Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.2.3.1:4.2.3.1 De klacht in relatie tot het wederrechtelijkheidsbeginsel
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.2.3.1
4.2.3.1 De klacht in relatie tot het wederrechtelijkheidsbeginsel
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946184:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 juni 1914, NJ 1914, p. 1079 en HR 23 maart 1993, NJ 1993/722.
Van der Hoeven 1886, p. 22-24.
Smidt & Smidt 1892 (Deel III), p. 33.
De betreffende strafbepalingen zijn bij de invoering van de Auteurswet in 1912 overgeheveld naar die wet (Stb. 1912, 308). In 1972 verviel het klachtvereiste, omdat dit de mogelijkheden tot opsporing en vervolging (met name bij schendingen van muziekauteursrecht) nodeloos zou inperken (Stb. 1972, 579).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het vervullen van een delictsomschrijving leidt tot het vermoeden van een wederrechtelijke gedraging, maar bepaalde omstandigheden ontnemen de materiële wederrechtelijkheid aan een handelen dat een delictsomschrijving vervult. De vraag die voorligt is of het ontbreken van een klacht bij een klachtdelict kan hebben te gelden als een dergelijke omstandigheid die maakt dat het vermoeden van wederrechtelijkheid ontvalt aan een gedraging die een delictsomschrijving vervult.
Het hierboven beschreven diffuse karakter van wederrechtelijkheid – waarbij de invulling van dit element verschilt per strafbaarstelling – brengt mijns inziens met zich dat deze vraag niet eenduidig kan worden beantwoord voor alle klachtdelicten. Het kan per klachtdelict verschillen of de klacht moet (of kan worden) begrepen als een noodzakelijke voorwaarde voor strafwaardig (en dus wederrechtelijk) handelen. De idee is dat – zodra een handeling de delictsomschrijving van een klachtdelict vervult – de ratio die ten grondslag ligt aan dat klachtdelict en de context waarbinnen de gedraging plaatsheeft ertoe kunnen leiden dat het vermoeden van wederrechtelijkheid aan bepaalde handelingen ontvalt.
De vraag is hoe die idee zich verhoudt tot de jurisprudentie van de Hoge Raad uit 1914 en 1993 die in paragraaf 2.1 aan bod kwam. Daarbij verdient opmerking dat die jurisprudentie op tweeërlei wijze kan worden geïnterpreteerd.
Zo is het mogelijk in die arresten een tegenstelling te lezen. In die zin dat de Hoge Raad in 1914 de klacht bij de strafbaarstelling van belediging geen rol toebedeelt bij de vaststelling van strafwaardigheid van de gedraging en nadien in 1993 de klacht een zeer wezenlijke rol toebedeelt bij de vaststelling van de strafwaardigheid van een gedraging die de delictsomschrijving van een zedendelict vervult.1 De inhoud van het arrest uit 1993 bevat geen aanknopingspunten voor een koerswijziging door de Hoge Raad ten aanzien van alle klachtdelicten. De motivering in het arrest uit 1993 is toegesneden op één specifiek (toenmalig) klachtdelict. Als men de beide uitspraken dus als tegengesteld interpreteert, dan geeft dit voeding aan de idee dat klachtdelicten in categorieën kunnen worden onderscheiden waarbij de klacht slechts bij één (deel) van die categorieën raakt aan de strafwaardigheid van de gedraging. Er is in dat geval sprake van een scheidslijn waarbij de klacht bij een aantal klachtdelicten relevant is voor de strafwaardigheid en bij andere klachtdelicten irrelevant is voor de strafwaardigheid van de gedraging.
De oordelen van de Hoge Raad hoeven echter niet noodzakelijkerwijs als tegengesteld te worden uitgelegd, omdat ruimte bestaat voor een andere interpretatie van het hiervoor beschreven arrest uit 1914. In de betreffende zaak schuift de Hoge Raad het standpunt van de verdediging terzijde dat de klacht ‘de onmiddellijke grondslag vormt voor de veroordeling’. Hij oordeelt dat het in art. 269 Sr verwoorde klachtvereiste geen geheel vormt met de strafbepaling in art. 266 Sr. Dit kan (in de context van het hierboven gedefinieerde wederrechtelijkheidsbeginsel) zo worden begrepen dat het vermoeden van wederrechtelijkheid is gegeven zodra de in art. 266 Sr vervatte delictsomschrijving is vervuld. Het oordeel laat daarbij ruimte voor de mogelijkheid dat dit vermoeden van wederrechtelijkheid aan de gedraging ontvalt indien binnen de wettelijke termijn een klacht uitblijft. De Hoge Raad laat zich in dit arrest niet uit over die mogelijkheid (en de rol die de klacht in dit verband speelt). Dat is begrijpelijk omdat in de betreffende zaak wel een klacht was ingediend en het verweer van de verdediging dus ook niet zag op het ontbreken van een klacht. Dat het wetsartikel waarin het klachtvereiste is gelegen volgens de Hoge Raad geen onderdeel uitmaakt van de grondslag voor een veroordeling betekent dus niet zonder meer dat (het ontbreken van) een klacht irrelevant is voor de vraag of strafwaardig is gehandeld. Dat een klacht volgens de Hoge Raad geen onderdeel is van de grondslag voor strafwaardig gedrag laat dus onverlet dat het ontbreken van die klacht kan leiden tot de vaststelling dat een gedraging niet strafwaardig is. Het oordeel van de Hoge Raad uit 1914 kan dus worden gelezen op een wijze die niet conflicteert met het arrest dat hij nadien in 1993 wees.
