HR, 11-04-2014, nr. 13/03284
13/03284
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-04-2014
- Zaaknummer
13/03284
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑04‑2014
ECLI:NL:HR:2014:841, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑04‑2014; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2013:1570
- Vindplaatsen
V-N 2014/18.18 met annotatie van Redactie
JAF 2014/457 met annotatie van mr. M.A. Toepoel
NTFR 2014/1602 met annotatie van mr. H Spaermon
FutD 2014-0850
Viditax (FutD) 2014041109
Beroepschrift 11‑04‑2014
Edelhoogachtbaar College,
Op 3 juli 2013 hebben wij namens [X] B. V. (hierna: belanghebbende), beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraken van het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) van 29 mei 2013, met de kenmerken BK/EA-SGR 12/00324, BK/EA-SGR 12/00325 en BK/EA-SGR 12/00326). In bijlage 1 treft u een kopie aan van deze uitspraken.
In navolging van uw brieven van 17 juli 2013 (kenmerk F 13/03284 en F 13/03285), doen wij u hierbij de motivering toekomen van vorengenoemd beroepschrift in cassatie. Volledigheidshalve merken wij op dat wij, zoals is afgestemd met de griffier, gezien de inhoudelijke vergelijkbaarheid van de zaken, één motivering hebben opgesteld voor beide hiervoor vermelde zaken.
Belanghebbende draagt de volgende twee cassatiemiddelen voor:
- 1.
Schending van het recht. Het oordeel van het Hof geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van hetgeen dient te worden verstaan onder ‘verpakkingen’ in de zin van de Wet belastingen op milieugrondslag, zoals deze gold van 1 januari 2008 tot 1 januari 2013 (hierna: de Wet).
- 2.
Verzuim van vormen. Het oordeel van het Hof is, in het bijzonder ten aanzien van de discussie op Europees niveau ten aanzien van de definitie van verpakkingen, ondeugdelijk gemotiveerd.
1. Schending van het recht
1.1
Het Hof geeft in zijn uitspraak een onjuiste uitleg aan:
- a.
Artikel 80, aanhef en onderdeel a, van de Wet, op grond waarvan belanghebbende primair van mening is dat geen sprake is van verpakking in de zin van de Wet (rechtsoverweging 7.7 tot en met 7.9 en rechtsoverweging 7.14).
- b.
Artikel 80, aanhef en onderdeel a, onder 1o, van de Wet op grond waarvan belanghebbende subsidiair van mening is dat het onderhavige product is uitgezonderd (rechtsoverweging 7.11).
- c.
Artikel 80, aanhef en onderdeel a, onder 4o, van de Wet op grond waarvan belanghebbende meer subsidiair van mening is dat het onderhavige product is uitgezonderd (rechtsoverweging 7.16 en 7.17).
Primair
1.2
Het onderhavige onderdeel, de liner, wordt niet gebruikt voor het insluiten, beschermen, verladen, afleveren en aanbieden van andere producten, aangezien het een onderdeel is van het totaalproduct, te weten het laminaat. Immers, kenmerkend van verpakkingen is dat de producten welke zijn ‘verpakt’, bij gebruik, worden ontdaan van de verpakking. Dit is in het onderhavige geval nu juist niet zo. De afnemers van belanghebbende bedrukken en stansen het laminaat, waarbij de restanten, i.e. niet enkel de liner maar versneden stukken laminaat, als afval achterblijven. Een praktisch voorbeeld is lettervormig stickermateriaal dat door de afnemers uit een of meer laminaten uit het productieproces wordt verkregen.
1.3
Hoewel het Hof uitleg geeft aan zijn standpunt door te verwijzen naar de in artikel 3, eerste punt, van Richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval (hierna: Verpakkingenrichtlijn) gebezigde terminologie, waarin niet wordt gesproken van ‘andere producten’, maar enkel van ‘goederen’, is belanghebbende van mening dat evengoed uit de Verpakkingsrichtlijn blijkt dat het moet gaan om het verpakken van goederen, hetgeen impliceert dat het een ander goed betreft en geen deel uitmaakt van het totaalproduct. Derhalve dient ook op grond van de bewoording van de Verpakkingenrichtlijn tot eenzelfde conclusie te worden gekomen, namelijk dat de liner niet kwalificeert als verpakking in de zin van de Wet. Immers, de liner is nu juist het goed dat als onderdeel van het totaalproduct wordt ingesloten, beschermd, verladen en aangeboden.
