Einde inhoudsopgave
Forumkeuze in het Nederlandse IPR (R&P nr. 159) 2008/7.3.5
7.3.5 Bepaalbaarheid van een gerecht of de gerechten
mr. P.H.L.M. Kuypers, datum 29-02-2008
- Datum
29-02-2008
- Auteur
mr. P.H.L.M. Kuypers
- JCDI
JCDI:ADS413207:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, Coreck Maritime/Handelsveem, Jur. 2000, p. 1-9337, NJ 2001, 599, r.o. 15; Van Houtte/Pertegás Sender, Het nieuwe Europese IPR, p. 37.
Bijv. Rb. Rotterdam 19 mei 2004, NIPR 2004, 172 die een forumkeuze die verwijst naar de 'port of discharge' (terecht) rechtsgeldig acht. Van Houtte/Pertegás Sender, Het nieuwe Europese 1PR, p. 37 wijst een forumkeuze met een verwijzing naar de 'rechter die het zeerecht het beste kent' terecht af. Deze forumkeuze is te onnauwkeurig; anders: Ibili, Gewogen rechtsmacht, p. 46 onder verwijzing naar Hof Arnhem 13 juli 2004, NIPR 2004, 362.
HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, Coreck Maritime/Handelsveem, Jur. 2000, p. 1-9337, NJ 2001, 599, r.o.14 en ook conclusie AG Alber, par. 28 e.v.
HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, Coreck Maritime/Handelsveem, Jur. 2000, p. 1-9337, NJ 2001, 599.
Hof 's-Gravenhage 30 mei 1989, NIPR 1990, 494, S&S 1990, 39; Hof 's-Gravenhage 7 november 1989, NIPR 1990, 495, S&S 1990, 62; Rb. Rotterdam 12 juli 1985, NIPR 1986, 324, S&S 1986, 4; Rb. Alkmaar 26 maart 1987, NIPR 1987, 460 (`competent authorities' is niet voldoende bepaalbaar); Hof van Justitie Nederlandse Antillen, 25 november 1986, NIPR 1988, 134, S&S 1987, 87; Rb. Rotterdam 28 juli 1989, NIPR 1990, 513, S&S 1990, 40; Hof 's-Gravenhage 19 november 1991, NIPR 1992, 421, S&S 1992, 95; Rb. Rotterdam 20 juli 1990, NIPR 1991, 181, S&S 1991, 6; Rb. Amsterdam 1 juli 1992, NIPR 1992, 439; Rb. Rotterdam 17 januari 2002, NIPR 2002, 133. Zie ook rechtspraak hierna vermeld in de par. over de forumkeuze die verwijst naar de Principal place of business'.
HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, Coreck Maritime/Handelsveem , Jur. 2000, p. 1-9337, NJ 2001, 599.
Van Houtte/Pertegás Sender, Europese 'PR-Verdragen, p. 50.
Vgl. Hof Arnhem 13 juli 2004, NIPR 2004, 362.
HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, Coreck Maritime/Handelsveem, Jur. 2000, p. 1-9337, NJ 2001, 599.
Bijv. Hof 's-Gravenhage 20 juni 1995, NIPR 1997, 121.
HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, Coreck Maritime/Handelsveem, Jur. 2000, p. 1-9337, NJ 2001, 599.
OLG München 11 februari 1981, Serie D 1-17.1.2 B 22 (woonplaats leverancier), Cour de Cassation, Ch. civ. 19 februari 1986, Rev. Crit. 1981, p. 134; OLG Koblenz 4 juli 1980, Serie D I-17.1.2-B 21 (plaats van branche-organisatie); Rb. Dordrecht 18 mei 1966, S&S 1966, 89 (`Geschiifissitz'). Anders: OLG Frankfurt 20 september 1978, Serie D I-17.11-B 8 en Pres. Rb. Dordrecht 3 oktober 1991, NJ 1991, 402; Hof Amsterdam 16 november 1995 NIPR 1997, 237(woonplaats eiser) en een uitspraak van RvK Antwerpen genoemd door Van Houtte/Pertegás Sender, Europese 'PR-Verdragen, p. 50 (noot 37).
HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, Coreck Maritime/Handelsveem, Jur. 2000, p. 1-9337, NJ 2001, 599.
