Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/7.4.3.2.2
7.4.3.2.2 Belang en onderscheid actieve en passieve medewerking?
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS497050:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Koops 2012, p. 6.
Zie § 7.3.4.4 hiervoor.
EHRM 29 juni 2007 (O’Halloran en Francis t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2008, 25 (m.nt. Alkema) en EHRM 10 januari 2008 (Lückhof en Spanner t. Oostenrijk). Vgl. Fokkens/Spek 2005, p. 147, die menen dat de gevraagde mate van medewerking een rol kan spelen. Bijvoorbeeld wanneer het directe bewijs uitsluitend dankzij de gevorderde medewerking tot stand kan komen.
Dat het onderscheid tussen actieve en passieve medewerking in de nemo tenetur-problematiek geringe betekenis heeft, is begin jaren negentig van de vorige eeuw verwoord door Meijer 1991, p. 890 e.v.
Wanneer de autoriteiten een verklaring afdwingen, dan is duidelijk wat van de verdachte wordt verlangd. Hij moet mondeling of schriftelijk mededeling doen. Dat is naar zijn aard een actieve handeling. Het niet-wilsafhankelijke karakter van materiaal opent echter een palet van mogelijkheden voor wat betreft de aard van handelen dat van de verdachte wordt afgedwongen. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen actieve en passieve medewerking. Dit onderscheid is niet eenduidig, want casusspecifiek en gradueel van aard.
Sterker, ik heb moeite een voorbeeld te bedenken waarin medewerking werkelijk ‘passief’ is. Mogelijk kan worden gedacht aan het geven van toegang tot een gebouw of ruimte of de afgifte van stukken voor raadpleging of ter inbeslagneming. Ook voor dergelijke (overwegend) fysieke handelingen geldt mijns inziens dat sprake is van (enige) actieve medewerking. Misschien is het onderscheid tussen passieve en actieve medewerking niet-bestaand en moet dat worden begrepen als beperkte of ruime actieve medewerking.
Intellectuele inspanning verdachte
Ik wijs in dit verband op Koops. Buiten het afleggen van verklaringen geldt volgens hem dat naarmate de verdachte actiever moet meewerken – in het bijzonder als hij daarbij een intellectuele inspanning moet verrichten –, een dwang om mee te werken eerder in strijd komt met nemo tenetur.1 Deze opvatting sluit min of meer aan op het onderscheid in de Amerikaanse rechtspraak tussen een ‘physical act’ en een ‘implied factual statement’.2
Hof stelt omvang van meewerkplicht voorop
Niet elke gehoudenheid van de verdachte om (actief) aan de bewijsgaring bij te dragen, raakt aan het niet-meewerkrecht. Zo noopte de beperkte antwoordplicht van de klagers in de zaken Weh en O’Halloran en Francis volgens het Hof niet tot de vaststelling dat sprake was van gedwongen zelfbelasting, zodat het zwijgrecht niet in het geding was.3 Uit § 58 van het arrest volgt dat de schending van het niet-meewerkrecht in Funke en J.B. (mede) steunt op de ruime meewerkplicht van klagers.4 Meer in het algemeen lijkt het Hof vooral belang te hechten aan de omvang van een meewerkplicht. Zo dat onderscheid al kan worden gemaakt, dan speelt de aard van de meewerkplicht – actief of passief – daarin geen zichtbare rol.5