1.4
Ten aanzien van rechtsoverweging 7.8 merkt belanghebbende op dat het Hof een onjuiste opvatting heeft van de beschermfunctie. Gesteld kan worden dat de liner een beschermfunctie heeft, in die zin dat deze voorkomt dat het materiaal onbedoeld aan zichzelf, dan wel aan andere producten blijft kleven, maar niet gesteld kan worden dat de liner die beschermfunctie slechts heeft ten behoeve van een ander product in de zin van artikel 80, onderdeel a, van de Wet.
Immers, het laminaat wordt op rol, verpakt in een doos, verkocht. De liner zorgt ervoor dat het laminaat als zodanig bruikbaar is. De doos waarin het laminaat is verpakt, vervult de beschermfunctie zoals bedoeld in artikel 80, onderdeel a, van de Wet en niet de liner.
1.5
In rechtsoverweging 7.14 geeft het Hof naar het oordeel van belanghebbende een onjuiste uitleg van de definitie ‘verkoop- of primaire verpakkingen’. Het Hof heeft onder rechtsoverweging 7.2.5, volgens belanghebbende terecht, verwezen naar Kamerstukken II, 2007/08, 31 205, nr. 3, blz. 65–66, waar de wordingsgeschiedenis van artikel 80, aanhef en letter b, van de Wet wordt besproken. Hier wordt duidelijk dat onder ‘verkoop- of primaire verpakkingen’ wordt verstaan of als ‘verkoop- of primaire verpakkingen’ is te herkennen:
- —
Verpakking die in de regel direct om het product zit en voor de consument of klant een logisch onderdeel vormt van de verkregen verkoopeenheid; en
- —
Verpakking die een markttechnische of informatieve rol vervult doordat er bijvoorbeeld de merknaam op is gedrukt of een beschrijving van de inhoud of dat de verpakking het product aantrekkelijker maakt voor de verkoop.
Belanghebbende is van mening dat het Hof door het kwalificeren van de liner als verkoop- of primaire verpakking voorbij gaat aan de bedoeling die de wetgever met het betreffende wetsartikel heeft. Immers, zoals ook getoond en uitvoerig uitgelegd tijdens de mondelinge behandeling bij het Hof, wordt het laminaat in een doos, doorgaans verpakt in folie/papier, als verkoopeenheid aangeboden. Deze doos zit wel direct om het product, het laminaat, en vormt voor de consument of klant een logisch onderdeel van de verkregen verkoopeenheid en vervult een markttechnische of informatieve rol. Om die reden is deze doos dan ook betrokken in de heffing van de verpakkingenbelasting.
1.6
Hoewel op de onderste laag van het laminaat doorgaans ook het logo van belanghebbende en productie- en typegegevens worden vermeld, is het volgens belanghebbende onbegrijpelijk dat het Hof hier het verband legt naar de markttechnische en informatieve functie in het kader van de verkoopeenheid. Wanneer de rol laminaat als verkoopeenheid, i.e. in een doos, aan de afnemer wordt aangeboden is deze informatie logischerwijs niet zichtbaar. Zelfs wanneer de rol laminaat wordt uitgepakt is de betreffende informatie niet zichtbaar, tot het moment dat het laminaat wordt uitgerold voor verdere verwerking, zoals het bedrukken en het stansen. De papieren onderzijde heeft dan ook de functie om de te stansen figuren uit te tekenen en/of maakt het mogelijk het laminaat machinaal te verwerken. Belanghebbende kan zich om die reden dan ook niet verenigen met het standpunt dat de liner kwalificeert als ‘verkoop- of primaire verpakking’.