AG Alber voor HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, Coreck Maritime/Handelsveem, Jur. 2000, p. 1-9337, NJ 2001, 599, par. 17 e.v. Een variant is een forumkeuze die verwijst naar de 'port of discharge', zie Rb. Rotterdam 19 mei 2004, NIPR 2004, 172 die deze forumkeuze (terecht) rechtsgeldig acht.
Hof 's-Gravenhage 19 november 1991, NIPR 1992, 421, S&S 1992, 95; Hof Amsterdam 7 juni 2001 in BR 14 februari 2003, http://www.rechtspraak.nl, IJN AF 1306, NIPR 2003, 109 (Aegon/DSRendite). Van Houtte/Pertegás Sender, Het nieuwe Europese 1PR, p. 37 noemen dit het centrum van belangen zonder dat blijkt dat zij hiermee een verschil bedoelen.
Rb. Amsterdam 1 juli 1992, S&S 1992, 48.
HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, Coreck Maritime/Handelsveem, Jur. 2000, p. 1-9337, NJ 2001, 599.
Van Houtte/Pertegás Sender, Het nieuwe Europese 1PR, p. 37.
Daarmee oudere jurisprudentie vervangende; voor oude rechtspraak zie bijv. Rb. Rotterdam 18 januari 1972, S&S 1972, 105.
HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98, Coreck Maritime/Handelsveem, Jur. 2000, p. 1-9337, NJ 2001, 599.
Koopmann 2005, (T&C Rv), art. 629 Rv, aant. 1.
HR 14 februari 2003, http://www.rechtspraak.nl, IJN AF 1306, NIPR 2003, 109 (Aegon/DS-Rendite), r.o. 3.4 waarover ook Hendrikse/Margetson, Capita Zeerecht, p. 309 e.v.
Deze rechtspraak is niet van toepassing, indien art. 629 lid 2 sub a Rv van toepassing is.
HvJ EG Nederlandse Antillen 25 november 1986, S&S 1987, 87, NIPR 1988, 134; Hof 's-Gravenhage 30 mei 1989, NIPR 1990, 494, S&S 1990, 39; Hof 's-Gravenhage 7 november 1989, NIPR 1990, 495 S&S 1190, 623; Rb. Rotterdam 28 juli 1989, NIPR 1990, 513 bevestigd door Hof 's-Gravenhage 19 november 1991, NIPR 1992, 421, S&S 1992, 95; Rb. Rotterdam 20 juli 1990, NIPR 1991, 181, S&S 1991, 6; Rb. Amsterdam 1 juli 1992, NIPR 1992, 439; Pres. Rb. Middelburg 25 januari 1995, NIPR 1996, 128; Rb. Rotterdam 24 februari 1995, NIPR 1997, 136, S&S 1996, 111; Rb. Rotterdam 3 maart 1995, NIPR 1997, 137, S&S 1996, 112.
Rb. Rotterdam 24 februari 1995, NIPR 1997, 136, S&S 1996,111; Rb. Rotterdam 3 maart 1995, NIPR 1997, 137, S&S, 112; Rb. Rotterdam 18 juli 1996, NIPR 1996, 139, S&S 1996, 113.
