HR, 23-09-2022, nr. 20/01132
ECLI:NL:HR:2022:1273
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-09-2022
- Zaaknummer
20/01132
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑09‑2022
ECLI:NL:HR:2022:1273, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑09‑2022; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2020:1657
- Vindplaatsen
NTFR 2022/3354 met annotatie van mr. H.A. Elbert
V-N 2022/42.13 met annotatie van Redactie
NLF 2022/1977 met annotatie van Sacha Bothof
BNB 2022/144 met annotatie van B.A. van Brummelen
Viditax (FutD) 2022092316
FutD 2022-2596
Beroepschrift 23‑09‑2022
Hoge Raad der Nederlanden
Belastingkamer
Zaaknummer: F 20/01132
Memorie houdende bezwaren en gronden
In de zaak van:
[X] handelend onder de naam [A] te [Z] (hierna belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2020, nummers 18/00316 tot en met 18/00327, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland van 21 maart 2018, nummers AWB 17/3747 en AWB 17/5955 tot en met AWB 17/5965, betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen.
Hieronder zijn de bezwaren opgenomen die belanghebbende tegen de in cassatie bestreden uitspraak heeft en die voor hem reden zijn voor het instellen van beroep.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Belanghebbende heeft in het jaar 2014 voor een twaalftal auto's in totaal een bedrag van € 2.346 aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) op aangifte
voldaan. In verband hiermee heeft de Inspecteur aan belanghebbende over het tijdvak 2014 een naheffingsaanslag BPM opgelegd tot een bedrag van€ 9.779, alsmede bij beschikking een boete van€ 977. Tevens is bij beschikking€ 736 aan belastingrente in rekening gebracht. De tegen de naheffingsaanslag en de beschikkingen gemaakte bezwaren, zijn door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.2.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft bij uitspraak van 21 maart 2018 het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag, alsmede de boete en de beschikking belastingrente verminderd. De Rechtbank stelde de voor de auto's verschuldigde BPM die kan worden nageheven vast op een bedrag van€ 4.355. Daarnaast heeft de Rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van€ 3.000 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van€ 168 vergoedt.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof). De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft bij uitspraak van 11 februari 2020 het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur ten dele gegrond verklaard. Het Hof stelde de voor de auto's verschuldigde BPM die kan worden nageheven vast op een bedrag van€ 4.771. Het hof heeft de boetebeschikking en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig gewijzigd. Daarnaast heeft het Hof de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van€ 783 voor de bezwaarfase, € 1.575 voor de kosten in eerste aanleg en€ 1.575 in het hoger beroep omdat belanghebbende zich ten dele met succes heeft verweerd tegen het incidentele hoger beroep.
2. De tussen partijen vaststaande feiten
2.1.
Belanghebbende heeft in 2014 aangifte voor de BPM gedaan voor twaalf auto's:
Auto 1 | Citroën C3 Picasso | [kenteken 1] |
Auto 2 | Renault Clio | [kenteken 2] |
Auto 3 | Suzuki Swift | [kenteken 3] |
Auto 4 | Peuoeot 308 | [kenteken 4] |
Auto 5 | Citroën C3 Picasso | [kenteken 5] |
Auto 6 | Ooel Corsa | [kenteken 6] |
Auto 7 | Citroën C4 Picasso | [kenteken 7] |
Auto 8 | Hvundai i10 PA | [kenteken 8] |
Auto 9 | Peugeot 207 | [kenteken 9] |
Auto 10 | Nissan Micra | [kenteken 10] |
Auto 11 | Citroën C3 | [kenteken 11] |
Auto 12 | Citroën C3 Picasso | [kenteken 12] |
2.2.
Belanghebbende heeft met betrekking tot de auto's aangifte BPM gedaan met behulp van taxatierapporten van S-TAX, BPM Taxaties, gevestigd te Arnhem (hierna: S-TAX). De brutoBPM van de verschillende auto's is niet in geschil. Met betrekking tot de auto's is aangifte gedaan naar een handelsinkoopwaarde zoals genoemd in de taxatierapporten en opgenomen in onderstaande tabel onder (Hl-waarde). De waarde van de auto's volgens de koerslijst is tussen partijen niet in geschil. Het verschil hiertussen is de waardevermindering als gevolg van de schade die belanghebbende in de aangifte heeft gesteld. In de tabel is de door S-TAX getaxeerde schade opgenomen. De aangegeven handelsinkoopwaarde is voor ieder auto hoger dan de waarde volgens de koerslijst minus de door S-TAX vastgestelde schade. S-TAX heeft bij elk van de auto's aangegeven dat de waarde hoger is omdat de sloopwaarde hoger is. Die sloopwaarde heeft S-TAX telkens in de taxatierapporten aangegeven als handelsinkoopwaarde.
2.3.
De Inspecteur heeft de onderhavige naheffingsaanslag BPM opgelegd omdat hij van mening is dat de taxatierapporten niet de juiste handelsinkoopwaarden weergeven. De hoogte van de naheffing is gebaseerd op handelsinkoopwaarden volgens onderstaande tabel:
Auto | waarde volgens koersliist (A) | Schade volgens Insoecteur | waarde na aftrek schade | handels-inkooowaarde |
|---|---|---|---|---|
1 | 8.260 | 1.576 | 6.684 | 6.400 |
2 | 9.269 | 1.253 | 8.016 | 7.600 |
3 | 7.230 | 2.412 | 4.818 | 5.500 |
4 | 6.876 | 0 | 6.876 | 6.500 |
5 | 11.182 | 2.864 | 8.318 | 5.150 |
6 | 4.720 | 1.634 | 3.086 | 3.500 |
7 | 9.534 | 2.438 | 7.096 | 6.000 |
8 | 7.902 | 2.517 | 5.385 | 5.000 |
9 | 4.690 | 252 | 4.438 | 5.000 |
10 | 8.148 | 4.466 | 3.682 | 4.150 |
11 | 7.724 | 2.514 | 5.210 | 4.400 |
12 | 7.134 | 2.790 | 4.344 | 5.200 |
Waarom de handelsinkoopwaarde hoger zou moeten zijn dan de berekende waarde na aftrek van de schade, heeft de Inspecteur niet onderbouwd.