Subsidiair
1.7
Belanghebbende is van mening dat, mocht sprake zijn van een verpakking zoals bedoeld in artikel 80, aanhef en onderdeel a, van de Wet, hetgeen zij bestrijdt, de liner in ieder geval is uitgezonderd op grond van artikel 80, aanhef en onderdeel a, onder 1o, van de Wet.
In dit verband gaat het Hof in rechtsoverweging 7.11 in op de vergelijking met de waslaag die om kaas zit, welke vergelijking naar het oordeel van het Hof niet opgaat. Het Hof overweegt daarbij dat waslaag en kaas bedoeld zijn om samen te worden verbruikt of verwijderd, terwijl de ‘Facestock’ na het aanbrengen blijft bestaan en nut blijft afwerpen. Belanghebbende is van mening dat de vergelijking in dit verband wel terecht is. De kaas wordt inclusief waslaag geleverd aan bijvoorbeeld de supermarkt. De waslaag is vereist om de kaas te kunnen verkopen, anders zou deze namelijk uitdrogen en zou schimmelvorming optreden. Bij consumptie wordt de waslaag verwijderd en weggegooid. Daarbij zij opgemerkt dat kaas na het verwijderen van de waslaag kan worden verbruikt (geconsumeerd), maar in veel gevallen ook wordt gebruikt voor de verwerking in een ander product. De kaas blijft in dat geval dus langer nut afwerpen dan de waslaag. Hetzelfde geldt voor het laminaat welke door belanghebbende wordt geleverd voor verdere bewerking en stansen en welke later in de keten in bewerkte vorm, inclusief de liner, wordt geleverd aan de eindverbruiker. Ook de liner is vereist om het laminaat te kunnen verkopen. Eerst bij ‘consumptie’ wordt de liner verwijderd en weggegooid. Zowel voor de waslaag als voor de liner geldt dus dat deze gedurende de levensduur van het product wel degelijk onderdeel van het product is en dat na gebruik de kaas of ‘Facestock’ onderdeel is geworden van een ander product. Een duidelijke parallel. Het is onbegrijpelijk dat het Hof de parallel niet aanwezig acht.
1.8
Een vergelijking kan ook worden getrokken met de op de bijlage van de Verpakkingenrichtlijn genoemde printerpatronen. Ook daarvoor geldt dat na het verwijderen van het patroon de inkt nog een langere levensduur heeft. Dit staat echter niet in de weg aan toepassing van de uitzondering van artikel 80, aanhef en onderdeel a, onder 1o, van de Wet. Op dezelfde voet zou deze uitzondering ook van toepassing moeten zijn ten aanzien van de liner.
1.9
Volledigheidshalve is de Richtlijn 2013/2/EU van de Commissie van 7 februari 2013 tot wijziging van vorengenoemde bijlage bij de Verpakkingenrichtlijn, zoals ook overgelegd tijdens de zitting bij het Hof, bijgevoegd als bijlage 3.
1.10
Voorts blijkt uit de richtsnoeren voor de interpretatie van de definitie van verpakking, zoals opgenomen in het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval van 2002, opgenomen als bijlage 4, onder punt 7, dat geen sprake is van verpakking indien een artikel zowel deel uitmaakt van het fabricageproces als van het product. Het laminaat wordt gefabriceerd inclusief de liner, het geen niet anders kan rekening houdend met de kleefemulsie zoals hiervoor uiteengezet. Belanghebbende levert het laminaat als basismateriaal aan de grafische industrie waar de liner opnieuw deel uitmaakt van het fabricageproces, zoals hiervoor uiteengezet, evenals van het laminaat zelf. Ter verduidelijking hebben wij als bijlage 5 een document opgenomen van de FINAT, een internationale overkoepelende organisatie voor de zelfklevende etiketten industrie, waarin aan de hand van illustraties dit fabricageproces nogmaals in detail wordt uitgelegd.