Rb. Rotterdam 20 juli 1990, NIPR 1991, 181, S&S 1991, 6; Rb. Rotterdam 1 juli 1992, NIPR 1992, 439, S&S 1993, 48; Hof Amsterdam 20 april 1995, NIPR 1996, 115, S&S 1995, 83 (commuun internationaal privaatrecht en onvoldoende bepaald), zie ook eerste aanleg Rb. Amsterdam 20 januari 1993, NIPR 1994, 299, S&S 1993, 116; Rb. Middelburg 7 september 1994, NIPR 1995, 284, S&S 1994, 117; Hof 's-Gravenhage 19 november 1991, NIPR 1992, 421 onder verwijzing naar Hof 's-Gravenhage 30 mei 1989, NIPR 1990, 494, S&S 1990, 39 (laattijdig en/of onvoldoende informatie verschaft); Hof 's-Gravenhage, 7 november 1989, NIPR 1990, 495, S&S 1990, 623 (waar het Hof op grond van onduidelijkheden in het cognossement onvoldoende bepaalbaarheid aanneemt); vgl. RvK Antwerpen 21 mei 1980, Serie D, I-17.1.1-B16 (die onvoldoende bepaalbaarheid aanneemt op grond van inhoud cognossement en overigens het toepassingsbereik van art. 17 EEX miskent); vgl. Rb. Amsterdam 12 maart 1986, S&S 1980, 92 (bleek uit cognossement en dagvaarding (!));Rb. Amsterdam 1 juli 1992, S&S 1993, 48; Rb. Rotterdam 12 juli 1985, NIPR 1986, 324, S&S 986, 4; Hof van Justitie Nederlandse Antillen 25 november 1986, NIPR 1988, 134, S&S 1987, 87; Rb. Rotterdam 28 juli 1989, NIPR 1990, 513, S&S 1990, 40; anders: Rb. Rotterdam 23 november 1984, NIPR 1985, 188, S&S 1985, 97 die ongeldigheid aannam op de grond dat uit het cognossement niet duidelijk bleek waar de principal place of business moest worden gelokaliseerd
Bijv. Rb. Rotterdam 24 februari 1995, NIPR 1997, 136; S&S 1996, 111; Rb. Rotterdam 18 juli 1996, NIPR 1997, 139, S&S 1996, 113; Rb. Rotterdam 17 januari 2002, NIPR 2002, 133, waarin de Rb. oordeelde dat door de 'Identity of carrier' clausule onduidelijkheid bestond over de identiteit van de vervoerder; anders rechtspraak die geldigheid aanneemt tenzij beroep in strijd was met goede trouw, Rb. Rotterdam 18 januari 1972, S&S 1972, 105.
Rb. Middelburg 7 september 1994, NIPR 1995, 284, S&S 1994, 117.
Rb. Rotterdam, 12 juli 1985, NIPR 1986, 324.
Hof 's-Gravenhage 30 mei 1989, NIPR 1990, 494, S&S 1990, 39.
Rb. Rotterdam 12 juli 1985, NIPR 1986, 324, S&S 1986, 4.
Rb. Amsterdam 1 juli 1992, S&S 1993, 49.
Hof 's-Gravenhage 19 november 1991, NIPR 1992, 421, S&S 1992, 95; Rb. Rotterdam 28 juli 1989, NIPR 1990, 513, S&S 1990, 40; anders: Rb. Rotterdam 23 november 1984, NIPR 1985, 188, S&S 1985, 97; vgl. Rb. Middelburg 1 februari 1995, NIPR 1996, 128 die een plicht aanneemt om Lloyds Scheepsregister te raadplegen.
HR 14 februari 2003, http://www.rechtspraak.nl, IJN AF 1306, NIPR 2003, 109 (Aegon/DS-Rendite), r.o. 3.4.
Rb. Rotterdam 3 maart 1995, NIPR 1997, 137, S&S 1996, 112.
Rb. Rotterdam 18 januari 1972, S&S 1972, 105 (commuun internationaal privaatrecht); anders: Rb. Amsterdam 1 juli 1992, NIPR 1992, 439, S&S 1993, 48 (waarin wordt gesteld dat Lloyds sowieso niet de principal place of business vermeldt); Hof van Justitie Nederlandse Antillen 25 november 1986, NIPR 1988, 134 (dat opmerkt dat de gegevens regelmatig zijn verouderd); bevestigend daarentegen: Rb. Rotterdam 28 juli 1989, NIPR 1990, 513, S&S 1990, 40; Rb. Middelburg 1 februari 1995, NIPR 1996, 128.
Ingevolge de 'Identity of Carrier' clausule wordt de vervoerovereenkomst in de regel geacht gesloten te zijn tussen de cognossementshouder en de eigenaar van het schip.
Rb. Rotterdam 18 januari 1972, S&S 1972, 105 (commuun internationaal privaatrecht); zie ook Rb. Amsterdam 19 oktober 1977, S&S 1978, 39; Rb. Rotterdam 12 juli 1985, NIPR 1986, 324.
HvJ EG 9 november 2000, zaak C-387/98; Coreck/Handelsveem, Jur. 2000, p. 1-9337, NJ 2001, 599.