Deze beschouwingen leiden tot de conclusie dat de (beperkte) jurisprudentie op dit punt – ongeacht welke van bovenvermelde interpretaties men volgt – ruimte laat voor de idee dat de klacht een rol kan spelen bij de beoordeling van de wederrechtelijkheid van een gedraging en dat die rol per klachtdelict – en per feitencomplex – kan verschillen.
Het in paragraaf 2.1 beschreven standpunt van Van der Hoeven – dat de klacht in de Nederlandse rechtspleging irrelevant is voor de strafwaardigheid van de gedraging – is mijns inziens dus niet juist. Van der Hoeven beschreef in navolging van Von Liszt twee categorieën klachtdelicten. De ene categorie bestaat uit klachtdelicten waarbij pas na indiening van een klacht sprake is van benadeling van een rechtsgoed en dientengevolge schending van een publiek belang. De andere categorie bestaat uit klachtdelicten die het openbaar belang steeds raken, maar waarbij vervolging toch achterwege kan blijven omdat een vervolging voor het slachtoffer een groter nadeel zou opleveren. Van der Hoeven concludeert dat de Nederlandse wetgever slechts één grond aanvaardde voor klachtdelicten en dat die grond dezelfde is als het criterium voor deze tweede categorie. Dit brengt Van der Hoeven tot de conclusie dat de klacht in de Nederlandse strafrechtpleging irrelevant is voor de strafwaardigheid van de gedraging, omdat bij de tweede categorie steeds sprake is van schending van een publiek belang.2 Deze – op het eerste oog logische – conclusie miskent echter dat de wetgever niet consequent heeft gehandeld naar het grondbeginsel zoals dat is verwoord in de toelichting op het strafwetboek. Dat grondbeginsel houdt in dat het bijzonder belang van het slachtoffer groter nadeel kan lijden door vervolging van bepaalde strafbare feiten, dan dat het algemeen belang is gebaat bij die vervolging van die feiten. In hoofdstuk 2 is beschreven dat het Wetboek van Strafrecht reeds bij de invoering klachtdelicten bevatte die op andere gronden waren gestoeld en dat nadien ook klachtdelicten op andere gronden zijn toegevoegd. Dit maakt dat de redenering van Van der Hoeven geen standhoudt. Hij verbindt de irrelevantie van de klacht voor de bepaling van de strafwaardigheid van gedragingen immers aan het grondbeginsel zoals verwoord in de memorie van toelichting, terwijl dat beginsel niet redengevend is geweest voor alle klachtdelicten.
Ter illustratie wijs ik ten eerste op de wijze waarop de Hoge Raad de redengeving voor het klachtvereiste bij art. 247 Sr beschreef in de zaak uit 1993. De Hoge Raad leidt uit de wetsgeschiedenis af dat het klachtvereiste bij die bepaling ten doel had
“de in de vervolgingsmogelijkheid tot uiting komende strafwaardigheid ter beoordeling van de klachtgerechtigde te doen staan, zodat bij het ontbreken van een klacht in de zin van art. 164 Sv ook de strafwaardigheid van de desbetreffende handelingen komt te ontbreken”.
In hoofdstuk 2 is uitgebreider beschreven dat het klachtvereiste bij deze strafbepaling inderdaad niet is geënt op het grondbeginsel, maar is gericht op het vinden van evenwicht tussen het bestraffen van onwenselijke handelingen en het straffeloos laten van wenselijk bevonden gedragingen. Uit de redengeving voor het klachtvereiste bij art. 247 Sr volgt dus ondubbelzinnig dat het al dan niet bestaan van een klacht van belang is voor de beantwoording van de vraag of een gedraging die de betreffende delictsomschrijving vervult als strafwaardig heeft te gelden. Het klachtvereiste bij deze strafbepaling (en andere zedendelicten) is inmiddels vervallen, maar dit laat onverlet dat hieruit volgt dat de klacht in de Nederlandse rechtspleging relevant kan zijn voor de strafwaardigheid van gedragingen die delictsomschrijvingen vervullen.