In tegenstelling tot hetgeen is overwogen door het Hof in rechtsoverweging 7.9, heeft de richtlijngever het klaarblijkelijk van belang geacht onderscheid te maken tussen artikelen die zowel deel uitmaken van het fabricageproces als van het product en artikelen waarbij dit niet het geval is, teneinde te bepalen of het artikel kwalificeert als verpakking. In lijn met de uitspraak van de Rechtbank is het feit dat bewerking en doorlevering van het materiaal door afnemers van belanghebbende, zoals die welke behoren tot de grafische industrie, wel degelijk van belang.
Voorts merkt belanghebbende op dat het Hof in genoemde rechtsoverweging ervan uit is gegaan dat bewerking en doorlevering van het laminaat niet mogelijk is zonder verwijdering van de liner. Het tegenovergestelde is waar. Bewerking en doorlevering van het laminaat kan enkel vanwege het feit dat het de liner bevat.
Meer subsidiair
1.11
In rechtsoverweging 7.17 heeft het Hof overwogen dat de liner in rechtens relevante zin afwijkt van de gevallen zoals genoemd in de in artikel 32, derde lid, van de Uitvoeringsregeling opgenomen lijst, die door de Minister van het begrip ‘verpakkingen’ zijn uitgezonderd van de heffing van verpakkingenbelasting. Belanghebbende kan zich niet met deze zienswijze verenigen. Hoewel belanghebbende van mening is dat, gelet op het vorenstaande, niet aan artikel 80, aanhef en onderdeel a, onder 4o, van de Wet wordt toegekomen, is de voornaamste eigenschap van alle door de Minister genoemde producten, die naar hun aard hoofdzakelijk een andere functie dan een verpakkingsfunctie hebben, dat het een niet zonder het ander kan worden gebruikt. Het gaat dus om producten die hoofzakelijk een gebruiksfunctie hebben. Hetzelfde geldt voor de liner, die noodzakelijk is om het laminaat te kunnen verwerken. Belanghebbende stelt zich daarom op het standpunt, zoals eveneens aangevoerd in beroep in eerste aanleg, dat de Uitvoeringsregeling in zoverre in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, zoals dat onder meer is opgenomen in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. Gelijke gevallen worden door de onvolledige Uitvoeringsregeling ongelijk behandeld.
De regelgever heeft de liner niet opgenomen in artikel 32, derde lid, van de Uitvoeringsregeling, terwijl, zoals gezegd, vergelijkbare producten wel daarin zijn opgenomen. Het gevolg is dat de liner door de Belastingdienst als verpakking wordt beschouwd en vergelijkbare producten niet.
Een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor deze ongelijke behandeling is naar de mening van belanghebbende niet aan te wijzen.
Bij wetgeving in formele zin, zoals ten aanzien van de onderhavige Wet, heeft de wetgever een grote ruimte bij de beoordeling of sprake is van gelijke gevallen en of een rechtvaardiging bestaat voor de ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij dat van redelijke grond ontbloot is (vgl. HR 8 juli 2005, nr. 39 870, LJN AQ7212, BNB 2005/310). Bij de toetsing van lagere regelgeving aan het gelijkheidsbeginsel heeft de wetgever een minder ruime beoordelingsvrijheid. Een dergelijk geval doet zich in casu voor. Daar komt nog bij dat in het onderhavige geval heel duidelijk en in algemene termen is omschreven in artikel 80, aanhef en onderdeel a, onder 4o van de Wet, welke gevallen voor uitzondering op basis van een Uitvoeringsregeling in aanmerking komen. Dit verkleint onmiskenbaar de beoordelingsmarge van de regelgever. Het is, in andere woorden, niet zomaar mogelijk bijvoorbeeld een inktcartridge wel aan te merken als uitgezonderd product en een liner niet. Overeenkomstig het vorenstaande, is belanghebbende van mening dat in de onderhavige zaak is voldaan aan de eisen om de belastingrechter zelf het rechtstekort te laten oplossen. Immers, uit de regeling van artikel 80, aanhef en onderdeel a, onder 4o, van de Wet blijkt duidelijk welke gevallen voor vrijstelling op basis van een uitvoeringsregeling in aanmerking zouden moeten komen.