HvJ EG 17 januari 1980, zaak 56/79, Zelger/Salinitri, Jur. 1980, p. 89; NJ 1980, 511; zie hierover par. 2.5.
OLG Frankfurt 3 april 1979, Serie D, 1-17.1.1 - B11 cognossementshouder en de eigenaar van het schip. Rb. Rotterdam 18 januari 1972, S&S 1972, 105 (commuun internationaal privaatrecht); zie ook Rb. Amsterdam 19 oktober 1977, S&S 1978, 39; Rb. Rotterdam 12 juli 1985, NIPR 1986, 324. TGI Parijs 9 november 1981, Rev Crit 1983, 712; TGI Parijs 14 januari 1982, Rev. Crit. 1983, p. 713; Tribunal du Commerce Rouen 2 november 1981, Rev. Crit. 1983, 713 ('l'attribution du compétence (.) n'est valable que si la siège territorial de la juridiction dont il s 'agit y est clairement désigné'); Tribunal Commercial Nantes 21 februari 1980, Rev. Crit. 1983, p. 714 en TGI Aix-en-Provence 14 mei 1981, Rev. Crit. 1983, p. 714. HvJ EG 17 januari 1980, zaak 56/79, Zelger/Salinitri, Jur. 1980, p. 89; NJ 1980, 511; Hof Amsterdam 24 december 1981, Serie D-1.17.3 B 4, NJ 1983, 547; vgl. de clausule 'Etflillungsort und Gerichts stand: fiir beide Teile Karlsruhe' die geldig werd geacht door Ktr. Zutphen 12 augustus 1986, NI 1987, 402
In de regel zullen partijen het gerecht of de gerechten aanduiden. Soms zullen partijen enkel de staat aangegeven (par. 7.3.3). Meestal vindt de aanduiding plaats door verwijzing naar een gerecht en een geografische plaats óf de gerechten en een aanduiding van een staat. Toch is zo'n gedetailleerde aanduiding niet nodig. Partijen kunnen volstaan met een verwijzing naar een forum zonder geografische aanduiding.1 Het forum moet echter op het moment van het instellen van de procedure bepaalbaar zijn aan de hand van objectieve elementen.2 Het Hof van Justitie acht een aanduiding met naam en geografische plaats niet nodig, omdat art. 23 EEX-V°/17 Verdrag berust op het beginsel van partij autonomie.3
Wanneer duidt een forumkeuze het forum of de fora voldoende aan? Het Hof van Justitie hanteert de volgende cumulatieve voorwaarden voor een forumkeuze die geen gerecht expliciet aanduidt:
de forumkeuze bevat objectieve elementen aan de hand waarvan bepaling van het bevoegde gerecht mogelijk is;
partijen hebben op basis van de objectieve elementen overeenstemming bereikt;
de objectieve elementen zijn voldoende nauwkeurig om het gerecht zich een oordeel te laten vormen over het aangewezen gerecht;
en mogen geconcretiseerd worden door de omstandigheden van het geval.
Deze voorwaarden wijken af van de criteria die de Nederlandse rechtspraak tot het arrest Coreck Maritime/Handelsveem4 gebruikte (zowel bij de interpretatie van het Verdrag als in het commune internationaal privaatrecht) en sindsdien nog slechts toepast in het commune internationaal privaatrecht in afwijking van de huidige EEX-V°Nerdrag interpretatie (art. 8 Rv). Naar Nederlands commuun internationaal privaatrecht is het criterium om vast te stellen of een forum voldoende is aangeduid nog steeds (in heersende mate): Kan op eenvoudige wijze worden vastgesteld welk gerecht voor het desbetreffende geschil bevoegd is?5 Voor de bespreking van de voorwaarden heb ik 'niet aangeduide' forumkeuzen onderverdeeld in categorieën. Aan de hand hiervan zal ik de voorwaarden bespreken. De categorieën zijn: nadere bepaalbaarheid door (i) partijwil, (ii) plaats van vestiging of woonplaats, (iii) `principal place of business' en (iv) plaats van uitvoering van de overeenkomst (`E'zfiillungsort').