2.4.
De Rechtbank heeft bij uitspraak van 21 maart 2018 het beroep gegrond verklaard, en de naheffingsgaanslag verminderd tot een bedrag van € 4.355. Daarbij heeft de Rechtbank geoordeeld dat belanghebbende wel voor elke auto schade aannemelijk heeft gemaakt, maar niet de hoogte daarvan en dat de Inspecteur de waarde van de auto's op basis waarvan is nageheven ook niet aannemelijk heeft gemaakt. De Rechtbank heeft de handelsinkoopwaarde in goede justitie geschat en is er daarbij van uitgegaan dat in de door belanghebbende gecalculeerde schade ook kosten van herstel van normale slijtage of gebruikssporen is begrepen en dat het waardeverminderende effect van de schade op 72% moet worden geschat. De handelsinkoopwaarde wordt gevonden door van de uit de koerslijst verkregen waarde het waardeverminderende effect van de aannemelijk geachte schade af te trekken.
2.5.
De beslissing van de Rechtbank aangaande de handelsinkoopwaarde van de auto's is in het volgende overzicht opgenomen.
Auto | waarde volgens koerslijst (A) | Schade volgens Rechtbank | waardevermindering, 72% van schade | waarde na aftrek waardevermindering |
|---|---|---|---|---|
1 | 8.260 | 7.500 | 5400 | 2.860 |
2 | 9.269 | 8.000 | 5760 | 3.509 |
3 | 7.230 | 5.750 | 4140 | 3.090 |
4 | 6.876 | 5.000 | 3600 | 3.276 |
5 | 11.182 | 10.000 | 7200 | 3.982 |
6 | 4.720 | 3.500 | 2520 | 2.200 |
7 | 9.534 | 5.500 | 3960 | 5.574 |
8 | 7.902 | 6.750 | 4860 | 3.042 |
9 | 4.690 | 4.000 | 2880 | 1.810 |
10 | 8.148 | 9.000 | 6480 | 1.668 |
11 | 7.724 | 6.500 | 4680 | 3.044 |
12 | 7.134 | 7.500 | 5400 | 1.734 |
2.6.
Het Hof heeft bij uitspraak van 11 februari 2020 het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur ten dele gegrond verklaard. Daarbij heeft de Hof geoordeeld dat belanghebbende niet voor elke auto schade aannemelijk heeft gemaakt. Het Hof heeft voor meerdere auto's voor wat betreft de schade en het waardeverminderende effect daarvan, de Rechtbank gevolgd. Voor één auto (auto 2) heeft het Hof de schade zoals belanghebbende deze had aangegeven, geaccepteerd. Daarbij heeft het Hof ook bepaald dat voor deze auto het waardeverminderende effect op 100% van de schade moet worden vastgesteld moet worden vastgesteld. Bij de auto's 4 en 9 was er volgens het Hof in het geheel geen schade anders dan normale gebruiks- en slijtagesporen. De handelsinkoopwaarde wordt gevonden door van de uit de koerslijst verkregen waarde het waardeverminderende effect van de aannemelijk geachte schade af te trekken.
2.7.
De beslissing van het Hof aangaande de handelsinkoopwaarde van de auto's is in het volgende overzicht opgenomen.
Auto | waarde volgens koerslijst (A) | Schade volgens Hof | effect van schade op waarde | waardevermindering, tgv schade | waarde na aftrek waardevermindering |
|---|---|---|---|---|---|
1 | 8.260 | 7.500 | 72% | 5.400 | 2.860 |
2 | 9.269 | 8.558 | 100% | 8.558 | 711 |
3 | 7.230 | 6.254 | 72% | 4.503 | 2.727 |
4 | 6.876 | 0 | 0 | 6.876 | |
5 | 11.182 | 10.741 | 72% | 7.734 | 3.448 |
6 | 4.720 | 3.500 | 72% | 2.520 | 2.200 |
7 | 9.534 | 5.500 | 0% | 0 | 9.534 |
8 | 7.902 | 6.750 | 72% | 4.860 | 3.042 |
9 | 4.690 | 0 | 0 | 4.690 | |
10 | 8.148 | 9.218 | 72% | 6.637 | 1.511 |
11 | 7.724 | 6.500 | 72% | 4.680 | 3.044 |
12 | 7.134 | 7.500 | 72% | 5.400 | 1.734 |
2.8.
Het Hof stelde de voor de auto's verschuldigde BPM die kan worden nageheven vast op een bedrag van€ 4.771. Het hof heeft de boetebeschikking en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig gewijzigd. Daarnaast heeft het Hof de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van€ 783 voor de bezwaarfase,€ 1.575 voor de kosten in eerste aanleg en€ 1.575 in het hoger beroep omdat belanghebbende zich ten dele met succes heeft verweerd tegen het incidentele hoger beroep. Het Hof verklaarde het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaarde en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur is ten dele gegrond. Daarom vernietigde het Hof de uitspraak van de Rechtbank, maar werd de Inspecteur niet opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden (zie Hoge Raad 15 april 2011, nr.10/00692, ECLI:NL:HR:2011:BP6600).
