Sleutels voor personenvennootschapsrecht
Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/6.1:6.1 Maatschap
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/6.1
6.1 Maatschap
Documentgegevens:
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS585737:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 maart 2013, JOR 2013/133, NJ 2013/290(Biek Holdings).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wetswijziging is voor een deel van mijn aanbevelingen niet nodig, voor een ander deel wel. Hoe dan ook is wetswijziging gewenst. Het voorstel om alle personenvennootschappen bijeen te brengen in een nieuwe titel 7.13 BW, steun ik. Bij wijze van conclusie geef ik een overzicht van de belangrijkste aanbevelingen uit dit boek, in 36 punten.
De maatschap kan als rechtsvorm worden behouden. Wel stel ik de volgende moderniseringen voor:
Het uitgangspunt dat materiële kenmerken beslissend zijn bij de beoordeling of een samenwerkingsverband als maatschap kwalificeert, wordt gehandhaafd. Daarbij wordt aanvaard dat als partijen een uitdrukkelijke keuze hebben gemaakt om hun samenwerkingsverband wel of juist niet als maatschap te kwalificeren, de rechter niet zo snel als nu wel gebeurt, daarover heen mag stappen.
De wettelijke omschrijving van ‘maatschap’ wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:
“Maatschap is de overeenkomst tot samenwerking voor gemeenschappelijke rekening van twee of meer personen, de vennoten, welke samenwerking is gericht op het behalen van voordeel ten behoeve van alle vennoten door middel van inbreng door ieder van de vennoten.”
Een maatschap tot uitoefening van een bedrijf onder gemeenschappelijke naam wordt niet langer van rechtswege als VOF aangemerkt (zie ook punt 11 hierna).
Voor de maatschap als contractuele rechtsverhouding worden niet te veel ‘eigen’ regels van dwingend of regelend recht gegeven, zoals in de vorm van een wettelijk voortzettingsbeding. Het commune recht kan zijn werk doen. Wel wordt in de wet een bepaling van regelend recht opgenomen, inhoudende dat als een voortzettingsbeding wordt gemaakt, de overblijvende vennoten verplicht zijn de uitgetreden vennoot van de gemeenschappelijke schulden te bevrijden en dat, als een vennootschappelijke schuld nog niet opeisbaar is, zij als alternatief aan de uittredende vennoot vervangende zekerheid kunnen bieden.
In de maatschapsovereenkomst kan worden bedongen, dat als een vennoot uittreedt, de voortzettende vennoten bevoegd zijn de rechtshandelingen te plegen die nodig zijn om de ten name van de maatschap staande rechtsposities op hen te doen overgaan. Erkend wordt dat deze bevoegdheid onder het begrip ‘beheer’ kan worden gebracht, waardoor zij ook in het faillissement van de uitgetreden vennoot haar werking behoudt.
De maatschap wordt niet opgevat als rechtssubject, ook niet als de vennoten in het maatschappelijk verkeer optreden onder een gemeenschappelijke naam. Door het gebrek aan rechtssubjectiviteit wordt het handelen van de vennoten van een maatschap steeds toegerekend aan die vennoten zelf. Er komt geen onderscheid tussen een ‘stille’ en een ‘openbare’ maatschap. Gehandhaafd blijft de faciliteit dat, in die gevallen waarin de maatschap op een voor derden duidelijk kenbare wijze onder een bepaalde naam aan het rechtsverkeer deelneemt, in exploten die naam wordt vermeld in plaats van de namen van de afzonderlijke vennoten.
Het verbod van de Hoge Raad om de deelgenotenactie van artikel 3:171 BW tegen andere deelgenoten in te stellen, wordt ongedaan gemaakt. Tevens wordt deze deelgenotenactie analogisch op personenvennootschappen toegepast. Zij wordt dan een vennotenactie. Met deze verruimingen kan een vennoot zo nodig op eigen naam, ten behoeve van de vennootschap optreden tegen een medevennoot of derde die jegens de maatschap wanprestatie of een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Zij kan van regelend recht zijn, behalve in het geval de maatschap niet kan optreden of tegenstrijdige belangen aan adequaat optreden door de maatschap in de weg staan.
De regels van het commune recht over aansprakelijkheid bij pluraliteit van schuldenaren worden onverkort op de maatschap toegepast. De lijn van het Biek-arrest,1 waarin afwijkende regels zijn aanvaard, wordt verlaten. Wel wordt het aantal gevallen van hoofdelijkheid in ons commune recht uitgebreid. Verschillende varianten zijn denkbaar. Het heeft mijn voorkeur om hoofdelijkheid te aanvaarden in het geval twee of meer in beroep of bedrijf optredende personen zijn verbonden voor dezelfde schuld. Daarnaast bepleit ik de regel dat als twee of meer personen bij overeenkomst samen een deelbare verplichting aanvaarden, zij in geval van twijfel ieder hoofdelijk aansprakelijk zijn.
Bij elke maatschap behoren de goederen die gezamenlijk door de vennoten in maatschapsverband worden verkregen tot een afgescheiden vermogen, het maatschapsvermogen. Maatschapsschuldeisers kunnen zich rechtstreeks op deze goederen verhalen (verhaalsaansprakelijkheid). De regel dat alleen de gezamenlijke schuldeisers van de vennoten als zodanig maatschapsschuldeiser zijn, kent enkele uitzonderingen, zoals bij vennotenwissels. Het afgescheiden karakter van het maatschapsvermogen brengt mee dat de afzonderlijke aandelen van een vennoot in de tot het maatschapsvermogen behorende goederen integraal buiten diens privévermogen vallen. De gezamenlijke vennoten in privé hebben een contractueel vorderingsrecht op de gezamenlijke vennoten q.q., dat wordt aangeduid als de beneficiaire aanspraak op het maatschapsvermogen. Het is een residuele aanspraak (economische eigendom), die niet vatbaar is voor inning of verificatie in het faillissement van de maatschap. Het aandeel van een vennoot in deze beneficiaire aanspraak behoort tot het privévermogen van de vennoot. De passiefzijde van de beneficiaire aanspraak vormt een tot het maatschapsvermogen behorende schuld.
Het vennootschapsaandeel in een maatschap wordt opgevat als een combinatie van de contractuele rechtspositie als vennoot (lidmaatschapspositie) en het eveneens contractuele aandeel van de vennoot in de beneficiaire aanspraak op het maatschapsvermogen (financiële positie). Het vennootschapsaandeel als geheel kan als vorderingsrecht worden opgevat en in de maatschapsovereenkomst overdraagbaar en verpandbaar worden gemaakt, binnen grenzen die de maatschapsovereenkomst daaraan kan stellen. Is het vennootschapsaandeel verpand en houdt de pandgever op vennoot te zijn, dan komt het pandrecht door zaaksvervanging te rusten op het recht op een uittreedvergoeding.