i) Partijwil
Het is mogelijk dat aan de eiser een zekere vrijheid wordt gelaten. De tweede voorwaarde van het Hof van Justitie sluit dat niet uit, mits er objectieve elementen zijn. Dat strookt ook met de keuzemogelijkheid voor de eiser, indien de gerechten van een EG-lidstaat of verdragsluitende staat zijn aangewezen zonder nadere aanduiding. De forumkeuze waarbij bepaalbaarheid afhangt van partij wil kan worden onderverdeeld in twee subcategorieën:
a) Een 'eenzijdige forumkeuze' waarbij steeds één der partijen beslist, ongeacht haar processuele positie. Het is de vraag of zo'n forumkeuze aanvaardbaar is, nu steeds één der partijen - ongeacht haar positie als verweerder of eiser - bepaalt waar wordt geprocedeerd. Een onbeperkte eenzijdige keuze lijkt niet aan de voorwaarden van het arrest Coreck Maritime/Handelsveem6 te voldoen, omdat de objectieve elementen voor de geadieerde rechter ontbreken om vast te stellen of hij bevoegd is. Een partijwil (lees: volledige vrijheid) is mijns inziens onvoldoende objectief. 7
Naar Nederlands commuun internationaal privaatrecht is een onbeperkte keuzevrijheid voor één partij niet geldig. Ook onder art. 8 Rv dienen de voorwaarden van het arrest Coreck Maritime/Handelsveem te worden toegepast.8 Indien beperkingen voorkomen zodanig dat de forumkeuze wel kan voldoen aan de voorwaarden van het arrest Coreck Maritime/Handelsveem,9 dient niet te streng te worden omgegaan met dergelijke forumkeuzen. Misbruik zal in zulke gevallen snel zichtbaar worden. Indien tussen een Franse en een Nederlandse partij een geschil bestaat over een koopovereenkomst die is uitgevoerd in België, dan is eenzijdige aanwijzing door de daartoe bevoegde (verwerende) partij van een gerecht te Panama al gauw als misbruik te kwalificeren. Zolang de betreffende partij echter een keuze maakt voor de gerechten waarmee partijen of het geschil aanknopingspunten hebben (omdat dat is overeengekomen), kan niet op voorhand gezegd worden dan de keuze niet toelaatbaar is. De toets dient mijns inziens te zijn of de aanwijzende partij misbruik maakt van haar bevoegdheid. De misbruiktoets stelt grenzen aan de keuze van een gerecht op basis van een dergelijke forumkeuze Afhankelijk van haar positie kan de partij dan een gerecht aanwijzen dat in haar belang is. Maar dat is bij een forumkeuze in algemene voorwaarden meestal niet anders. Van misbruik kan bijv. sprake zijn, indien de partij een gerecht kiest wiens vonnis niet uitvoerbaar is (zie art. 7 WIPR) of een gerecht dat slechts met enorme vertraging uitspraak doet (zie art. 11 WIPR). In praktisch opzicht kan de aanwijzing van de Rb. Helsinki voor een geschil tussen een Nederlander en een Belg in ernstige mate de andere partij belemmeren in haar mogelijkheid rechten en verplichtingen door een gerecht te doen vaststellen, maar daarvan acht ik zonder bijzondere omstandigheden niet gauw sprake. De art. 6 en 7 WIPR leggen bovendien beperkingen op en bieden waarborgen voor misbruik, zodat buiten deze beperkingen en waarborgen niet veel ruimte bestaat om de aanwijzing van een gerecht niet rechtsgeldig te achten.
b) Een 'tweezijdige forumkeuze' waarbij één der partijen beslist over het bevoegde gerecht afhankelijk van de gemaakte afspraak, bijv. de processuele positie van de partij. Beide partijen kunnen bij de tweezijdige forumkeuze dus in de positie van aanwijzende partij komen te verkeren. Op voorhand is nog niet zeker welke partij bevoegd zal zijn het bevoegde gerecht aan te wijzen.10
Tegen een dergelijke forumkeuze bestaan mijns inziens zowel praktische als juridische bezwaren. Een praktisch bezwaar is de mogelijke wedren om te dagvaarden teneinde het bevoegde forum veilig te stellen (met als gevolg een onnodig snelle escalatie van een geschil). Daarom is zo'n forumkeuze vanuit praktisch oogpunt af te raden. Juridisch gezien kan weliswaar geen misverstand bestaan over de bevoegdheid tot aanwijzing, maar van objectieve elementen (in de forumkeuze) voor bepaling van de bevoegdheid van het gerecht is geen sprake. Een dergelijke tweezijdige forumkeuze lijkt daardoor niet aan de voorwaarden van het arrest Coreck Maritime/Handelsveem11 te voldoen. Een partijwil is mijns inziens onvoldoende objectief en niet voldoende nauwkeurig voor een gerecht om zich een oordeel te vormen over het aangewezen gerecht. Er zal meer moeten zijn, zodanig dat tevoren inzichtelijk is welke keuzemogelijkheden de eisende partij heeft of op welke wijze de keuze tot stand gaat komen.