Hier doet zich, naar de mening van belanghebbende, niet het geval voor waarin verschillende oplossingen denkbaar zijn, laat staan dat er belangrijke keuzes van rechtspolitieke aard moeten worden gemaakt. Op grond van het vorenstaande, komt eiseres tot de conclusie dat de Uitvoeringsregeling strijdig is met het gelijkheidsbeginsel en had het Hof in dit rechtstekort moeten voorzien door de regeling van artikel 32, derde lid, van de Uitvoeringsregeling ook te laten gelden voor de liner.
2. Verzuim van vormen
2.1
In rechtsoverwegingen 7.12.1 en 7.12.2 gaat het Hof in op bijlage I bij de Verpakkingenrichtlijn, laatstelijk gewijzigd ingevolge de Richtlijn van 7 februari 2013. De betreffende bijlage heeft als doel harmonisatie van de interpretatie van de definitie van verpakking in de EU. De bijlage is een voortvloeisel uit voorbeelden die zijn besproken in overleggen met de verschillende lidstaten, met als doel gevallen te verduidelijken waarin de grens tussen wat verpakking is en wat niet, onduidelijk blijft. Voorts heeft de bijlage als doel de tenuitvoerlegging en handhaving van het regelgevende kader voor verpakkingen te vergemakkelijken en gelijke voorwaarden te creëren voor marktdeelnemers in de hele interne markt van de EU.
2.2
De enkele duiding door het Hof dat het niet overnemen van het voorstel om ‘papier waarop zelfklevende etiketten zitten’ op te nemen in de onderhavige bijlage, als voorbeeld van verpakking, niet per se wil zeggen dat de liner niet als verpakking moet worden gezien, geeft blijk van een ondeugdelijke motivering. Immers, doel van de bijlage is nu juist gevallen te verduidelijken waarin de grens tussen wat verpakking is en wat niet, onduidelijk blijft. Belanghebbende is van mening dat het Hof voorbij gaat aan de rechtszekerheid en het vertrouwen dat wordt ontleend aan de betreffende bijlage en acht het dan ook in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dat zij naheffingsaanslagen opgelegd heeft gekregen met betrekking tot de verpakkingenbelasting ten aanzien van een product waarvan de meerderheid van de lidstaten van mening is dat dit geen verpakking betreft. Sterker, zoals belanghebbende reeds in haar beroep heeft gesteld en niet is weersproken, neemt het toenmalige ministerie van VROM (tegenwoordig Infrastructuur & Milieu) het standpunt in dat de liner niet als verpakking in de zin van de Verpakkingenrichtlijn dient te worden beschouwd. Dit is ook het ministerie dat op EU niveau deelneemt aan de overleggen omtrent de Verpakkingenrichtlijn.
Belanghebbende begrijpt dat dit ook de reden is dat tijdens de diverse overleggen over de Verpakkingenrichtlijn en de bijbehorende bijlage, die hebben plaatsgevonden tussen de Belastingdienst en de verschillende brancheorganisaties, waaronder de speciaal hiervoor opgerichte Klankbordgroep Aangifte Verpakkingenbelasting (KAV), de liner nooit ter sprake is gekomen. Deze werd immers niet als verpakking beschouwd, waardoor logischerwijs ook de uitzonderingsbepalingen nooit zijn overwogen.
Belanghebbende acht het onbillijk en onzorgvuldig dat zij nu achteraf als marktdeelnemer met deze kosten wordt geconfronteerd. Zeker nu andere lidstaten binnen de interne markt van de EU andere voorwaarden hanteren en ook de verschillende ministeries binnen Nederland een ander standpunt hanteren omtrent de liner en de kwalificatie hiervan als verpakking.
3. Conclusie
Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het cassatieberoep, tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en tot vernietiging van de naheffingsaanslagen verpakkingenbelasting voor de jaren 2008, 2009 en terugbetaling van de over het tijdvak 2010 op aangifte voldane verpakkingenbelasting.
