Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/8.3
8.3 De uitleg van de vorm van de aflegging van de eed en de belofte
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS451603:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het opsteken van de twee vingers zou de twee naturen (God en mens) van Christus uitbeelden. Zie Van Oven 2009; Soeharno 2013.
Bijlage Handelingen II 1910/1911, 138, 8, p. 16.
HR 23 mei 1921, NJ 1921, p. 595 e.v., m.nt. Taverne.
HR 19 april 1988, NJ 1989, 140.
Vgl. Wiersinga, AA 2003, p. 40-41.
HR 29 november 2002, NJ 2003, 61.
EHRM 18 februari 1999, nr. 24645/94 (Buscarini and Others v San Marino). Zie ook EHRM 3 juni 2010, nr. 42837/06, 3269/07, 35793/07 en 6099/08 (Dimitras and others v Greece), par. 76-78. Het EHRM bepaalde hierin dat de Griekse standaardprocedure voor het afleggen van de eed in een strafzaak (bijvoorbeeld bij het afleggen van een getuigenis) in strijd was met art. 9 EVRM. Een getuige diende in deze procedure namelijk de eed af te leggen met de hand op de Bijbel. Wel kon een getuige op een andere wijze de eed afleggen wanneer hij zich beriep op een uitzonderingsbepaling. Deze bepaalde echter dat de betrokkene tot in detail beschreef op welke religie of overtuiging hij dan zijn eed ging afleggen. Dit vereiste vormde een inbreuk op het forum internum van de justitiabele, aldus het EHRM.
De vorm van de aflegging van de eed of de belofte wordt bepaald door artikel 1 van de Wet vorm en eed uit 1911. Bij het afleggen van de eed dient men onder het opsteken van de twee voorste vingers van de rechterhand1 de tekst ‘Zo waarlijk helpe mij God Almachtig’ uit te spreken. Wie de belofte doet, spreekt de tekst uit ‘Dat beloof ik’ en dan zonder het opsteken van vingers. De wetgever van 1911 voegde daaraan nog een tenzij-clausule toe die erop neerkomt dat het voor de getuige mogelijk is om de eed of de belofte op een andere wijze af te leggen indien zijn ‘godsdienstige gezindheid’ hem hiertoe noopte. Bij de terminologie ‘godsdienstige gezindheid’ dacht de wetgever aan het lidmaatschap van een kerk. De wetgever verwachtte dat de rechter zou nagaan tot welk kerkgenootschap de getuige behoorde en of dat kerkgenootschap een wijze van aflegging van de eed of belofte voorschreef die afweek van de algemene regel van artikel 1 van de Wet vorm en eed.2 Gesteld kan worden dat de wetgever een objectieve uitleg gaf aan de vorm van de eedsaflegging doordat hij ervan uitging dat elke godsdienstige gezindheid zijn eigen te controleren wijze van aflegging had. Met andere woorden, niet het rechtssubject bepaalde wat de vorm van de eed of de belofte was maar de godsdienstige gezindheid waartoe hij behoorde.
Dit uitgangspunt werd ook in de jurisprudentie onderschreven: ‘…een getuige [is] omtrent de wijze van eedsaflegging gebonden door den ritus van zijn Kerkgenootschap’.3 De plicht die de rechter had om zelfstandig na te gaan of de godsdienstige gezindheid van de getuige verplicht tot een afwijkende eedsvorm gold tot 1988. In 1988 verlaat de Hoge Raad deze objectiverende kwalificatiewijze. Toen bepaalde de Hoge Raad in afwijking van de wetsgeschiedenis dat het standpunt van de getuige over de wijze waarop hij de eed wil afleggen doorslaggevend is en niet zijn lidmaatschap van een kerkgenootschap.4 Met deze koersverandering gaf de Hoge Raad blijk van een subjectiverende kwalificatiewijze.5
In lijn met bovenstaande oordeelde de Hoge Raad in 2002 dat de rechter een gelovige moslim niet kan verplichten de eed op de Koran af te leggen, ook al zou de christelijke eedsformule voor de te beëdigen persoon geen betekenis hebben. In deze zaak werd in cassatie betoogd dat indien een getuige kiest voor het afleggen van de eed, hij deze eed dient af te leggen ‘naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid’. Twee getuigen, beiden moslim, hadden volgens eiser tot cassatie moeten worden verplicht tot het afleggen van de eed door middel van het zweren met de hand op de Koran omdat de Nederlandse eed voor hen geen enkele betekenis heeft. De Hoge Raad overwoog echter dat artikel 1 van de Wet vorm en eed degene die kiest voor het afleggen van de eed niet verplicht deze af te leggen ‘naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid’. De wet verlangt geen motivering voor de keuze tussen de eed of de belofte. De rechter te wiens overstaan een getuige zijn verklaring moet afleggen, is dan ook niet gehouden te onderzoeken of degene die een verklaring als getuige aflegt, aan zijn godsdienstige gezindheid de plicht ontleent de eed, belofte of bevestiging ‘op andere wijze te doen’. De eigen keuze van de aflegger van de eed of belofte over de vorm daarvan brengt volgens de Hoge Raad tevens mee dat een (weder)partij geen beroep toekomt op het in haar ogen ontbreken van de juiste vorm van die eed of belofte.6
Bij de vorm van de eed of belofte zien we net als bij de keuze tussen het afleggen van een eed of belofte dat hieraan in eerdere tijden een objectiverende uitleg ten grondslag lag. In het verleden diende de rechter het juiste kerkelijke lidmaatschap van een getuige te onderzoeken en de bijbehorende vorm van eedsaflegging, tegenwoordig gaat de rechter uit van de wijze van aflegging van de eed of belofte zoals die door de getuige naar voren wordt gebracht. Daarbij, zo blijkt uit bovenstaande zaak van 2002, is de getuige niet gehouden de aflegging van de eed of belofte te doen volgens de wijze die objectief het meest past bij zijn godsdienstige gezindheid.
Ook het EHRM lijkt ten aanzien van de vorm van de eed een meer subjectieve uitleg voor te staan. Zo oordeelde het in Buscarini and Others v San Marino dat een parlementslid niet verplicht mag worden om een eed af te leggen op het (christelijke) evangelie. Dit was volgens het EHRM onverenigbaar met artikel 9 EVRM.7
We kunnen de ontwikkelingen in de wetgeving en jurisprudentie ten aanzien van de aflegging van de eed of belofte duiden als de overgang van het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme naar het ideaaltype van accommodationisme. In de huidige meer accommodationistische benadering wordt geprobeerd de opvattingen van de aanhangers van verschillende religies en levensbeschouwingen te accommoderen. De tolerantie die de staat ten aanzien van de eedsaflegging tentoonspreidt neemt niet, zoals voorheen, de erkende kerkgenootschappen als uitgangspunt maar de justitiabele zelf. Hij is het die uitmaakt of hij de eed of belofte aflegt en in welke vorm.