Voor het Nederlands commune internationaal privaatrecht zie ik dezelfde problemen. De aangezochte rechter kan op grond van de forumkeuze niet eenvoudig vaststellen of hij bevoegd is. De forumkeuze bepaalt hierover niets.
ii) Woonplaats of zetel van één der partijen (of een derde) of een plaats waar een partij mede is gevestigd
In de jurisprudentie is zo'n aanwijzing in een forumkeuze bijna steeds voldoende bepaalbaar geacht.12 Het is niet verwonderlijk dat zo'n forumkeuze weinig problemen oplevert, omdat meestal gemakkelijk is vast te stellen (bijv. door het briefpapier, statuten en de Kamer van Koophandel of de burgerlijke stand) waar deze partij is gevestigd. Een dergelijke keuze voldoet zowel aan de voorwaarden van het arrest Coreck Maritime/Handelsveem13 als aan die van art. 8 Rv.
iii) Principal place of business
In het zeevervoer komt de aanwijzing van het gerecht van de `principal place of business' van één der partijen (meestal de vervoerder) vaak voor. In het bijzonder in cognossementen is een dergelijke forumkeuze in zwang.14
Wat wordt met `principal place of business' bedoeld? Dit begrip dient letterlijk te worden geïnterpreteerd: het is de plaats waar de partij het centrum van haar bedrijfsactiviteiten of bedrijfsvoering heeft.15 Degene om wiens zetel het gaat, zal eventueel moeten aantonen waar zijn principal place of business is.16 De vraag is derhalve: Wanneer is een verwijzing naar het gerecht waar een der partijen haar principal place of business heeft voldoende bepaalbaar?
Onder art. 23 EEX-V°/17 Verdrag is het in beginsel toegestaan in een forumkeuze te verwijzen naar de principal place of business.17Een dergelijke forumkeuze voldoet in beginsel aan de vier voorwaarden die het Hof van Justitie stelt: de principal place of business is bepaalbaar, aan de hand van objectieve elementen en voldoende nauwkeurig voor de aangezochte rechter om zich - na voorlichting door partijen over de principal place of business een mening te vormen. Het gerecht kan de principal place of business bovendien nader invullen aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit het cognossement zal de identiteit van de vervoerder moeten kunnen worden afgeleid. Is er bijv. meer dan één vervoerder en volgt uit de forumkeuze niet welke vervoerdeer is bedoeld, dan is de forumkeuze niet rechtsgeldig, omdat de aanwijzing onvoldoende objectieve aanknopingspunten bevat.18
In het Nederlandse commune internationaal privaatrecht19 zijn - met name door de invoering in 1992 van art. 629 Rv - de volgende rechtsregels uitgekristalliseerd die afwijken van de voorwaarden van het arrest Coreck Maritime/Handelsveem:20
1. Geschillen over een forumkeuze met een principal place of business clausule waarop art. 629 Rv niet van toepassing is, dienen alleen te worden getoetst aan art. 8 Rv en de eisen die de rechtspraak aan de principal place of business clausule stelt (zie hierna). Voor de goede orde merk ik op dat onder deze categorie onder meer vallen alle geschillen tussen andere partijen dan de vervoerder en de lading-ontvanger (derde-houder van het cognossement),21geschillen over overeenkomsten tot vervoer met een andere eindbestemming dan Nederland, geschillen over overeenkomsten tot vervoer dat niet geheel of gedeeltelijk heeft plaatsgevonden per schip en geschillen over overeenkomsten tot vervoer dat niet van buiten Nederland komt.