Ter weerlegging van de conclusie van Van der Hoeven kan voorts worden gewezen op het klachtvereiste dat in 1886 is toegevoegd aan art. 349bis en 349ter Sr betreffende schending van het auteursrecht. In hoofdstuk 2 is reeds aandacht besteed aan het gegeven dat op voorspraak van het parlement (en in weerwil van het standpunt van de regering) een klachtvereiste aan deze delicten is toegevoegd. De overgrote meerderheid van de Tweede Kamer meende dat het publiek belang in dermate geringe mate zou zijn geraakt door het vervullen van die strafbepalingen dat geen aanleiding bestaat te vervolgen tenzij een klacht is ingediend door de benadeelde auteur. In de toelichting op het amendement stelt Kamerlid De Beaufort:
“Wanneer toch door iemand inbreuk wordt gemaakt op het auteursregt van een ander, dan voorzeker benadeelt hij dien persoon op onregtmatige wijze. Ik zie echter niet in, dat zoo die inbreuk den benadeelde zelf onverschillig is, de maatschappelijke orde of het algemeen belang daarin eenigzins betrokken zijn.”3
Dit sluit aan op de notie van Van Kempen en Fedorova dat – in lijn met de ultimum remedium gedachte – niet elke krenking van een rechtsbelang het wederrechtelijkheidsbeginsel vervult. Ook bij de strafbaarstelling van auteursrechtschendingen heeft de klacht – gedurende de periode waarin dit klachtdelicten betrof 4 – een rol vervuld bij de vaststelling van strafwaardig gedrag. In die zin dat auteursrechtschendingen slechts strafwaardig werden geacht eerst nadat de auteursgerechtigde een klacht indiende.
Het voorgaande neemt niet weg dat ik het met Van der Hoeven eens ben dat bij de klachtdelicten die zuiver zijn geënt op het grondbeginsel dat de wetgever in 1886 voor ogen had geen aanleiding bestaat de klacht een rol toe te bedelen bij de beoordeling van strafwaardigheid van gedragingen die de betreffende delictsomschrijvingen vervullen. Het uitgangspunt van de wetgever is dat via een klachtvereiste bij specifieke strafbepalingen voorrang kan worden verleend aan het persoonlijk belang dat het slachtoffer kan hebben bij het uitblijven van vervolging boven het publieke belang dat is gebaat bij vervolging. In deze redengeving voor klachtdelicten ligt besloten dat het gaat om gedragingen die zonder meer het publieke belang benadelen en die strafwaardig worden geacht. De wetgever ziet ondanks deze strafwaardig geachte normschending aanleiding voorrang te verlenen aan de persoonlijke belangen van de direct getroffene, omdat een proces het individu meer schade zou kunnen berokkenen dan dat de maatschappij zou lijden onder het onbestraft blijven van de normoverschrijdende gedraging. Indien het klachtvereiste om die reden is toegevoegd aan een strafbepaling, is het al dan niet voldoen aan het klachtvereiste irrelevant voor de beoordeling van de strafwaardigheid van de gedraging. Het belang van het slachtoffer wordt belangrijker bevonden dan de bestraffing van de laakbare gedraging, maar het strafwaardige karakter van de gedraging staat daarmee niet ter discussie. Het vervullen van de delictsomschrijving bij deze klachtdelicten leidt tot een vermoeden van wederrechtelijkheid en dit vermoeden ontvalt niet aan de gedraging in het geval dat een klacht uitblijft.
Mijn conclusie is dat het klachtvereiste in de Nederlandse strafwet een rol kan vervullen bij de beantwoording van de vraag of een gedraging als strafwaardig en wederrechtelijk heeft te gelden. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de rechter het klachtvereiste als een voorschrift van materieel strafrecht dient te beschouwen. De redengeving bij een aantal klachtdelicten impliceert ook dat aan het al dan niet bestaan van een klacht gewicht toekomt bij het normatieve oordeel of een gedraging als strafwaardig heeft te gelden. De Hoge Raad heeft dit in 1993 in relatie tot art. 247 Sr expliciet bevestigd door te oordelen dat het vervullen van de betreffende delictsomschrijving slechts strafwaardig wordt geacht indien een klacht is ingediend.
Daarbij moet echter niet uit het oog worden verloren dat dit de uitzonderingen op de regel zijn. In de meeste gevallen is het klachtvereiste gegrond op de wens om bij strafwaardig geachte gedragingen voorrang te (kunnen) verlenen aan de belangen van het slachtoffer die erger worden getroffen door een vervolging dan dat de maatschappij is gebaat bij het corrigeren van de normoverschrijding. Het verlenen van die voorrang doet aan het normoverschrijdende karakter van de gedraging niet af.
Het diffuse karakter van wederrechtelijkheid – waarbij de invulling van het element verschilt per strafbaarstelling – heeft dus ook zijn weerslag op de rol van het klachtvereiste. Het kan per klachtdelict verschillen of de klacht moet (of kan worden) begrepen als een noodzakelijke voorwaarde voor strafwaardig (en dus wederrechtelijk) handelen. De idee is dat – zodra een handeling de delictsomschrijving van een klachtdelict vervult – de ratio die ten grondslag ligt aan dat klachtdelict en de context waarbinnen de gedraging plaatsheeft ertoe kunnen leiden dat het vermoeden van wederrechtelijkheid aan bepaalde handelingen ontvalt. Daarbij komt ook belang toe aan de reden waarom een klachtvereiste aan de strafbepaling is toegevoegd. Die reden kan immers zijn gelegen in het toekennen van een doorslaggevende stem aan de klachtgerechtigde bij vaststelling van het normoverschrijdende karakter van de gedraging die de delictsomschrijving vervult.