Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/20.2.6:20.2.6 Onderwerpen die niet in een politiek-filosofisch kader kunnen worden geplaatst
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/20.2.6
20.2.6 Onderwerpen die niet in een politiek-filosofisch kader kunnen worden geplaatst
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457633:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
(1) De wijze van kwalificeren in de jurisprudentie over artikel 137c Sr kan niet in een politiek-filosofisch kader worden geplaatst. Het verschil in de gehanteerde wijzen van kwalificeren, de ene keer een subjectiverende en de andere keer een objectiverende, kan niet zomaar worden verklaard. Een mogelijke reden kan zijn dat de zaken waarbij de rechter uitging van de subjectiverende kwalificatiewijze betrekking hadden op het christelijke geloof en de rechter hiermee meer vertrouwd is vanwege de historische achtergrond van Nederland.
(2) Daarnaast geldt dat het begrip van godsdienst dat ten grondslag ligt aan het openbaar onderwijs moeilijk in een politiek-filosofisch kader kan worden geplaatst. Binnen het openbaar onderwijs kunnen zich kwalificatievragen voordoen naar aanleiding van de neutraliteitseis en naar aanleiding van het verbod op discriminatie vanwege godsdienst. Uit de jurisprudentie blijkt geen consequente wijze van kwalificeren. In het kader van de neutraliteitseis geeft de grondwetgever geen nadere duiding van de in artikel 23 lid 3 opgenomen termen ‘godsdienst en levensovertuiging’. In het kader van de jurisprudentie (met name over gelijke behandeling) geldt dat de kwalificatiewijzen uiteenlopen. We komen subjectiverende en objectiverende kwalificatie tegen. De CGB past standaard een subjectiverende kwalificatiewijze toe. Dit legitimeert zij vanuit het leerstuk van interpretatieve terughoudendheid en vanuit de erkenning van het belang van de zelfdefinitie van het rechtssubject. Deze benadering past in een accommodationistisch perspectief waarbij het rechtssubject de vrijheid wordt gelaten om zelf zijn identiteit aan te meten. In de rechtspraak van het EHRM wordt deze zelfdefinitie soms echter niet erkend en hanteert men een meer objectiverende wijze van kwalificeren.
(3) Ten slotte is de wijze van kwalificeren naar aanleiding van de jurisprudentie over psychische overmacht moeilijk in een politiek-filosofisch kader te plaatsen. De rechter gaat in deze zaken meestal uit van een subjectiverende kwalificatiewijze. Op grond van deze zaken valt echter niet af te leiden wat de legitimatie is voor dit begrip van godsdienst.