3. Gronden voor cassatie
3.1.
[X] heeft cassatieberoep ingesteld. Hij voert daarvoor meerdere gronden aan. Dat zijn de volgende:
- a.
De beslissing aangaande door de Inspecteur verstrekte foto's van slechte kwaliteit, is onjuist
- b.
De wijze waarop het Hof de schade en de waardevermindering als gevolg van de schade heeft bepaald, is onbegrijpelijk.
- c.
Het Hof heeft de schade aan de auto's onjuist bepaald, zowel formeel als materieel.
- d.
Het Hof heeft de waardevermindering ten gevolge van de schade onjuist vastgesteld
- e.
Het Hof is ten onrechte niet ingegaan op de stelling van belanghebbende dat rekening gehouden moeten worden met de in de waarde van reeds op de markt zijnde auto ingevolge het arrest Gomez Valente.
- f.
Het Hof heeft de proceskosten op een te laag bedrag vastgesteld.
Foto's van slechte kwaliteit
3.2.
Belanghebbende heeft bij de Rechtbank bezwaar gemaakt tegen het feit dat de Belastingdienst foto's van een zeer slechte kwaliteit heeft ingebracht. De foto's waren opgenomen in de taxatierapporten van S-TAX en waren van een goed kwaliteit, in kleur en met en hoge resolutie. De Belastingdienst heeft foto's met een lage resolutie (dus onscherpe) en bovendien in zwart-wit, beter gezegd donkergrijs-lichtgrijs, ingebracht. Daarop viel bij veel auto's de goed zichtbare schade weg. De Rechtbank heeft dat bezwaar ongegrond verklaard, omdat belanghebbende niet in zijn procesbelang zou zijn geschaad. Het Hof heeft die beslissing in stand gelaten. Belanghebbende wist weliswaar hoe de auto's er uit zagen, maar daar ging het belanghebbende niet om. De Inspecteur had de Rechtbank inlichtingen en op de zaak betrekking hebbende stukken moeten verstrekken en niet extreem slechte foto's van de auto's. De door de Inspecteur overgelegd foto's zien er uit als foto's van een kolenmijn bij nacht. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt omdat door de slechte foto's voor de Rechtbank de schade onzichtbaar werd. De Inspecteur heeft aldus handelend zijn verplichting de Rechtbank inlichtingen te verstrekken, geschonden. Het gaat er in dit geval om dat de Inspecteur de Rechtbank inlichtingen heeft onthouden. De Rechtbank had daarom artikel 8:31 AWB moeten toepassen en daar een gevolgtrekking aan behoren te verbinden. Een passende gevolgtrekking zou volgens belanghebbende kunnen zijn:
- a.
Het besluiten dat de Inspecteur de schadebepaling onvoldoende heeft bestreden omdat hij heeft nagelaten de in zijn dossier opgenomen foto's in een voldoende kwaliteit aan de Rechtbank te verstrekken, of
- b.
het toekennen van een extra proceskostenvergoeding aan belanghebbende omdat diens advocaat extra werkzaamheden heeft moeten verrichten om de Rechtbank de inlichtingen te verschaffen die de Inspecteur had moeten verschaffen. Ten onrechte heeft het Hof overwogen dat belanghebbende beschikte over foto's van goede kwaliteit en in kleur, zodat belanghebbende niet in zijn procesbelang is geschaad. Dat was de stelling van belanghebbende ook niet. Uiteraard beschikte belanghebbende over de foto's. Hij heeft deze immers aan de Inspecteur verstrekt. Het ging er om dat de Inspecteur foto's van een zodanig slechte kwaliteit verstrekte aan zowel Rechtbank en Hof, dat daarop de schade niet te zien was. Daarmee heeft de Inspecteur de rechter onjuist voorgelicht dan wel de gevraagde inlichtingen onthouden. Van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht dat dit de rechter behoorlijk inlicht. Dat heeft de inspecteur nagelaten.
Belanghebbende verzoekt u de beslissingen van de Rechtbank en het Hof op dit punt te vernietigen en alsnog een dergelijke gevolgtrekking daaruit te maken.
Schade
3.3.
Het Hof heeft de schade aan de auto's geschat. Het Hof heeft dat kennelijk aan de hand van foto's gedaan. Het Hof beschikt niet over enige deskundigheid op het gebied van bepaling van schade aan auto's. Het Hof heeft voor zes auto's de door de Rechtbank bepaalde schade overgenomen. De Rechtbank heeft na een algemene beschouwing zonder enige onderbouwing per auto de schade bepaald. Ook weer zonder enige onderbouwing heeft de Rechtbank bepaald dat volgens een algemene norm 72% van die schade als waardevermindering wordt aangemerkt. De beslissing van de Rechtbank is daarom onvoldoende gemotiveerd. Met het ongemotiveerd overnemen van een ongemotiveerde beslissing heeft het Hof een ongemotiveerde beslissing genomen. Belanghebbende verzoekt u de beslissingen van de Rechtbank en het Hof op dit punt te vernietigen en alsnog een dergelijke gevolgtrekking daaruit te maken.
3.4.
Belanghebbende heeft een overzicht gemaakt van de schades, zoals deze bepaald zijn door achtereenvolgens de deskundige (S-TAX), de Inspecteur, de Rechtbank en het Hof. Dat overzicht is hieronder opgenomen.