Ten slotte verzoekt belanghebbende U de wederpartij te veroordelen in de kosten die zij in verband met de behandeling van het beroep in cassatie heeft moeten maken.
Uitspraak 11‑04‑2014
Inhoudsindicatie
Verpakkingenbelasting. Art. 80, aanhef en letter a, Wbm (tekst 2010). Art. 3, onderdeel 1, en bijlage I bij Richtlijn 94/62 EG (Verpakkingenrichtlijn). 'Release liner' is een verpakking in de zin van de verpakkingenbelasting.
Partij(en)
11 april 2014
nr. 13/03284
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 29 mei 2013, nr. BK-12/00326, betreffende een op aangifte voldaan bedrag aan verpakkingenbelasting.
1. Het geding in feitelijke instanties
Belanghebbende heeft over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 op aangifte een bedrag aan verpakkingenbelasting voldaan. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt en verzocht om teruggaaf, welk verzoek bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.
De Rechtbank te 's-Gravenhage (nr. AWB 11/7736) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en bepaald dat de Inspecteur aan belanghebbende een teruggaaf verleent.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ‘s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
Belanghebbende produceert en verkoopt zelfklevend materiaal dat als halffabricaat wordt verkocht aan industrie, groothandel en detailhandel. Het zelfklevend materiaal wordt door de afnemers van belanghebbende gebruikt voor de productie van zelfklevende labels. Daartoe wordt het door hen van belanghebbende gekochte materiaal gesneden en bedrukt.
3.1.2.
Het zelfklevende materiaal (hierna: het materiaal) bestaat uit vier lagen. De bovenste laag wordt gevormd door de ‘facestock’, de daaronder gelegen laag bestaat uit kleefemulsie, de daaronder gelegen laag bestaat uit een siliconencoating en de onderste laag is een ‘release liner’ (hierna: de liner), die de drager is van de drie andere lagen.
3.1.3.
De liner maakt integraal deel uit van het materiaal en heeft als functie te voorkomen dat de kleefemulsie en de siliconencoating uitdrogen alvorens het materiaal wordt aangebracht op het object waarvoor het uiteindelijk is bestemd. De liner voorkomt tevens dat het materiaal aan zichzelf of aan andere producten blijft kleven en maakt het aldus mogelijk dat het materiaal wordt geleverd aan afnemers die het materiaal kunnen bewerken en doorverkopen.
3.1.4.
Onmiddellijk voorafgaand aan het moment waarop het materiaal door de eindgebruiker wordt aangebracht op het object waarvoor het is bestemd, wordt de liner verwijderd. De liner blijft daarna over als afval. De ‘facestock’, die na het aanbrengen achterblijft op het bedoelde object, kan niet meer worden verwijderd zonder onherstelbaar te worden beschadigd en is daarom niet herbruikbaar.
3.1.5.
Op de liner zijn het logo van belanghebbende alsmede productie- en typegegevens afgedrukt.
3.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de liner een verpakking is als bedoeld in artikel 80, letter a, van de Wet belastingen op milieugrondslag (tekst tot 1 januari 2013; hierna: Wbm). Hiertegen richten zich de middelen.
3.3.1.
In het eerste middel wordt onder meer betoogd dat, anders dan het Hof heeft geoordeeld, de omstandigheid dat de liner integraal deel uitmaakt van het materiaal eraan in de weg staat de liner aan te merken als een product dat wordt gebruikt voor het insluiten, beschermen, verladen, afleveren en/of aanbieden van een ander product, zodat de liner reeds op deze grond niet onder het in de aanhef van artikel 80, letter a, Wbm gedefinieerde begrip verpakking valt.
3.3.2.