Een forumkeuze — in een procedure tussen de vervoerder en de ladingontvanger die het gerecht aanwijst van de plaats van eindbestemming van naar Nederland (vanuit het buitenland) geheel of gedeeltelijk per schip verricht vervoer is rechtsgeldig, indien de forumkeuze voldoet aan het bepaalde in art. 8 Rv. Bovendien zal de `principal place of business' clausule moeten voldoen aan de eisen die de rechtspraak daaraan stelt (zie hierna). Valt de principal place of business (van de vervoerder) waarnaar in de forumkeuze wordt verwezen samen met de eindbestemming, dan bestaat geen probleem onder art. 629 Rv. De forumkeuze zal onder het commune internationaal privaatrecht niet behoeven te voldoen aan het bepaalde in art. 629 lid 2 Rv, omdat het gekozen gerecht niet afwijkt van het forum van art. 629 lid 1 Rv. Deze forumkeuze zal een geringe rol van betekenis spelen in de praktijk, omdat de Nederlandse rechter ook bevoegd is op grond van art. 629 lid 1 Rv. Aannemende dat de forumkeuze met een principal place of business exclusief is, zal het belang van deze forumkeuze in de praktijk met name gelegen kunnen zijn in de derogatie van de bevoegdheid van gerechten van andere staten. De forumkeuze voor de Nederlandse rechter zal immers kunnen derogeren aan de rechtsmacht van de gerechten van andere staten in tegenstelling tot de bevoegdheid van de Nederlandse rechter krachtens art. 629 lid 1 Rv die geen derogerende werking heeft. Is de vordering bij de Nederlandse rechter aanhangig gemaakt en de exclusieve forumkeuze met principal place of business clausule rechtsgeldig, dan hangt de derogerende werking overigens af van het internationaal bevoegdheidsrecht van het gerecht in de staat waar de vordering in weerwil van de forumkeuze aanhangig wordt gemaakt.
Een forumkeuze met een `principal place of business' clausule die is neergelegd in een afzonderlijk, niet naar algemene voorwaarden verwijzend geschrift in overeenstemming met art. 629 lid 2 sub b Rv, is rechtsgeldig indien de forumkeuze voldoet aan de voorwaarden van art. 8 Rv en aan de eisen die de rechtspraak stelt aan de principal place of business clausule (zie hierna). Voor deze vorm en een bespreking daarvan verwijs ik naar par. 13.10.
In de overige gevallen waarin art. 629 Rv van toepassing is, zal een forumkeuze met een principal place of business clausule dienen te voldoen aan het bepaalde in art. 629 lid 2 sub a Rv. In essentie stelt art. 629 lid 2 sub a Rv als voorwaarde aan een principal place of business clausule dat uit het cognossement duidelijk kenbaar is welke rechter bevoegd is in de staat van de woonplaats van de vervoerder of de staat van de ontvanger op grond van de exclusieve forumkeuze.22 Deze bepaling en de beperkingen voor de principal place of business clausule in dit scenario worden besproken in par. 13.10.