Auto | waarde volgens koerslijst (A) | Schade cf S-Tax | Schade volgens Insoecteur | Schade volgens Rechtbank | Schade volgens Hof |
|---|---|---|---|---|---|
1 | 8.260 | 7.721 | 1.576 | 7.500 | 7.500 |
2 | 9.269 | 8.558 | 1.253 | 8.000 | 8.558 |
3 | 7.230 | 6.254 | 2.412 | 5.750 | 6.254 |
4 | 6.876 | 6.014 | 0 | 5.000 | 0 |
5 | 11.182 | 10.741 | 2.864 | 10.000 | 10.741 |
6 | 4.720 | 5.290 | 1.634 | 3.500 | 3.500 |
7 | 9.534 | 6.822 | 2.438 | 5.500 | 5.500 |
8 | 7.902 | 6.933 | 2.517 | 6.750 | 6.750 |
9 | 4.690 | 4.708 | 252 | 4.000 | 0 |
10 | 8.148 | 9.218 | 4.466 | 9.000 | 9.218 |
11 | 7.724 | 7.170 | 2.514 | 6.500 | 6.500 |
12 | 7.134 | 7.672 | 2.790 | 7.500 | 7.500 |
Dit overzicht maakt duidelijk dat sprake is van ver uiteenlopende bepalingen van de schades. De enige die behoorlijk gemotiveerd de schade heeft bepaald, is de taxateur. Hoe de Inspecteur de schades bepaald heeft, is onduidelijk. De Rechtbank heeft kennelijk eerst een deel van de door S-TAX bepaalde schade buiten beschouwing gelaten omdat met herstel gebruikssporen zouden verdwijnen. De rechtbank heeft daarbij mogelijk rekening gehouden met de leeftijd en de kilometerstand van de auto's om zo de omvang van de gebruikssporen te schatten en daarna een correctie toegepast op de schadevaststelling door S-TAX. De Rechtbank is daarbij dus uitgegaan van de taxaties door S-TAX. Vervolgens heeft de Rechtbank de 72%-norm toegepast. Een van de gedachten achter die norm is dat met herstel de gebruikssporen verdwijnen en de auto in een betere toestand zou komen te verkeren. De Rechtbank en het Hof houden ten onrechte tweemaal rekening met het verdwijnen van de gebruikssporen. In de nota van toelichting bij de Uitvoeringsregeling BPM 2015 is onder andere opgenomen:
In onderdeel 3.5 van die bijlage is opgenomen dat de waardevermindering als gevolg van schade wordt vastgesteld 72% van het schadebedrag. Deze norm voor waardevermindering van de handelswaarde van een motorrijtuig als gevolg van schade is bepaald aan de hand van in de schadeherstelbranche gangbare en door het Verbond van Verzekeraars geaccepteerde calculatiesystemen. De norm is tot stand gekomen op basis van door het Verbond van Verzekeraars verzamelde gegevens betreffende schadegevallen (2013×2014) van alle merken, typen en leeftijden van motorrijtuigen. Deze norm zal regelmatig worden geactualiseerd.
In die waardevermindering is dus het verdwijnen van de gebruikssporen begrepen. De tekst is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar: de waardevermindering als gevolg van schade wordt vastgesteld 72% van het schadebedrag. Er staat niet dat de waardevermindering bestaat uit 72% van het schadebedrag plus een (forfaitair) bedrag wegens de aanwezigheid van gebruikssporen. De rechtbank en het Hof hebben daarom de vastgestelde schade ten onrechte verminderd voor een bedrag wegens gebruikssporen.
3.5.
Hieronder wordt ingegaan op de bepaling van de schade per auto. Bij zes auto's heeft de Rechtbank geen motivering gegeven,
- a.
Auto 1. Zowel het Hof als de Rechtbank hebben zonder enige motivering de schade vastgesteld.
- b.
Auto 2. Het Hof heeft tijdens de zitting aan belanghebbende gevraagd om een toelichting te geven over de schade aan één auto: auto 2. Dat is de auto met de grootste schade. Naar aanleiding van die uitleg heeft Het Hof de opgegeven schade aan die auto integraal aanvaard en deze aangemerkt als een 100% waardevermindering.
- c.
Auto 3. Zowel het Hof als de Rechtbank hebben zonder enige motivering de schade vastgesteld.
- d.
Auto 4. Bij deze auto heeft het Hof geen schade gezien. Het Hof heeft bij de behandeling gevraagd waarom bij sommige auto's geen schade te zien was. Als voorbeeld heeft de echtgenote van belanghebbende gezegd dat de schade soms lastig te zien is op foto's. Als voorbeeld noemde zij auto 4, waar op de foto's weinig schade te zien was, maar die in werkelijkheid er uitzag alsof deze overgeverfd was met behulp van een verfroller. Op de foto's van die auto is met enige moeite te zien dat deze auto, zoals dat genoemd wordt, een sinasappelhuid heeft. De lak heeft dan veel vrij regelmatige putjes, in plaats van een gladde laklaag. Dat betekent dat de gehele auto overgespoten moet worden. De auto was, voordat belanghebbende deze aangekocht, slecht overgespoten. De gehele auto moest daarom opnieuw worden gespoten. Het Hof oordeelde dat geen schade aan deze auto. Dat oordeel is onjuist.
- e.
Auto 5. Het Hof heeft de schade vastgesteld overeenkomstig de opgaaf van belanghebbende.
- f.
Auto 6. Zowel het Hof als de Rechtbank hebben zonder enige motivering de schade vastgesteld.
- g.
Auto 7. Zowel het Hof als de Rechtbank hebben zonder enige motivering de schade vastgesteld.
- h.
Auto 8. Zowel het Hof als de Rechtbank hebben zonder enige motivering de schade vastgesteld.
- i.
Auto 9. Bij deze auto heeft het Hof geen schade gezien. Dat is ten onrechte, alle andere procespartijen, inclusief de Inspecteur, zagen schade aan deze auto.