De aan het slot van artikel 80, letter a, onder 1O, Wbm geformuleerde uitzondering laat de mogelijkheid open dat een product integraal deel uitmaakt van een ander product en toch als verpakking moet worden aangemerkt. Dat is het geval indien het eerstbedoelde product niet nodig is om het laatstbedoelde product tijdens de levensduur daarvan te bevatten, te ondersteunen of te bewaren, en/of niet alle elementen van het laatstbedoelde product bedoeld zijn om samen gebruikt, verbruikt of verwijderd te worden. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 80 Wbm volgt dat de wetgever een ruime uitleg van het begrip verpakking voor ogen heeft gestaan. In het licht van het vorenstaande, en in aanmerking genomen dat de liner wordt verwijderd onmiddellijk voorafgaand aan het moment waarop het (bewerkte) materiaal door de eindgebruiker wordt aangebracht op het object waarvoor het bestemd is, staat de hiervoor in 3.3.1 genoemde omstandigheid niet eraan in de weg dat de liner voldoet aan de in de aanhef van artikel 80, letter a, Wbm gegeven definitie van het begrip verpakking. Het hiervoor in 3.3.1 weergegeven betoog faalt daarom.
3.4.1.
Het eerste middel komt voorts op tegen ’s Hofs oordeel dat de liner een verkoopverpakking is als bedoeld in artikel 80, letter b, Wbm.
3.4.2.
Het Hof heeft ter onderbouwing van dit oordeel overwogen dat de liner een noodzakelijk element is bij de verkoop van het materiaal en dat op de liner het logo van belanghebbende en productie- en typegegevens zijn afgedrukt, zodat de liner een logisch onderdeel van de verkregen verkoopeenheid vormt en mede een marketingtechnische en informatieve rol vervult.
Deze oordelen geven, mede gezien de door het Hof in de onderdelen 7.2.3 en 7.2.5 van zijn uitspraak aangehaalde passages uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 80 Wbm, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Zij zijn ook niet onbegrijpelijk. Het Hof hoefde zich van deze oordelen niet te laten weerhouden door de omstandigheid dat het op de liner afgedrukte logo en de daarop afgedrukte productie- en typegegevens pas zichtbaar worden op het moment waarop de liner wordt verwerkt. Ook dan kunnen dat logo en die gegevens immers nog een marketingtechnische en informatieve rol vervullen. Het eerste middel faalt derhalve ook in zoverre.
3.5.1.
Het eerste middel herhaalt verder het door het Hof verworpen beroep op de aan het slot van artikel 80, letter a, onder 1O, Wbm geformuleerde uitzondering. Deze uitzondering houdt in dat een product geen verpakking is indien dat product integraal deel uitmaakt van een ander product en het nodig is om dat product tijdens zijn levensduur te bevatten, te ondersteunen of te bewaren en alle elementen bedoeld zijn om samen gebruikt, verbruikt of verwerkt te worden.
3.5.2.
Het Hof heeft geoordeeld dat de ‘facestock’ een langere levensduur heeft dan de liner, die na het aanbrengen van het materiaal op het object waarvoor het is bestemd als afval achterblijft, en dat de liner niet is bestemd om tezamen met de overige elementen van het materiaal te worden gebruikt, verbruikt of verwijderd.
Dit oordeel kan, als van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk, in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hiervan uitgaande geeft ’s Hofs oordeel dat de hiervoor in 3.5.1 vermelde uitzondering niet van toepassing is, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij verdient nog het volgende opmerking. In het middel wordt verwezen naar onderdeel 7 van bijlage I bij het voorstel tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval (PB C 103E). In dat onderdeel 7 wordt als richtsnoer voor de interpretatie van de definitie van het begrip verpakking genoemd dat een artikel geen verpakking is indien het zowel deel uitmaakt van het fabricageproces als van het product. Voormeld voorstel heeft geleid tot Richtlijn 2004/12/EG van 11 februari 2004 (PB L 47/26). In de daarbij behorende bijlage I is het hiervoor genoemde onderdeel 7 niet opgenomen. Dat onderdeel mist daarom betekenis voor de uitleg van de aan het slot van artikel 80, letter a, onder 1O, Wbm geformuleerde uitzondering.
3.6.
Het eerste middel voor het overige en het tweede middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren R.J. Koopman en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2014.