in 2.3.4) - niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
2.3.6.
Ook het oordeel van het Hof dat de release liner met zelfklevende etiketten een integraal product vormt dat naar zijn aard niet hoofdzakelijk een andere functie dan een verpakkingsfunctie heeft, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op de wetsgeschiedenis is met de niet-verpakkingsfunctie bedoeld een ‘gebruiksfunctie’ die het product, zoals dit door de producent in Nederland ter beschikking wordt gesteld aan een ander om tezamen met een ander product te worden gebruikt, mede heeft na het volledig doorlopen van een productie-, bewerkings- of verwerkingsproces. Aangezien de eindgebruikers de release liner als verpakking (machinaal) eerst scheiden van de zelfklevende etiketten alvorens die etiketten worden aangebracht (gebruikt), kan niet worden gezegd dat de release liner en het zelfklevende etiket gezamenlijk hoofdzakelijk een niet-verpakkingsfunctie hebben.
2.3.7.
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.3 tot en met 2.3.6 is overwogen, falen de middelen voor zover zij zijn gericht tegen het hiervoor in 2.3.1 weergegeven oordeel van het Hof.
2.4.1.
Het Hof heeft verder verworpen belanghebbendes standpunt dat de naheffingsaanslagen moeten worden vernietigd op de grond dat de Inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld door belanghebbende pas in 2010 op de hoogte te stellen van zijn standpunt dat release liner een verpakking is in de zin van artikel 80, aanhef en letter a, van de Wet. Daaraan heeft het Hof ten grondslag gelegd dat de Inspecteur de zorgvuldigheid heeft betracht die redelijkerwijs van een bestuursorgaan kon worden verwacht.
2.4.2.
De middelen voeren terecht aan dat het hiervoor in 2.4.1 gegeven oordeel van het Hof niet volstaat om het in hoger beroep door belanghebbende aangevoerde standpunt hieromtrent te verwerpen. Dat standpunt houdt in dat na de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 17 juli 2008 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2007/08, 28 694, nr. 69) zij noch de brancheorganisatie KVGO tijdig erover is geïnformeerd dat release liner belast is met verpakkingenbelasting, ondanks alle vergaderingen die als vervolg op deze brief in het kader van onder meer de Klankbordgroep Aangifte Verpakkingenbelasting (destijds vanuit de overheid opgericht) door de overheid met het bedrijfsleven zijn gehouden en waaraan ook vertegenwoordigers van het ministerie van Financiën en de belastingdienst hebben deelgenomen.
2.4.3.
De middelen in zoverre kunnen evenwel niet tot cassatie leiden. De hiervoor in 2.4.2 genoemde brief en vergaderingen hebben betrekking op het in het kader van het Belastingplan 2009 met het bedrijfsleven gevoerde overleg over een inperking van de tot dan bestaande definitie van het begrip verpakkingen. Zolang dat overleg gaande was, kon belanghebbende niet op goede grond menen dat release liner niet onder de bestaande (ruime) definitie van het begrip verpakkingen viel. Het genoemde overleg heeft niet ertoe geleid dat release liner van dat begrip is uitgezonderd. Uit de gedingstukken blijkt voorts niet dat belanghebbende voor het Hof heeft aangevoerd dat zij aan de inhoud van de brief van de Staatssecretaris van Financiën of aan andere tijdens de hiervoor bedoelde vergaderingen gedane uitlatingen het vertrouwen kon ontlenen dat release liner van de heffing van verpakkingenbelasting zou worden uitgezonderd. Onder die omstandigheden is er geen grond voor het oordeel dat de onderhavige naheffingsaanslagen wegens schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur moeten worden vernietigd. De omstandigheid dat belanghebbende of haar brancheorganisatie pas in 2010 ermee bekend is geworden dat het overleg niet ertoe heeft geleid dat voor release liner een uitzondering is gemaakt, vormt geen grond voor vernietiging van de naheffingsaanslagen.
2.5.1.
Het Hof heeft verworpen belanghebbendes standpunt dat de heffing van verpakkingenbelasting op in Nederland geproduceerde zelfklevende etiketten in strijd is met de artikelen 34 en 36 VWEU. Aan dat oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat een verpakkingenbelasting geen kwantitatieve invoer- of uitvoerbeperking in de zin van voornoemde artikelen is.
Voor zover de middelen zijn gericht tegen dit oordeel van het Hof, herhalen zij het in het hoger beroep gehouden betoog dat de verpakkingenbelasting op producten als release liner indirect het vrije verkeer binnen de Unie nadelig beperkt. Indien de drager van een zelfklevend etiket als een verpakking wordt aangemerkt, betalen producenten die hun producten in Nederland voorzien van een zelfklevend etiket, over de toplaag (het etiket in engere zin) als onderdeel van de verpakking over de drager belasting, terwijl een importeur die dezelfde producten vanuit het buitenland op de Nederlandse markt brengt niet over de drager belasting behoeft te betalen omdat die niet op de Nederlandse markt komt maar als secundaire grondstof in het buitenland achterblijft. Dit vormt, aldus de middelen, een verboden belemmering van het onderlinge handelsverkeer.
2.5.2.
Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie omtrent de samenhang van de bepalingen van het VWEU met betrekking tot het vrije verkeer van goederen dat de werkingssfeer van artikel 34 VWEU (voorheen: artikel 28 EG) niet de belemmeringen omvat die onder andere specifieke bepalingen vallen, en dat de belemmeringen van fiscale aard of van gelijke werking als douanerechten, bedoeld in artikel 28 VWEU (voorheen: artikel 23 EG), artikel 30 VWEU (voorheen: artikel 25 EG) en artikel 110 VWEU (voorheen: artikel 90 EG), niet onder het verbod van artikel 34 VWEU vallen. Bovendien zijn, wat de respectieve werkingssfeer van artikel 30 VWEU en artikel 110 VWEU betreft, volgens vaste rechtspraak de bepalingen betreffende heffingen van gelijke werking en die betreffende discriminerende binnenlandse belastingen niet cumulatief van toepassing, zodat eenzelfde belasting in het systeem van het VWEU niet gelijktijdig tot beide categorieën kan behoren. Het is buiten redelijke twijfel dat onder het bereik van de artikelen 34 tot en met 36 VWEU niet vallen belemmeringen van fiscale aard of van gelijke werking als douanerechten, bedoeld in de artikelen 28 VWEU, 30 VWEU en 110 VWEU (vgl. HvJ 17 juni 2003, De Danske Bilimportører, C-383/01, ECLI:EU:C:2003:352, punten 32 en 33, en de daar aangehaalde rechtspraak, alsmede de beschikking van het HvJ van 10 december 2007, Piotr Kawala, C-134/07, ECLI:EU:C:2007:770, punt 24). Het hiervoor in 2.5.1 weergegeven oordeel van het Hof is juist, zij het dat met dat oordeel – naar de middelen terecht aanvoeren – nog niet is verworpen de in hoger beroep aangevoerde stelling dat de verpakkingenbelasting op producten als release liner het handelsverkeer binnen de Unie nadelig beïnvloedt.
2.5.3.
Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie is een last geen heffing van gelijke werking als een douanerecht, maar een binnenlandse belasting in de zin van artikel 110 VWEU, indien hij deel uitmaakt van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen waardoor groepen producten stelselmatig worden getroffen volgens objectieve criteria, die onafhankelijk zijn van de oorsprong of de bestemming van het goed (vgl. HR 5 februari 2010, nr. 08/02945, ECLI:NL:HR:2010:BL1950, BNB 2010/103, rechtsoverweging 3.3).
De verpakkingenbelasting wordt geheven ter zake van:
i) de verpakking van ter beschikking gestelde producten, voor zover die verpakte producten voor het eerst door een producent in Nederland ter beschikking worden gesteld aan een ander (artikel 82, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 80, aanhef en letter e, van de Wet),
ii) de verpakking van producten, ingeval de importeur van de verpakte producten zich van die verpakking ontdoet of laat ontdoen (artikel 82, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 80, aanhef en letter f, van de Wet), of
iii) de verpakking die tezamen met een product dan wel producten ter beschikking wordt gesteld, voor zover deze voor het eerst door een producent in Nederland ter beschikking wordt gesteld aan een ander (artikel 82, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet).
De hiervoor in artikel 82, lid 1, aanhef, letters a en c, van de Wet omschreven belastbare feiten doen zich niet voor indien het verpakte product onderscheidenlijk de verpakkingen a) zich nog niet in het vrije verkeer van de Europese Unie bevinden, en b) bij de terbeschikkingstelling buiten Nederland worden gebracht.
Gelet op de hiervoor omschreven belastbare feiten wordt de verpakkingenbelasting niet geheven ter zake van verpakkingen wegens overschrijding van de grens van Nederland, maar stelselmatig volgens objectieve criteria, die onafhankelijk zijn van de oorsprong of de bestemming van het goed. Voor de heffing van verpakkingenbelasting maakt het geen verschil in welk land de verpakking is geproduceerd. De verpakkingenbelasting is daarmee een binnenlandse belasting in de zin van artikel 110 VWEU. Toetsing aan de artikelen 28 en 30 VWEU is niet aan de orde.
2.5.4.
Aangezien de verpakkingenbelasting in de kern erop is gericht het zich in Nederland ontdoen van verpakkingen te treffen, brengen de hiervoor in 2.5.3 omschreven belastbare feiten met zich dat een importeur die producten, voorzien van etiket, vanuit het buitenland op de Nederlandse markt brengt, niet over de drager belasting behoeft te betalen omdat die drager niet in Nederland is achtergebleven, terwijl dat wel het geval is wanneer het etiket in Nederland van de drager is verwijderd. Van dit onderscheid kan – naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is - niet worden gezegd dat dit strijd oplevert met artikel 110 VWEU of anderszins in strijd komt met het vrije goederen- of dienstenverkeer van de Unie, aangezien dit niet meebrengt dat Nederland een hogere binnenlandse belasting heft op producten van een andere lidstaat dan de belasting die op gelijksoortige nationale producten wordt geheven, dan wel dat door de onderwerpelijke belastingheffing andere producties in Nederland zijdelings worden beschermd (vgl. HR 5 januari 2007, nr. 39530, ECLI:NL:HR:2007:AV0830, BNB 2007/135, rechtsoverweging 5.8). De heffing wegens het in Nederland achterblijven van de drager, belemmert niet direct of indirect de handel van binnenkomende goederen waarop in het buitenland etiketten zijn geplakt. De omstandigheid dat het in Nederland (machinaal) met etiketten labelen van producten duurder kan uitvallen dan wanneer dat in andere lidstaten gebeurt, vormt geen handelsbelemmering waartegen het VWEU bescherming biedt. Ook voor zover de middelen als een beroep op strijdigheid van de verpakkingenbelasting met artikel 110 VWEU moeten worden opgevat, falen zij derhalve.
2.6.
De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, L.F. van Kalmthout en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2017.