- j.
Auto 10. Bij deze auto heeft het Hof de schade vastgesteld overeenkomstig de opgaaf door belanghebbende.
- k.
Auto 11. Zowel het Hof als de Rechtbank hebben zonder enige motivering de schade vastgesteld.
- l.
Auto 12. Zowel het Hof als de Rechtbank hebben zonder enige motivering de schade vastgesteld.
Belanghebbende handhaaft zijn standpunt aangaande de omvang van de schades en het waardeverminderende effect daarvan.
Gomes valente
3.6.
In het arrest van 22 februari 2001, Gomes Valente, C-393/98, Jurispr. 2001, blz. 1–1327, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat het een lidstaat slechts is toegestaan op gebruikte voertuigen die uit andere lidstaten zijn ingevoerd, een stelsel van belastingheffing toe te passen waaronder de vermindering van de werkelijke waarde van de voertuigen algemeen en abstract wordt berekend op basis van in een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling vastgestelde forfaitaire criteria of tabellen, indien door deze criteria of tabellen wordt gewaarborgd dat de belasting die verschuldigd is, het bedrag van de belasting die nog rust op de waarde van vergelijkbare voertuigen die reeds op het nationale grondgebied zijn geregistreerd, niet, zelfs niet in een klein aantal gevallen, overschrijdt. In het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, C-437/12, ECLI:EU:C:2013:857, overwoog het Hof onder andere:
- ‘31.
Derhalve wordt artikel 110 VWEU geschonden wanneer het bedrag van die belasting op een tweedehands voertuig uit een andere lidstaat hoger is dan het restbedrag van die heffing dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds op het nationale grondgebied geregistreerde tweedehands voertuigen (arresten van 9 maart 1995, Nunes Tadeu, C-345/93, Jurispr. blz. 1–479, punt 20, en 22 februari 2001, Gomes Valente, C-393/98, Jurispr. blz. 1-1327, punt 23, en reeds aangehaald arrest Tulliasiamies en Siilin, punt 55).’
- 32.
Indien het bedrag van de registratiebelasting op ingevoerde tweedehands voertuigen hoger is dan het restbedrag van die heffing dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds op de binnenlandse markt geregistreerde tweedehands voertuigen, zou dat immers de verkoop van nationale tweedehands voertuigen kunnen begunstigen, waardoor de invoer van gelijksoortige tweedehands voertuigen zou worden ontmoedigd.’
en
- ‘42.
Die discriminerende gevolgen kunnen slechts worden voorkomen indien kan worden gekozen voor het laagste restbedrag van de registratiebelasting dat nog is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds op het nationale grondgebied geregistreerde tweedehands voertuigen.’
Het Hof van Justitie EU antwoordde op de prejudiciële vragen onder andere:
‘artikel 110 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een belasting als de BPM, indien en voor zover het bedrag van die belasting op ingevoerde tweedehands voertuigen dat wordt geheven bij hun registratie in Nederland hoger is dan het laagste restbedrag van die heffing dat is vervat in de waarde van gelijksoortige reeds in die lidstaat geregistreerde tweedehands voertuigen.’
3.7.
Belanghebbende heeft bij het Hof stukken ingebracht van auto's die vergelijkbaar zijn met de betrokken auto's. Die auto's zijn vergeleken met de betrokken auto, toegelaten in de periode van een maand voor tot een maand na die datum. Het gaat steeds om vergelijkbare auto's. Uit het overzicht blijkt dat de sommige van deze auto's voor een lager bedrag met bpm zijn belast dan het bedrag dat volgens de regels in de aangifte door betrokkene is berekend. Die berekening leidt daarom tot een te hoge aanslag bpm. Die andere auto's kunnen schadeauto's zijn geweest(en zijn dat waarschijnlijk ook geweest), maar dat neemt niet weg dat het vergelijkbare voertuigen zijn die reeds op het nationale grondgebied waren geregistreerd. Volgens het arrest Games Valente moet daar rekening mee gehouden worden. Het bedrag van de belasting, bpm, mag het bedrag van de belasting dat op de waarde van die vergelijkbare auto's rust, niet overschrijden, ook niet als het gaat om een klein aantal gevallen. In uw arrest van 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:753, r.o. 2.3.2., overwoog u onder meer het volgende:
‘Artikel 110 VWEU strekt ertoe elke vorm van bescherming uit te sluiten die het gevolg kan zijn van de heffing van binnenlandse belastingen die discriminerend zijn ten opzichte van producten uit andere lidstaten(…). Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie houdt dit in dat op vanuit andere lidstaten overgebrachte goederen op geen enkele manier een zwaardere fiscale last mag komen te drukken dan op reeds in het binnenlandse verkeer aanwezige goederen(…).’
Die vergelijkbare auto's zijn, ook nu nog, toegelaten en hebben een geldige apk. In de aanvullende stukken die belanghebbende voor de zitting bij het Hof heeft ingebracht, blijkt van vergelijkbare auto's die met een lagere bruto BPM op de binnenlandse markt zijn. Deze auto's nemen deel aan het verkeer en hebben een geldige apk. De auto's zijn vergelijkbaar. Het type en uitvoering zijn identiek, de datum van eerste toelating is nagenoeg gelijk. Belanghebbende doet nadrukkelijk een beroep op dit arrest. Er is daarom geen ruimte voor navordering van BPM. Belanghebbende betaalde reeds te veel BPM.
3.8.
