Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/5.4.1
5.4.1 Eenheid gebouw en bijbehorend terrein
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291207:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 8 juni 2000, zaak C-400/98, V-N 2000/43.17, r.o. 50 (Breitsohl). Zie ook: conclusie A-G Ruiz-Jarabo Colomer 16 december 1999, zaak C-400/98, ECLI:EU:C:1999:626, punten 86-90 (Breitsohl).
HvJ EG 8 juli 1986, zaak 73/85, ECLI:EU:C:1986:295, r.o. 13 (Kerrut).
Het Hof van Justitie heeft het begrip ‘bebouwd terrein’ voor het eerst gebruikt in het Kerrut-arrest (HvJ EG 8 juli 1986, zaak 73/85, ECLI:EU:C:1986:295, r.o. 13 (Kerrut)). Het Hof van Justitie heeft die aanduiding niet zelf bedacht. Die eer valt te beurt aan A-G Darmon (conclusie A-G Darmon 22 april 1986, zaak C-400/98, ECLI:EU:C:1986:160, punt 3 (Kerrut)).
Conclusie A-G Ruiz-Jarabo Colomer 16 december 1999, zaak C-400/98, ECLI:EU:C:1999:626, punt 90 (Breitsohl).
Art. 5:20 lid 1, onderdeel e BW. Heyman en Bartels wijzen erop dat in het Nederlandse civiele recht het gebouw het terrein volgt, ondanks dat een gebouw veelal economisch en maatschappelijk gezien veruit het belangrijkst is (H.W. Heyman en S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2012, p. 51). Dat op grond van de Btw-richtlijn het terrein het gebouw volgt, doet derhalve (meer) recht aan de economische realiteit en de maatschappelijke opvattingen.
HvJ EG 8 juni 2000, zaak C-400/98, V-N 2000/43.17, r.o. 52 (Breitsohl).
HvJ EG 8 juni 2000, zaak C-400/98, V-N 2000/43.17, r.o. 51 (Breitsohl).
HvJ EG 8 juli 1986, zaak 73/85, ECLI:EU:C:1986:295, r.o. 13 (Kerrut).
HvJ EG 8 juni 2000, zaak C-400/98 (Brigitte Breitsohl), V-N 2000/43.17, r.o. 17. Anders: Redactie V-N in haar aantekening bij dit arrest die stelt dat de uitleg van het Hof van Justitie ook van invloed zal zijn in de gevallen waarin het gebouw en het terrein niet tegelijkertijd en/of aan dezelfde koper wordt geleverd. In de zaak Breitsohl is naar mijn mening geen aanknopingspunt te vinden voor de opvatting dat deze uitleg ook zou gelden bij de verkoop van het gebouw en het terrein aan verschillende kopers. Bovendien blijkt uit de zaak Breitsohl slechts dat sprake is van een afzonderlijke verkoop van het gebouw en het terrein. Uit dit arrest is, anders dan de Redactie V-N meent, derhalve niet af te leiden dat sprake was van een afzonderlijke levering van het gebouw en het terrein.
In Nederland zal een afzonderlijke verkoop van het gebouw en het terrein door dezelfde verkoper aan dezelfde koper normaliter ook op grond van de juridische realiteit kwalificeren als de levering van een bebouwd terrein, aangezien de macht om als een eigenaar over het gebouw en het terrein te beschikken zal worden overgedragen door de eigendomsoverdracht van het terrein. Op grond van art. 5:20 lid 1, onderdeel e BW omvat de eigendom van het terrein immers ook de gebouwen die duurzaam met de grond verenigd zijn.
Niet alleen in art. 135 lid 1, onderdeel j Btw-richtlijn, maar ook in art. 12 lid 1, onderdeel a en art. 137 lid 1, onderdeel b Btw-richtlijn wordt gesproken van ‘de levering van een gebouw of een gedeelte ervan en van het bijbehorend terrein’. Uit het voegwoord ‘en’ en het bijvoeglijk naamwoord ‘bijbehorend’ blijkt dat een gebouw en het bijbehorend terrein een eenheid vormen.1 Een vastgoedtransactie kwalificeert daarom slechts als de levering van een gebouw en van het bijbehorend terrein indien het gebouw en het terrein het voorwerp uitmaken van één en dezelfde levering.2 Deze levering betreft de levering van een bebouwd terrein.3 Uit het bijvoeglijk naamwoord ‘bijbehorend’ blijkt voorts dat het gebouw de hoofdzaak is.4 De zaakseenheid van het gebouw en het terrein in de btw vormt derhalve het spiegelbeeld van de zaakseenheid van grond en opstal in het Nederlandse civiele recht, aangezien in het Nederlandse civiele recht niet het gebouw, maar het terrein de hoofdzaak is.5 Vanwege de eenheid van het gebouw en van het bijbehorend terrein geldt de vrijstelling en haar uitzonderingen voor het geheel, d.w.z.: de levering van een gebouw inclusief het bijbehorend terrein.6 Het is derhalve niet toegestaan om op de levering van een gebouw een ander btw-regime toe te passen dan op de levering van het terrein dat bij dit gebouw hoort.7
In het Kerrut-arrest heeft het Hof van Justitie overwogen dat van een levering van een gebouw met bijbehorend terrein slechts sprake kan zijn wanneer het gebouw en het terrein volgens het recht inzake koop en verkoop het voorwerp uitmaken van één en dezelfde levering, zoals bij de levering van een bebouwd terrein.8 Deze overweging, die niet terugkomt in het dictum, is naar mijn mening niet los te zien van het feitelijke decor in deze zaak. In deze zaak was sprake van de levering van het terrein en de oprichting van een nieuw gebouw op dit terrein aan de koper door verschillende belastingplichtigen. Hoewel deze transacties economisch verbonden waren, was naar het oordeel van het Hof geen sprake van de levering van een bebouwd terrein. Deze overweging dient naar mijn mening niet geabstraheerd te worden van de feitelijke context door hieruit af te leiden dat het afzonderlijk overeenkomen van de verkoop van het gebouw en van het terrein door dezelfde verkoper aan dezelfde koper met zich brengt dat de zaakseenheid verloren gaat. Uit het Breitsohl-arrest, waarin sprake was van de afzonderlijke verkoop van het gebouw en het terrein, is af te leiden dat het Hof van Justitie op dezelfde lijn zit.9 Het komt mij voor dat die lijn recht doet aan de (juridische en) economische realiteit.10