Art. 629 lid 2 sub a Rv beheerst dus slechts in beperkte mate een forumkeuze met een principal place of business clausule. Alleen in het vierde scenario beperkt art. 629 Rv forumkeuzen met een principal place of business clausule. In andere gevallen blijft de rechtspraak (ook voor 1992) over principal place of business clausules van kracht. Resteert voor de scenario's 1 tot en met 3 hierboven de vraag waaraan een forumkeuze met een principal place of business clausule dient te voldoen. Uit de rechtspraak kunnen de volgende regels worden afgeleid:23
Op eenvoudige wijze moet kunnen worden vastgesteld welk gerecht op basis van de forumkeuze voor het geschil bevoegd is (algemeen criterium).24 Deze mogelijkheid tot eenvoudige vaststelling is niet alleen bedoeld voor de partijen zelf, maar vooral voor derden, zoals bijv. ladingontvangers en derde houders van een cognossement alsmede de geadieerde gerechten (zowel de gederogeerde als de aangewezen gerechten). Het moet derhalve geen puzzeltocht zijn naar de plaats die partijen met de principal place of business hebben beoogd aan te wijzen;
daartoe is in ieder geval voldoende dat de forumkeuze die plaats vermeldt (zie ook art. 629 Rv),25 of bij gebreke daarvan zal de partij van wie de principal place of business in het geding is direct bij het ontstaan van het geschil voldoende informatie aan de wederpartij dienen te verschaffen over haar principal place of business, alsmede - waar nodig - over de identiteit van deze partij als haar principal place of business in het geding is;26 en
bij onduidelijkheid over de principal place of busines clausule is de forumkeuze niet geldig.27
Met name de plicht hierboven onder (2) tot het verschaffen van inlichtingen is een belangrijke verplichting, omdat vaak moeilijk de principal place of business bij buitenlandse vennootschappen is vast te stellen. De plicht tot het verschaffen van inlichtingen geldt slechts voor zover bij de andere partij onduidelijkheid bestaat.28 Geen inlichtingenplicht is aanwezig, indien de andere partij bekend is met de principal place of business.29
De enkele mededeling van de betrokken partij dat de rechter te X bevoegd is, is niet voldoende voor een rechtsgeldige forumkeuze.30 De mededeling waar de principal place of business zich bevindt, is - in geval van twijfel daaromtrent - wel voldoende.31A fortiori is het niet antwoorden op een daartoe strekkende vraag van de belanghebbende fataal, indien onvoldoende duidelijkheid bestaat over de principal place of business.32De eiser heeft een plicht om inlichtingen te vragen over de principal place of business van de verweerder, al dan niet door tussenkomst van de raadslieden. Hij kan niet stellen dat de principal place of business niet uit de overeenkomst (vaak een cognossement) blijkt en dat de forumkeuze dus onvoldoende is bepaald.33 Dat is een belangrijk verschil met art. 629 lid 2 sub a Rv op grond waarvan de plaats wel dient te blijken uit het cognossement.34 Aannemelijk moet zijn dat het inwinnen van inlichtingen, indien tijdig zou zijn gereageerd, voldoende duidelijkheid zou hebben opgeleverd over de principal place of business.35Het is in geval van zeevervoer meestal niet voldoende dat de betreffende partij Lloyd' s scheepsregister had kunnen inzien of daaruit een uittreksel had kunnen opvragen waarin de vervoerder is vermeld met zijn principal place of business36 Een 'Identity of Carrier clausule37 brengt daarin geen verandering, ook niet indien deze clausule nietig is.38
Sinds het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Coreck Maritime/Handelsveem39 veem is een kentering in de Nederlandse jurisprudentie in het commune internationaal privaatrecht nog niet waarneembaar. Het (Nederlandse) commune internationaal privaatrecht lijkt een eigen weg te gaan, zoals hierboven beschreven, doordat art. 629 Rv een recente bepaling is die door het tweede lid voor internationaal zeevervoer met als eindbestemming Nederland leidt tot een ander regime voor forumkeuzen die afwijken van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van art. 629 lid 1 Rv.
iv) Plaats van uitvoering of Erfillungsore
Gezien de onduidelijkheid die vaak bestaat over de plaats van uitvoering van een verbintenis, kan men zich afvragen of een verwijzing in de forumkeuze naar de plaats van uitvoering van een verbintenis uit overeenkomst verstandig is. Niettemin blijkt zo'n forumkeuze voor te komen. Aangezien art. 5 sub 1 EEX-V°Nerdrag de plaats van uitvoering van een verbintenis uit overeenkomst als aanknopingspunt heeft, is een forumkeuze die hierbij aanknoopt geldig. Bovendien mogen partijen in de overeenkomst de plaats van uitvoering vastleggen in een uitvoeringsovereenkomst.40 De nationale rechtspraak acht een forumkeuze die verwijst naar de plaats van uitvoering van de overeenkomst geldig.41
Aangezien art. 6 sub a Rv de plaats van uitvoering als aanknopingspunt heeft, is ook een forumkeuze ex art. 8 Rv die hierbij aanknoopt geldig. Bovendien mogen partijen in de overeenkomst de plaats van uitvoering vastleggen. Art. 8 Rv dient derhalve op gelijke wijze als art. 23 EEX-V°/17 Verdrag te worden geïnterpreteerd.