Belanghebbende voert ter illustratie een voorbeeld op. Stel een auto met schade wordt in Nederland ingevoerd. De verschuldigde BPM wordt vastgesteld op € 500. De schade wordt volledig hersteld, de auto wordt verkocht en neemt deel aan het verkeer. Vervolgens wordt een vergelijkbare auto ingevoerd. Deze auto heeft geen schade. Deze auto zou volgens de koerslijst nog een zodanige waarde hebben dat daarvoor € 4.000 BPM geheven zou kunnen worden. Dat is in strijd met het arrest Games Valente. Immers door de toepassing van de koerslijst overschrijdt de belasting die verschuldigd is, het bedrag van de belasting die nog rust op de waarde van vergelijkbare voertuigen die reeds op het nationale grondgebied zijn geregistreerd. Dat is volgens het Hof van Justitie niet toegestaan, zelfs niet in een klein aantal gevallen.
3.9.
Belanghebbende heeft bij het Hof uitdrukkelijk een beroep op dit arrest gedaan. Dat blijkt uit de pleitnotitie van belanghebbende en uit het proces verbaal. Het Hof is daar in de uitspraak niet op ingegaan. De uitspraak van het Hof is daarom onvoldoende gemotiveerd en kan daarom niet in stand blijven.
Proceskosten
3.10.
De rechtbank heeft de Inspecteur in de proceskosten veroordeeld. Belanghebbende vindt dat die veroordeling te karig is. Het gaat in dit geval om een complexe procedure over twaalf auto's die afzonderlijk de revue zijn gepasseerd. Het Hof heeft dat bedrag ook nog eens verlaagd. Het Hof heeft voor een aantal auto's de rechtbank gevolgd, voor een deel de schade lager vastgesteld en voor een deel hoger. Per saldo kwam de na te vorderen BPM iets hoger uit dan de Rechtbank had vastgesteld. Het Hof meende dat het hoger beroep van belanghebbende daarom ongegrond is en dat daarom geen plaats is voor een proceskostenveroordeling. Dat is onjuist. Belanghebbende is ten dele in het gelijk gesteld. Daarom had het Hof de Inspecteur ook moeten opdragen het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden.
3.11.
Zowel de Rechtbank als het Hof hebben de wegingsfactor vastgesteld op 1,5. Dat is te laag in een complexe procedure als deze. Belanghebbende verzoekt de factor vast te stellen op 3,0.
4. Slot
4.1.
Belanghebbende verzoekt:
- a.
de uitspraken van de Rechtbank en het Hof te vernietigen en de navorderingsaanslag(-en) alsnog te vernietigen, met inbegrip van de daarbij opgelegde boetes en belastingrente, behoudens voor wat betreft de toegekende vergoeding van het griffierecht aan belanghebbende,
- b.
de Staatssecretaris dan wel de Inspecteur op te dragen alsnog het griffierecht van de procedure bij het Hof aan belanghebbende te vergoeden,
- c.
de Staatssecretaris van Financiën dan wel de Inspecteur te veroordelen in de kosten van belanghebbende voor de procedure in bezwaar, Rechtbank en Hof met toepassing van een wegingsfactor 3,0 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
- d.
de Staatssecretaris van Financiën op te dragen aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald, en de Staatssecretaris van Financiën te veroordelen in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
- e.
De Staatssecretaris op te dragen hetgeen belanghebbende heeft betaald ter uitvoering van de eerdere uitspraken, terug te betalen aan belanghebbende.
Uitspraak 23‑09‑2022
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 20/01132
Datum 23 september 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2020, nrs. 18/00316 tot en met 18/003271., op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 17/3747 en AWB 17/5955 tot en met AWB 17/5965) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door J. Zandberg, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende heeft in 2014 twaalf maal, op diverse data, een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan met het oog op de registratie van een gebruikte, vanuit een andere lidstaat overgebrachte personenauto in het Nederlandse kentekenregister.
2.2
Bij het berekenen van de verschuldigde bpm heeft belanghebbende een vermindering als bedoeld in artikel 10, lid 1, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2014; hierna: de Wet) in aanmerking genomen. Die vermindering heeft hij gebaseerd op de in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde afschrijving van de desbetreffende personenauto. Deze afschrijving heeft hij aannemelijk willen maken met een bij de aangifte gevoegd rapport van een taxateur.
2.3
Volgens de overgelegde taxatierapporten heeft de taxateur geconcludeerd dat elke personenauto schade vertoonde. Met het oog op het bepalen van de afschrijving is hij voor elke personenauto uitgegaan van de handelsinkoopwaarde van een daarmee vergelijkbare personenauto in onbeschadigde staat zoals die voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorijtuigen door wederverkopers in Nederland (hierna: de koerslijstwaarde) en heeft hij daarop in mindering gebracht een door hem geraamd bedrag aan kosten. Het betreft de kosten die volgens de taxateur moeten worden gemaakt om de schade aan de desbetreffende personenauto volledig te herstellen (hierna: de gecalculeerde herstelkosten).
2.4
Voor controle van de juistheid van de op de aangiften voldane bedragen heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht hem de aan- en verkoopfacturen van de personenauto’s te doen toekomen alsmede de herstelnota’s. De op die facturen en nota’s vermelde gegevens waren voor de Inspecteur reden om het standpunt in te nemen dat de taxateur de gecalculeerde herstelkosten voor elke personenauto te hoog heeft vastgesteld. Hij heeft de handelsinkoopwaarde van elke personenauto op een hoger bedrag gesteld door op de koerslijstwaarde een lager schadebedrag dan de gecalculeerde herstelkosten in mindering te brengen. Dit schadebedrag heeft de Inspecteur vastgesteld op basis van de herstelkosten die volgden uit de door belanghebbende overgelegde herstelnota’s en urenverantwoordingen.De als gevolg van deze correcties méér verschuldigde bpm heeft hij van belanghebbende nageheven (in totaal € 9.779) en daarbij belanghebbende - op grond van artikel 67c AWR - een boete van tien procent van het nageheven bedrag opgelegd.
2.5
De Rechtbank heeft geoordeeld dat geen van de partijen de in aanmerking te nemen waardevermindering aannemelijk heeft gemaakt. Zij heeft daarom de waardevermindering voor elke personenauto in goede justitie vastgesteld. Bij de schatting van de in aanmerking te nemen herstelkosten is de Rechtbank uitgegaan van een wat lager bedrag dan de gecalculeerde herstelkosten omdat de Rechtbank aannemelijk heeft geacht dat hierin ook kosten van herstel van normale slijtage en/of gebruikssporen zijn begrepen. Daarnaast heeft de Rechtbank het waardeverminderende effect van de schade op 72 procent van de in aanmerking te nemen herstelkosten gesteld.
3. De oordelen van het Hof
3.1
Belanghebbende heeft voor het Hof aangevoerd dat de Rechtbank ten onrechte tweemaal rekening heeft gehouden met een correctie voor normale gebruikssporen. Die “dubbeltelling” hield volgens belanghebbende in dat de Rechtbank de gecalculeerde herstelkosten eerst heeft gecorrigeerd vanwege de herstelkosten van normale gebruikssporen en daarnaast het waardeverminderende effect van de schade op 72 procent heeft geschat.
3.2
Het Hof heeft geoordeeld dat geen sprake is van de door belanghebbende gestelde dubbeltelling. Het Hof heeft vooropgesteld dat in de koerslijstwaarde die de taxateur heeft gebruikt, een waardevermindering is verdisconteerd vanwege normale gebruiks- of slijtagesporen passend bij leeftijd en kilometerstand van de personenauto. Belanghebbende heeft op de koerslijstwaarde de gecalculeerde herstelkosten voor honderd procent in mindering gebracht. Het Hof heeft zich aangesloten bij het oordeel van de Rechtbank dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat alle in de taxatierapporten beschreven herstelkosten betrekking hebben op ‘echte’ schade en dus niet mede zien op beschadigingen waarmee in de koerslijstwaarde al rekening is gehouden. De door de taxateur in aanmerking genomen waardevermindering (honderd procent van de gecalculeerde herstelkosten) moet naar het oordeel van het Hof daarom worden gecorrigeerd.
3.3
Het door belanghebbende gehanteerde uitgangspunt dat één euro ‘echte’ schade daadwerkelijk moet leiden tot een waardevermindering met één euro, heeft het Hof niet juist geacht. Het Hof heeft, na verwerping van het standpunt van de Inspecteur over de door hem gestelde waardevermindering, geoordeeld dat de waardevermindering van elke personenauto in goede justitie moet worden bepaald. In dat verband heeft het Hof bij het bepalen van de mate van invloed van de kosten van schadeherstel op de handelsinkoopwaarde van de personenauto’s in beschadigde toestand het bewijsvermoeden gehanteerd dat van de gecalculeerde herstelkosten 72 procent in aanmerking wordt genomen als waardeverminderend effect, een en ander behoudens tegenbewijs door belanghebbende. Dit percentage van 72 heeft het Hof ontleend aan de met ingang van 1 januari 2015 geldende paragraaf 3.5 van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.
3.4
In het licht van hetgeen beide partijen als bewijs hebben aangevoerd, heeft het Hof vervolgens voor elke personenauto afzonderlijk beoordeeld of deze méér schade vertoonde dan normale gebruiks- of slijtagesporen. Daarbij heeft het Hof tot uitgangspunt genomen dat voor zover dergelijke schade niet is onderbouwd en belanghebbende deze ook anderszins niet aannemelijk maakt, het bewijsrisico bij belanghebbende rust.
3.5
Het Hof heeft voor drie personenauto’s geoordeeld dat belanghebbende met de taxatierapporten niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij méér schade hadden dan normale gebruiks- of slijtagesporen. Het Hof heeft daarom bij het bepalen van de handelsinkoopwaarde van die personenauto’s de gecalculeerde herstelkosten niet in aanmerking genomen.
3.6
Voor negen personenauto’s heeft het Hof vastgesteld dat zij méér schade vertoonden dan normale gebruiks- of slijtagesporen.Het Hof heeft voor een van deze personenauto’s geoordeeld dat aannemelijk is dat het waardeverminderende effect van die schade honderd procent van de gecalculeerde herstelkosten bedraagt.Voor de resterende acht personenauto’s heeft het Hof geoordeeld dat met de taxatierapporten niet aannemelijk is gemaakt dat de waardevermindering als gevolg van beschadigingen gelijk is aan de gecalculeerde herstelkosten. Het Hof heeft in enkele van die gevallen een deel van de gecalculeerde herstelkosten buiten beschouwing gelaten en vervolgens van het wel in aanmerking te nemen deel 72 procent aangemerkt als waardedrukkend op de koerslijstwaarde. In de resterende gevallen heeft het Hof 72 procent van de gecalculeerde herstelkosten in aanmerking genomen als waardevermindering ten opzichte van de koerslijstwaarde.
4. Beoordeling van de klachten
4.1
De klachten richten zich onder meer tegen de hiervoor in 3.3 en 3.6, laatste alinea, weergegeven oordelen van het Hof. Zij voeren aan dat het Hof - in navolging van de Rechtbank - ten onrechte bij de waardeschatting van een aantal auto’s tweemaal rekening houdt met het verdwijnen van sporen van normaal gebruik (dubbeltelling).
4.2.1
Bij de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte personenauto moet op grond van artikel 110 VWEU een reële waardedaling in aanmerking worden genomen, dan wel moet een waarde worden geschat die de werkelijke waarde zeer sterk benadert.2.
4.2.2
Dit geldt ook bij de heffing van bpm ter zake van een uit een andere lidstaat afkomstige, gebruikte personenauto met beschadigingen die niet het gevolg zijn van normaal gebruik (hierna: schadeauto). Bij toepassing van de in artikel 10, lid 8, van de Wet bedoelde taxatiemethode mag die waardeschatting plaatsvinden door de handelsinkoopwaarde van een vergelijkbare personenauto zonder beschadigingen (hierna: het referentievoertuig), zoals deze volgt uit een in de handel algemeen toegepaste koerslijst, te verminderen met de geschatte waardevermindering die redelijkerwijs aan de beschadigingen is toe te rekenen.3.
4.2.3
Met betrekking tot de schatting van de waardedaling die voor de heffing van bpm redelijkerwijs aan beschadigingen van een schadeauto is toe te rekenen, moeten alle voor die schatting van belang zijnde factoren worden meegewogen. Daarbij geldt dat het waardedrukkende effect van beschadigingen als gevolg van normaal gebruik al is verdisconteerd in de handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig zoals die in de koerslijst is vermeld.4.Kosten die zien op herstel van (onder)delen van de schadeauto die louter beschadigingen als gevolg van normaal gebruik vertonen, mogen in zo’n geval dus niet als waardeverminderende factor in aanmerking worden genomen.5.
4.2.4
Ook geldt dat de kosten van het herstellen van (onder)delen van de schadeauto die beschadigingen vertonen die niet alleen aan normaal gebruik zijn toe te rekenen, niet zonder meer leiden tot een waardedaling die even groot is als het bedrag van die kosten. Dit komt mede doordat in het kader van het herstellen van dergelijke (onder)delen onvermijdelijk ook de beschadigingen aan die (onder)delen als gevolg van normaal gebruik verdwijnen.
4.2.5
Hetgeen hiervoor in 4.2.2 tot en met 4.2.4 is overwogen, brengt mee dat bij de hiervoor in 4.2.2 bedoelde waardeschatting (i) in elk geval gecalculeerde herstelkosten moeten worden geëlimineerd die betrekking hebben op het herstel van (onder)delen met louter beschadigingen als gevolg van normaal gebruik, en (ii) wat betreft de overige gecalculeerde herstelkosten, die dus betrekking hebben op (onder)delen van de schadeauto die beschadigingen vertonen die niet alleen aan normaal gebruik zijn toe te rekenen, ermee rekening moet worden gehouden dat door het herstel van die (onder)delen ook de beschadigingen verdwijnen die een gevolg zijn van normaal gebruik.
4.2.6
De belastingplichtige draagt bij betwisting de last te bewijzen (i) dat (onder)delen van een te registreren schadeauto beschadigingen vertonen die een waardedaling ten opzichte van de handelsinkoopwaarde van het referentievoertuig rechtvaardigen en (ii) hoe groot die waardedaling is.6.Het oordeel van een rechtbank of hof over de waardedaling die in een concreet geval wordt veroorzaakt door beschadigingen, kan in cassatie slechts beperkt worden getoetst.
4.2.7
Het Hof heeft bij de bepaling van de invloed van beschadigingen aan elke personenauto op de handelsinkoopwaarde ervan ten opzichte van de koerslijstwaarde van het referentievoertuig, kennelijk de kosten van het herstel van (onder)delen van de auto’s met louter beschadigingen als gevolg van normaal gebruik geëlimineerd uit de door de taxateur gecalculeerde herstelkosten. Het heeft verder het waardeverminderende effect van de aldus gecorrigeerde gecalculeerde herstelkosten die zijn gemoeid met het herstellen van (onder)delen van de auto’s met beschadigingen die niet alleen aan normaal gebruik zijn toe te rekenen, geschat op 72 procent van die kosten. Bij die schatting heeft het Hof kennelijk rekening ermee gehouden dat door het laatstbedoelde herstel ook beschadigingen als gevolg van normaal gebruik verdwijnen.Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2.5 is overwogen, geven die oordelen van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zij kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige door de Hoge Raad in de cassatieprocedure niet op juistheid worden onderzocht.
4.2.8
Door de handelsinkoopwaarde van de personenauto’s te schatten op de hiervoor in 4.2.2 tot en met 4.2.4 beschreven - en door het Hof ook toegepaste - wijze, wordt bereikt dat per saldo de werkelijke waarde van de desbetreffende personenauto zo veel mogelijk wordt benaderd. Anders dan in de klachten wordt betoogd, wordt op deze wijze het waardedrukkende effect van sporen van normaal gebruik niet dubbel geëlimineerd.
4.2.9
De klachten falen daarom in zoverre.
4.3
De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 24 maart 2020. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM met minder dan zes maanden. Wat betreft de naheffingsaanslag leidt dit niet tot toekenning van een vergoeding voor immateriële schade, omdat belanghebbende daarom niet heeft verzocht. Ook wat betreft de boete ziet de Hoge Raad geen aanleiding om aan de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase gevolgen te verbinden. Omdat de boete minder beloopt dan € 1.000 is met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 EVRM, de verdragsschending voldoende gecompenseerd.
6. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
7. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2022.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑09‑2022
Vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, rechtsoverweging 2.3.1.
Vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, rechtsoverweging 2.3.2.
Vgl. HR 10 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2822, rechtsoverweging 2.4.3.
Vgl. HR 10 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2822, rechtsoverweging 2.4.3.
Vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63, rechtsoverweging 2.3.3.